Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4173

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-07-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
157706 KG ZA 14-223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen bestuurders m.b.t. onttrekken van gelden. Tevens is sprake van onverenigbaarheid van karakters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: 157706 KG ZA 14-223

datum vonnis: 31 juli 2014

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Verhuisvriend.nl BV,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BHR Solutions BV,

beide gevestigd te Ootmarsum,

eisers,

verder te noemen Verhuisvriend en BHR Solutions,

advocaat: mr. M.S. van Knippenberg te Enschede,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagden,

verder te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2],

zelfstandig procederende.

1 Het procesverloop

In conventie (en reconventie)

Verhuisvriend en BHR Solutions hebben gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd en voorafgaand aan de zitting een conclusie van antwoord tevens eis in reconventie ingediend. Deze conclusie is buiten beschouwing gelaten, met uitzondering van het deel dat ter zitting door [gedaagde 1] is voorgelezen, omdat de conclusie niet tevens aan de (advocaat van de) wederpartij was gezonden. De eis in reconventie is niet ingediend door een advocaat en is buiten beschouwing gelaten.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 24 juli 2014.

Ter zitting zijn verschenen:[V] namens Verhuisvriend en BHR Solutions, vergezeld van mr. Van Knippenberg, en [gedaagde 1] in persoon, mede namens [gedaagde 2].

Partijen hebben hun standpunten toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De feiten en het geschil

1. In deze zaak staat het navolgende vast. [V] en [gedaagde 1] zijn de facto zelfstandig bevoegd bestuurder en 50% aandeelhouder van Verhuisvriend: [V] en [gedaagde 1] zijn zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouders van resp. Rman Holding en [gedaagde 1] Holding, welke holdings elk zelfstandig bestuurder en 50% aandeelhouder zijn van BHR Solutions. BHR Solutions is bestuurder en enig aandeelhouder van Verhuisvriend.

Verhuisvriend drijft een onderneming die voor klanten adreswijzigingen verzendt bij een verhuizing.

2. Tussen [gedaagde 1] en [V] zijn geschillen ontstaan over het onttrekken van gelden aan Verhuisvriend en over (te) hoge uitgaven voor marketing. Daarnaast is er sprake van een onverenigbaarheid van karakters.

3. [V] en [gedaagde 1] hebben (als achterliggende partij) eerder tegen elkaar in kort geding geprocedeerd. Bij dagvaarding van 16 april 2014 hebben BHR Solutions en Verhuisvriend in kort geding gevorderd Rman Holding en [V] te veroordelen:

-tot terugboeking van een bedrag van € 27.744,34 op de bankrekeningen van Verhuisvriend;

-zorg te dragen dat de bestaande systemen van Verhuisvriend operationeel blijven en volledige toegang tot die systemen te verlenen;

-tot het ongedaan maken van wijziging van de tenaamstelling van de voorheen op naam van Verhuisvriend gestelde contracten, op hun kosten;

-te verbieden bestuursbesluiten te nemen en/of als bestuurder te handelen;

-al het voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling in de kosten van het geding.

Rman Holding en [V] hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Verhuisvriend en BHR Solutions bij vonnis van 20 juni 2014 afgewezen en dat als volgt gemotiveerd:

4 De beoordeling

4.1.

Het gestelde spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van het gevorderde.

4.2.

De kern van het (onderliggende) geschil is het feit dat bestuurders [gedaagde 1] en [V] (althans via hun persoonlijke holding) in een zodanige impasse zijn geraakt, dat dit het gezamenlijk bestuur van eisers in de weg staat. [gedaagde 1] heeft namens eisers het onderhavige kort geding geëntameerd en heeft daaraan ten grondslag gelegd enkele gedragingen van [V] dan wel zijn persoonlijke holding RMAN Holding die naar de mening van [gedaagde 1] als onbehoorlijk kunnen worden gekwalificeerd, zoals het voldoen van nota’s voor rechtsbijstand van de rekeningen van eisers, alsmede het platleggen van de operationele systemen waardoor de website verhuisvriend.nl niet of niet adequaat werkt ten gevolge waarvan eisers inkomsten mislopen. [V] heeft op zijn beurt eveneens een kort geding geëntameerd, met gelijksoortige vorderingen en verwijten aan het adres van [gedaagde 1]. Het is om die reden dat de voorzieningenrechter reden zag om het kort geding te schorsen teneinde partijen in staat te stellen een definitieve oplossing voor het geschil te bewerkstelligen, waarbij blijkens het proces-verbaal ook was overeengekomen dat [V] het door hem geëntameerde kort geding niet zou aanbrengen. Partijen zijn echter niet tot elkaar gekomen, zelfs niet nadat zij zijn bijgestaan door een kandidaat-notaris in zijn hoedanigheid als mediator. Het onder punt 3. van voornoemd proces-verbaal genoemde kort geding is alsnog weer aangebracht en zal 24 juli 2014 dienen. Kort gezegd vordert [V] namens eisers in dat kort geding dat [gedaagde 1] dan wel zijn persoonlijke holding te verbieden op naam van eisers een opdracht te geven of te laten voortbestaan (aan onder meer de huidige advocaat van eisers).

4.3.

Nu [gedaagde 1] en [V] - al dan niet via hun persoonlijke holding - elkaar blijven bestoken met verwijten en procedures die een definitieve oplossing van het geschil in

de weg staan (zij het een oplossing in der minne dan wel via een procedure bij de Ondernemingskamer), is de voorzieningenrechter van oordeel dat artikel 2:239

(lid 5 jo lid 6) BW hem aan een beoordeling van het onderhavige kort geding in de weg staat. Zoals ter mondelinge behandeling reeds aan partijen is medegedeeld is een definitieve oplossing op korte termijn noodzakelijk gelet op de precaire (financiële) situatie waarin eisers zijn komen te verkeren door toedoen van [gedaagde 1] en [V] (al dan niet via hun persoonlijke holding). De ratio van voornoemd artikel is te voorkomen dat een bestuurder bij zijn handelen zich uitsluitend of mede laat leiden door zijn persoonlijke belang in plaats van het belang van de vennootschap dat hij vooral heeft te dienen. Nu beide bestuurders het vennootschapsbelang laten ondersneeuwen, met alle voordehand liggende desastreuze gevolgen van dien, handelen zij beide verwijtbaar en geenszins in het belang van de vennootschappen. Om die reden zal de voorzieningenrechter de vorderingen afwijzen.

4.4.

In de omstandigheid dat zowel [gedaagde 1] als [V] (al dan niet via hun persoonlijke holding) in deze verwijtbaar handelen jegens en namens eisers, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5. Verhuisvriend en BHR Solutions vorderen in deze procedure kort gezegd om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verbieden op naam van Verhuisvriend of BHR Solutions een opdracht te geven of te laten voortbestaan aan mr. Hollema of een andere advocaat van Daniels Huisman NV dan wel aan andere derden, voor zover het betreft leveringen van diensten en/of zaken aan dan wel ten behoeve van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zelf, op straffe van een dwangsom, en voorts om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te gebieden alle (andere) in functie zijnde (indirect) bestuurders van Verhuisvriend en BHR Solutions toegang te bieden en te laten houden tot de post, boekhouding en (overige) administratie van Verhuisvriend en BHR Solutions, inclusief het geautomatiseerde boekhoudsysteem waarin de boekhouding van Verhuisvriend en BHR Solutions zich bevindt, tevens op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure, inclusief nakosten.

6. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. Op het verweer wordt hieronder nader ingegaan.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

7. Het vereiste spoedeisend belang in deze procedure vloeit voort uit de aard van het gevorderde.

8. De voorzieningenrechter herhaalt hetgeen onder 4.2 van het vonnis van 20 juni 2014 is overwogen over de kern van het geschil. [V] en [gedaagde 1] zijn beide de facto zelfstandig bevoegd bestuurder en 50% aandeelhouder van Verhuisvriend en in de statuten van Verhuisvriend is blijkbaar geen voorziening opgenomen voor het geval er onenigheid bestaat over de te varen koers. De voorzieningenrechter heeft overigens begrepen dat er eerder drie bestuurders (met elk een derde van de aandelen) waren.

9. De onderhavige zaak is als het ware het spiegelbeeld van de zaak die heeft geleid tot het vonnis van 20 juni 2014. In die zaak procedeerde mr. Hollema (in opdracht van [gedaagde 1]) namens Verhuisvriend en BHR Solutions met vorderingen jegens [V], gegrond op onbehoorlijk handelen van [V] en thans procedeert mr. Van Knippenberg (in opdracht van [V]) namens Verhuisvriend en BHR Solutions met vorderingen jegens [gedaagde 1] gegrond op onbehoorlijk handelen van [gedaagde 1].

10. De voorzieningenrechter komt met betrekking tot de gedragingen over en weer niet tot een ander (voorlopig) oordeel dan het oordeel in het vonnis van 20 juni 2014, in welk vonnis het instellen van de onderhavige procedure al is meegewogen, gelet op overweging 4.2.

11. [gedaagde 1] heeft ter zitting een chronologisch overzicht voorgelezen waaruit blijkt dat de problemen zijn begonnen vanaf begin mei 2013. Vanaf dat moment hebben partijen zonder overleg Verhuisvriend betalingen laten doen en zijn domeinnamen, contracten e.d. op een andere naam of een ander adres gezet, waaronder de inschrijving in het handelsregister. Verhuisvriend, althans [V], heeft deze gebeurtenissen niet weersproken. [gedaagde 1] heeft als onderdeel van deze gebeurtenissen [V] blijkbaar de toegang ontzegd tot post en de boekhouding van Verhuisvriend, waarop het tweede deel van de onderhavige vordering ziet.

12. Verhuisvriend, althans [V], heeft gelijk dat zulks niet in het belang van de vennootschap Verhuisvriend is en dat beide bestuurders de beschikking dienen te hebben over de post en de boekhouding van Verhuisvriend, maar datzelfde geldt voor de gedragingen die [V] werden verweten in het eerste kort geding, het zonder overleg laten doen van betalingen door Verhuisvriend en het wijzigen van tenaamstellingen van contracten e.d.

13. Ook in dit kort geding kan de voorzieningenrechter (voorlopig oordelend) tot geen andere conclusie komen dan dat beide achterliggende partijen niet handelen vanuit het belang van Verhuisvriend. De vordering van Verhuisvriend als vermeld onder II. van het petitum zal daarom worden afgewezen op dezelfde gronden als vermeld in het vonnis van 20 juni 2014.

14. Ook de vordering vermeld onder I. van het petitum zal worden afgewezen. Aan de vordering ligt ten grondslag de stelling dat mr. Hollema, ingeschakeld door [gedaagde 1], niet de belangen van Verhuisvriend zou hebben behartigd, maar de belangen van [gedaagde 1]/[gedaagde 2]. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is die stelling onvoldoende aannemelijk geworden gelet op de overgelegde sommatie en dagvaarding van mr. Hollema. In elk geval kan niet gezegd worden dat mr. Hollema enkel de belangen van [gedaagde 1] of [gedaagde 2] heeft behartigd. Het perspectief van [gedaagde 1] heeft wel een rol gespeeld: in de sommatie wordt noodzakelijk geacht dat [V] aandelen overdraagt en dat is subjectief, ook het spiegelbeeld zou het probleem van Verhuisvriend oplossen.

15. Overigens verwijt [gedaagde 1] mr. Van Knippenberg ook een dubbelrol te vervullen; volgens [gedaagde 1] probeert [V] nota’s voor eigen rechtsbijstand door de vennootschap Verhuisvriend te laten betalen.

16. De vorderingen van Verhuisvriend en BHR Solutions zullen worden afgewezen en de voorzieningenrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vorderingen van Verhuisvriend en BHR Solutions af.

II. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.