Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4192

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
Awb 13/2505v
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

In het onderhavige geval heeft de rechtbank kunnen concluderen dat er gerede twijfel bestond aan de toereikendheid van de volmacht en om een specifieke machtiging kunnen vragen; verzet ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/2505v

uitspraak van de enkelvoudige kamer

Opposante:

[…],

wonende te Enschede,

gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer,

in het geding tussen

[…],

MediateQ B.V.,

gevestigd te Enschede, eiseressen in dat geding,

en

Centrale Verwerking Openbaar Ministerie,

verweerder in dat geding.

Procesverloop

Bij uitspraak van 23 januari 2014 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen is verzet gedaan.

Het verzet is ter zitting van 22 mei 2014 behandeld. Namens opposante is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. M. Krari.

Overwegingen

1.

Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb, betreft uitsluitend de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens – in dit geval – de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep. ‘Kennelijk’ betekent dat over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.

2.

De rechtbank stelt vast dat zowel het beroep in de zaak met procedurenummer 13/2505 als het onderhavige verzet tegen de uitspraak op dat beroep, zijn ingediend namens […] en MediateQ B.V. Ter zitting heeft de gemachtigde van opposante aangegeven dat MediateQ B.V. als eiseres in de zaak met procedurenummer 13/2505 en als opposante in onderhavige verzetzaak komt te vervallen. Het verzet wordt derhalve opgevat als zijnde gedaan namens […].

3.

Bij brief van 30 oktober 2013 heeft gemachtigde namens opposante beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar door verweerder. Het bezwaar van 6 juli 2013 is gericht tegen het besluit van verweerder van 7 juni 2013 tot toekenning van een dwangsom ten bedrage van € 60, - aan opposante.

4.

De gemachtigde van opposante heeft een machtiging ingezonden, door opposanten ondertekend op 1 september 2013. De tekst van de volmacht luidt als volgt: “Naam: [naam](…) machtigt hierbij mr. drs. J..M.C. Niederer, h.o.d.n. J.M.C. Niederer Interim Management en/of legal control gevestigd te (5708 ZW) Helmond aan de [adres], om hem te vertegenwoordigen en alle handelingen te verrichten teneinde geschillen in rechte te bestrijden alsmede al hetgeen daartoe door gemachtigde noodzakelijk wordt geacht, waaronder het aanwenden van rechtsmiddelen en het opvragen van gegevens, bijvoorbeeld op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, het bij weigering voeren van gerechtelijke procedures deze gegevens alsnog te verkrijgen en, indien relevant, het aannemen van bedragen zoals vergoeding voor proceskosten, griffierechten etc., een en ander in de ruimste zin des woords. Voor elke uit te voeren proceshandeling zal vooraf met ondergetekende overleg worden gepleegd.”.

5.

Bij brieven van 28 november 2013 en 19 december 2013 heeft de rechtbank de gemachtigde van opposante verzocht een meer specifieke volmacht in te zenden, omdat de door de gemachtigde gebruikte standaard machtiging zo ruim geformuleerd is dat deze als het ware een blanco cheque is, waarmee gemachtigde alle proceshandelingen in de breedste zin van het woord kan verrichten.

De gemachtigde van opposante is daarbij een termijn gegund van drie weken. Hij is er daarbij op gewezen dat het beroep niet ontvankelijk kan worden verklaard als de gevraagde volmacht niet wordt ingezonden.

6.

Op 21 december 2013 heeft gemachtigde van opposante een machtiging ingezonden.

7.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 januari 2014 geoordeeld dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat de gemachtigde van opposante bevoegd was haar te vertegenwoordigen. Daarbij is overwogen dat de volmacht op naam van opposante geen originele handtekening bevat en dat verwezen wordt naar een andere beroepszaak dan de onderhavige, te weten de beroepszaak met nummer 13/1612. Om die reden heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

8.

Opposante voert onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3:62, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan dat de algemene volmacht de gevolmachtigde bevoegd maakt de volmachtgever in ieder opzicht te vertegenwoordigen, ondubbelzinnige uitsluiting daargelaten. Volgens opposante mag de rechtbank niet treden in de reikwijdte van de vertegenwoordigingsbevoegdheid, dat is een afspraak tussen volmachtgever en gevolmachtigde. Het uitgangspunt van de rechtbank dat een algemene volmacht die ruim is geformuleerd maakt dat van de bevoegdheid van gemachtigde om namens opposante op te treden geen sprake is, is in strijd met vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) . Opposante verwijst hierbij naar de Afdelingsuitspraken van 18 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH3232) en van 16 maart 2005 (JB2005/127). Ter zitting is voorts verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 21 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:346) en 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:446).

9.

De rechtbank overweegt als volgt.

9.1

Ingevolge artikel 3:62, eerste lid, van het BW strekt een algemene volmacht zich slechts uit tot daden van beschikking, indien schriftelijk en ondubbelzinnig is bepaald dat zij zich ook tot die daden uitstrekt. Onder algemene volmacht wordt verstaan de volmacht die alle zaken van de volmachtgever en alle rechtshandelingen omvat, met uitzondering van hetgeen ondubbelzinnig is uitgesloten.

Het tweede lid van artikel 3:62 bepaalt dat een bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is verleend, zich slechts uitstrekt tot daden van beschikking indien dit ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een volmacht die voor een bepaald doel is verleend, zich uit tot alle daden van beheer en van beschikking die dienstig kunnen zijn tot het bereiken van dit doel.

Ingevolge artikel 3:71, eerste lid, van het BW kunnen verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en haar niet onverwijld hetzij een geschrift waaruit de volmacht volgt is overgelegd, hetzij de volmacht door de volmachtgever is bevestigd.

Het tweede lid van artikel 3:71 bepaalt dat bewijs van volmacht niet kan worden verlangd, indien de volmacht door de volmachtgever ter kennis van de wederpartij was gebracht, indien zij op een door wet of gebruik bepaalde wijze was bekendgemaakt, of indien zij voortvloeit uit een aanstelling waarmede de wederpartij bekend is.

Ingevolge artikel 3:79 van het BW vinden de bepalingen van titel 3 (volmacht) buiten het vermogensrecht overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de betrekking zich daartegen niet verzet.

9.2

De rechtbank stelt voorop dat analoge toepassing van de betreffende bepalingen uit het titel 3 van boek 3 van het BW in het (bestuursrechtelijke) procesrecht denkbaar is maar de nodige voorzichtigheid vereist (vgl. MvA II, Parl. Gesch. 3, p. 251).

Het komt de rechtbank voor dat het in dit geval niet gaat om een algemene maar een bijzondere volmacht. De volmacht omvat immers niet alle zaken van de volmachtgever.

De rechtbank is niet als wederpartij in de zin van artikel 3:71 van het BW aan te merken. Zij acht het haar taak in het belang van een juiste procesvoering en het belang van andere partijen bij het geding toe te zien op de toereikendheid van de aan haar overgelegde machtigingen. De rechtbank sluit daarbij aan bij de strekking van artikel 3:71 en acht zich gerechtigd in voorkomende gevallen nader bewijs van volmacht te verlangen. Zij gebruikt daartoe haar bevoegdheid om om herstel van een eventueel geconstateerd verzuim te verzoeken.

Opposante stelt in wezen dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 3:71, tweede lid, van het BW ten onrechte een specifieke machtiging heeft gevraagd, omdat de volmacht reeds ter kennis van de rechtbank was gebracht. Geen bewijs van het bestaan van een volmacht kan worden verlangd, indien de volmacht door de volmachtgever ter kennis is gebracht, maar de machtiging is in dit geval niet door opposante zelf ter kennis gebracht. De twee andere uitzonderingen van artikel 3:72, tweede lid, van het BW doen zich niet voor. De betreffende bepaling staat dan ook niet in de weg aan het vragen van bewijs over de toereikendheid van een volmacht, indien twijfelachtig is of het vertegenwoordigende handelen door de volmacht wordt gedekt.

9.3

In het onderhavige geval heeft de rechtbank op de in haar uitspraak vermelde gronden kunnen concluderen dat er gerede twijfel bestond aan de toereikendheid van de volmacht en om een specifieke machtiging kunnen vragen.

9.4

De door eiseres aangehaalde uitspraken acht de rechtbank in dit verband niet relevant. De uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2009 ziet niet op de toereikendheid van een machtiging in het kader van artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb maar op de vergoeding van de kosten van een door een derde verleende rechtsbijstand op grond van een (algemene) machtiging.

In de uitspraak van 16 maart 2005 heeft de Afdeling het verzet ongegrond verklaard tegen de niet-ontvankelijk verklaring van een hoger beroep wegens het niet aantonen binnen de gestelde termijn van een gestelde vertegenwoordiging. Ook deze uitspraak ondersteunt het argument van opposante niet.

De arresten van de Hoge Raad missen toepassing, omdat die – anders dan in dit geval – zien op de vraag of een machtiging moet dateren van na het besluit op bezwaar.

9.5

De rechtbank heeft verder terecht geoordeeld dat niet vastgesteld kon worden dat de gemachtigde van opposante bevoegd was haar te vertegenwoordigen, omdat de bij brief van 21 december 2013 overgelegde volmacht geen originele handtekening van opposante bevat en omdat daarin wordt verwezen naar een andere beroepszaak.

10.

Gelet let op het bovenstaande heeft de rechtbank het beroep op goede gronden kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De rechtbank is van oordeel dat het verzet ongegrond is. De uitspraak waartegen het verzet is gericht blijft derhalve in stand.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.