Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4390

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
22-08-2014
Zaaknummer
ak_14_688
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of door de vaststellingsovereenkomst sprake was van beëindiging van de arbeidsovereenkomst; rechtbank oordeelt dat eiseres de aanspraken die zij uit hoofde van haar arbeidsovereenkomst zou hebben, met de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst niet meer heeft; daaraan doet niet af dat werkgever het in haar macht had om eenzijdig de vaststellingsovereenkomst te doen vervallen; beroep gegrond; rechtbank voorziet zelf in toekenning WW-uitkering per 1 maart 2014.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 16, geldigheid: 2014-08-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/603

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/688

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Nieuwleusen, eiseres

(gemachtigde: mr. P.D. Koren),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij tot en met 31 maart 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 10 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiseres was sinds 1 oktober 1999 werkzaam bij de Rabobank te Zwolle (werkgeefster).

Eiseres en werkgeefster hebben op 28 november 2013 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarbij is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 januari 2014 eindigt. Voorts is overeengekomen dat indien werkgeefster eiseres per uiterlijk de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt alsnog kan plaatsen in een passende functie als bedoeld in de Rabobank cao, de overeenkomst komt te vervallen en dat partijen daaraan geen rechten meer kunnen ontlenen.

2.

Eiseres heeft een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft besloten eiseres tot en met 31 maart 2014 geen WW-uitkering toe te kennen, overwegende dat nu in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat werkgeefster nog op zoek gaat naar een passende functie het voor de werknemer op datum ondertekening van de vaststellings-overeenkomst nog niet vaststaat dat de vaststellingsovereenkomst daadwerkelijk tot uitvoering komt. Deze duidelijkheid kwam tegen 31 december 2013 en pas op dat moment kan de (fictieve) opzegtermijn van drie maanden aanvangen. De door werkgeefster toegekende ontslagvergoeding moet worden beschouwd als loon over deze opzegtermijn.

3.

Eiseres voert aan dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd per 28 november 2013, de datum waarop de vaststellingsovereenkomst is ondertekend. De opzegtermijn van drie maanden start op 1 december 2013 en het recht op een WW-uitkering ontstaat per

1 maart 2014. Het enkele feit dat in de vaststellingsovereenkomst sprake is van een ontbindende voorwaarde betekent niet dat de opzegtermijn niet kan ingaan op het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. De gemachtigde heeft verwezen naar een uitspraak d.d. 26 juni 2013 van de rechtbank Limburg, zaaknummer 12/1738.

4.

De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

In artikel 16 van de WW en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de Gelijkstellings-regeling arbeidsuren (Regeling van 20 december 2012, Stcrt. 2012, 26779, inwerkingtreding 1 januari 2013) is bepaald dat indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden als datum waarop de dienstbetrekking geacht wordt te zijn opgezegd de datum geldt waarop de beëindiging schriftelijk is overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke beëindigingsovereenkomst, de laatste dag van de dienstbetrekking.

4.2

In geschil is de vraag of door de vaststellingsovereenkomst op 28 november 2013 sprake was van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Verweerder meent dat dit niet het geval is omdat in de vaststellingsovereenkomst een ontbindende voorwaarde is opgenomen die door werkgeefster kan worden opgeroepen.

4.3

De rechtbank oordeelt dat eiseres de aanspraken die zij uit hoofde van haar

arbeidsovereenkomst zou hebben, met de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst niet meer heeft en dat daarmee wel degelijk sprake is van beëindiging van de arbeidsover-eenkomst. Daaraan doet niet af dat de “ex” werkgeefster het in haar macht had om eenzijdig de vaststellingsovereenkomst te doen vervallen. Met het ondertekenen van de vaststellings-overeenkomst is de arbeidsovereenkomst dan ook per 28 november 2013 beëindigd.

4.4

Het voorgaande betekent dat de fictieve opzegtermijn moet worden toegerekend aan de periode van 1 december 2013 tot 1 maart 2014.

5.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

6.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding, op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door eiseres met ingang van

1 maart 2014 een WW-uitkering toe te kennen. Verweerder wordt dan ook opgedragen de WW-uitkering vanaf deze datum na te betalen, inclusief wettelijke rente, zoals door eiseres is verzocht.

7.

De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- kent aan eiseres met ingang van 1 maart 2014 een uitkering toe ingevolge de WW en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,- te betalen aan eiseres;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade, te weten de wettelijke rente, zoals onder rechtsoverweging 6. aangegeven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van G. Ballast griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.