Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4468

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
22-08-2014
Zaaknummer
Awb 14/1296 en 14/1297
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om naturalisatie van twee Syrische kinderen; niet deugdelijk gemotiveerd waarom verweerder vast houdt aan vereiste dat een naturalisant een geldig buitenlands paspoort overlegt; verweerder wordt in gelegenheid gesteld om alsnog nadere motivering kenbaar te maken.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 7, geldigheid: 2014-08-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/1296 RWNL en 14/1297 RWNL

Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] in haar hoedanigheid van moeder en wettelijk vertegenwoordiger van [kind 1] en [kind 2] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Yousef) ,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J.M. Magram Tetteroo).

Procesverloop

Bij besluiten van 17 juli 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder het door eiseres en haar echtgenoot , de heer [echtgenoot eiseres] , gedane verzoek om naturalisatie ingevolge de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) voor zichzelf en hun kinderen [kind 1] en [kind 2] afgewezen.

Bij besluiten van 25 april 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ten aanzien van de afwijzing van de naturalisatie voor haar kinderen, ongegrond verklaard. Daarnaast is het bezwaar ten aanzien van de afwijzing van de naturalisatie van eiseres en haar echtgenoot gegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen beide op haar kinderen betrekking hebbende bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide beroepen heeft gevoegd plaatsgevonden op 18 augustus 2014.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft op 4 september 2012 een verzoek tot naturalisatie ingediend voor

zichzelf en voor haar minderjarige, op [geboortedag] 1999 te [woonplaats] geboren, zonen

[kind 1] en [kind 2] .

Vervolgens heeft verweerder eiseres, voor zover hier van belang, bij brief van 3 mei 2013

doen weten dat hij voornemens is om het verzoek om medenaturalisatie van [kind 1] en

[kind 2] af te wijzen omdat van de kinderen geen buitenlandse paspoorten zijn overgelegd en

evenmin is aangetoond dat er sprake is van bewijsnood bij het verkrijgen van die paspoorten.

Eiseres is daarbij in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen twee weken de gevraagde

verklaring van de autoriteiten van het land van herkomst en/of de bewijsstukken en/of haar

zienswijze in te dienen.

Bij schrijven van 20 mei 2013 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder een zienswijze

doen toekomen.

Bij besluiten van 17 juli 2013 heeft verweerder de verzoeken tot medenaturalisatie van

[kind 1] en [kind 2] afgewezen.

Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 25 april 2014 heeft verweerder die bezwaren ongegrond verklaard en de

afwijzing van het verzoek tot medenaturalisatie van [kind 1] en [kind 2] gehandhaafd.

2.

In geschil is of de besluiten van verweerder van 25 april 2014, waarbij de afwijzing

van de naturalisatieverzoeken van [kind 1] en [kind 2] is gehandhaafd, in rechte in

stand kunnen blijven.

3.

Eiseres voert, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdelings bestuursrechtspraak

van de Raad van State (AbRS) van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:531), primair aan

dat verweerder, gezien artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), ten

onrechte heeft overwogen dat toepassing van het in de Handleiding RWN neergelegde beleid

in dit geval niet onredelijk is. Volgens haar is het niet nodig dat [kind 1] en [kind 2] een

geldig buitenlands reisdocument overleggen ter staving van hun identiteit, nu de

staatssecretaris hun identiteit aan de hand van de beschikbare documenten kan vaststellen.

Voor zover een paspoort nodig is om de nationaliteit van [kind 1] en [kind 2] te staven,

wijst eiseres erop dat beide kinderen - op [geboortedag] 1999 te [woonplaats] - staande een

rechtsgeldig huwelijk van Syrische onderdanen zijn geboren en aldus op grond van de

Syrische nationaliteitswetgeving de Syrische nationaliteit hebben.

Verweerder voert ten aanzien van dit primaire standpunt aan dat een naturalisant zijn

identiteit en nationaliteit uitsluitend kan aantonen aan de hand van een geboorteakte en

een geldig buitenlands paspoort. Omdat [kind 1] en [kind 2] geen paspoort hebben

overgelegd en er geen reden is om in het geval van - in Nederland geboren - minderjarigen

van dit vereiste af te zien, komen zij niet voor medenaturalisatie in aanmerking, aldus de

staatssecretaris.

Daarnaast voert eiseres aan dat er sprake is van bewijsnood ten aanzien van het aantonen van

de nationaliteit van haar beide kinderen, omdat de Syrische ambassade in Brussel op dit

moment geen aanvraagformulieren voor een paspoort verstrekt, noch een paspoort en zij

door de burgeroorlog niet naar Syrië kan reizen. Verweerder meent dat de gestelde

bewijsnood niet is gestaafd met daartoe dienende documenten.

4.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de RWN wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 van de RWN kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (Besluit), voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker bij de indiening van een naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, gegevens met betrekking tot geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen; geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland; nationaliteit of nationaliteiten.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker in zijn verzoek de minderjarige kinderen die hij in zijn naturalisatie wenst te betrekken. Hij verstrekt over hen, voor zoveel mogelijk, de gegevens genoemd in het eerste lid.

Ingevolge artikel 31, vijfde lid, van het Besluit, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens paragraaf 3.5.1. van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (Handleiding) dient de verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands paspoort en staatloos is, mag hij een vreemdelingenpaspoort overleggen.

5.

De rechtbank overweegt dat de Afdeling in vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:319) heeft overwogen dat de verlening van het Nederlanderschap, gelet op de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is en verweerder dan ook bevoegd is om te eisen dat de desbetreffende verzoeker op de in de Handleiding neergelegde wijze zijn identiteit en nationaliteit aantoont.

De rechtbank stelt voorts vast dat niet in geschil is dat eiseres bij het verzoek om naturalisatie van haar beide kinderen geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid dat, naar niet door verweerder wordt bestreden, vaststaat dat eiseres en de vader van beide kinderen zijn genaturaliseerd tot Nederlander, en dat de staatssecretaris de identiteit van eiseres en de vader en hun oorspronkelijke Syrische nationaliteit heeft vastgesteld in hun onderscheiden naturalisatieprocedures. Voorts staat vast dat [kind 1] en [kind 2] blijkens de door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] opgemaakte akte van geboorte van 5 november 1999 als kind van [echtgenoot eiseres] en eiseres zijn geboren en van erkenning. Onbestreden is dat die geboorte plaatsvond staande het rechtsgeldige huwelijk van [echtgenoot eiseres] en eiseres.

Daarnaast vermelden de zich in de betreffende dossiers bevindende uittreksels uit de

gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [woonplaats] van 4 september 2012 als

nationaliteit [kind 1] en [kind 2] de Syrische nationaliteit. Verweerder heeft voorts niet betwist dat uit de Syrische nationaliteitswetgeving voortvloeit dat beide kinderen de Syrische nationaliteit hebben.

In het licht van deze omstandigheden is de rechtbank in de lijn van de Afdelingsuitspraak van 19 februari 2014 van oordeel dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval heeft vastgehouden aan het vereiste dat een naturalisant een geldig buitenlands paspoort overlegt en niet van het in de Handleiding neergelegde beleid is afgeweken. De redelijke doelstelling van het beleid is immers dat een naturalisant het bewijs van zijn oorspronkelijke nationaliteit verschaft, zodat de staatssecretaris die kan vaststellen. De staatssecretaris heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij dit aan de hand van hetgeen eiseres heeft overgelegd niet zou kunnen. In het bijzonder heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd wat onder de gegeven omstandigheden de toegevoegde waarde is van een vergelijking van de in een geldig buitenlands paspoort voorkomende personalia met een Nederlandse akte van de burgerlijke stand, met GBA-registratie als voormeld.

De rechtbank volgt verweerder evenmin in diens in het verweerschrift opgenomen standpunt dat de onderhavige procedure niet vergelijkbaar is met de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak van 19 februari 2014 omdat daar alsnog een buitenlands paspoort zou zijn overgelegd. Uit die uitspraak blijkt immers niet dat dat dat leidend zou zijn geweest voor de uitspraak. Bovendien is ter zitting van de zijde van verweerder erkend dat dat paspoort pas na de Afdelingsuitspraak in overgelegd.

De rechtbank neemt nog in aanmerking dat een buitenlands paspoort een bewijsmiddel bij uitstek is om de nationaliteit aan te tonen, maar de Handleiding vermeldt dat dat “in beginsel” is. Andere bewijsmiddelen – behoudens bewijsnood – zijn niet uitgesloten. Dat,

- zoals ter zitting door verweerder is aangevoerd – de kinderen de Syrische nationaliteit mogelijk zijn verloren, laat de rechtbank als niet onderbouwde stelling buiten beschouwing.

6.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in de bestreden besluiten te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. In het belang van een spoedige (finale) geschilbeslechting zal de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen om alsnog een nadere motivering kenbaar te maken.

De rechtbank zal de termijn waarbinnen verweerder de nadere motivering kenbaar kan maken op zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak bepalen. Deze termijn kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden verlengd. Indien verweerder verlenging van de termijn wenst, dan dient hij voor het verstrijken van de termijn een gemotiveerd verzoek daartoe te doen.

7.

Op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb deelt verweerder de rechtbank zo spoedig mogelijk mede of gebruik gemaakt wordt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen of te laten herstellen. Indien verweerder verklaart geen gebruik te maken van de gelegenheid om het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen of de termijn die daarvoor is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de behandeling van het beroep op de gewone wijze worden voortgezet.

8.

De beoordeling van de overige beroepsgronden stelt de rechtbank uit tot de einduitspraak. De rechtbank neemt nog geen beslissing over de vergoeding van de gemaakte proceskosten. Zij wacht hiermee tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze

tussenuitspraak het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming

van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.