Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4145

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
AWB 14/1178
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen besluit om bouwwerkzaamheden aan twee dakkapellen stil te leggen en het opleggen van een dwangsom. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/1178

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2013 (primaire besluit A) heeft verweerder eiser gelast de bouwwerkzaamheden aan twee dakkapellen op een bijgebouw op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 2 september 2013 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 8 oktober 2013 (primair besluit B) heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd. De last betreft het verwijderen van voornoemde twee dakkapellen dan wel het zodanig aanpassen van deze twee dakkapellen dat deze kunnen worden aangemerkt als vergunningsvrij.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 14 oktober 2013, aangevuld op 17 oktober 2013 en

7 november 2013, een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 10 april 2014 (bestreden besluit A) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij primaire besluit A ongewijzigd gehandhaafd en primair besluit B gewijzigd gehandhaafd. Deze wijziging betreft de hoogte van de dwangsom, de begunstigingstermijn en de motivering.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 2 juni 2014 (bestreden besluit B) heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot 1 augustus 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2], werkzaam bij de gemeente Steenwijkerland.

Overwegingen

1.

De navolgende feiten zijn niet betwist en ook de rechtbank aanvaardt deze feiten.

Tijdens een controle op 6 augustus 2013 hebben twee toezichthouders, in dienst bij de gemeente Steenwijkerland, geconstateerd dat op een bijgebouw op het perceel twee dakkapellen werden aangebracht, zonder dat verweerder hiervoor een omgevingsvergunning had verleend.

2.

Bestreden besluit A is tweeledig. Ten eerste heeft verweerder de in primo opgelegde

bouwstop gehandhaafd. Ten tweede heeft verweerder de in primo opgelegde last onder

dwangsom gewijzigd gehandhaafd. Deze wijziging betreft de hoogte van de dwangsom

(€ 1.500,- per week met een maximum van € 15.000,- voor twee dakkapellen gezamenlijk)

en de begunstigingstermijn (tot 6 weken na de beslissing op bezwaar).

De begunstigingstermijn is in bestreden besluit B verlengd tot 1 augustus 2014.

3.

Eiser heeft in zijn beroepschrift enkel gronden aangevoerd tegen bestreden besluit A; bestreden besluit B is niet bestreden.

3.1.

Eiser voert aan dat verweerder niet tijdig op zijn bezwaarschrift heeft beslist, zodat verweerder de bevoegdheid om een beslissing te nemen op dat moment niet meer bezat.

De rechtbank overweegt dat de termijn voor het nemen van een beslissing op een bezwaarschrift, zoals neergelegd in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), een termijn van orde betreft. Het overschrijden van deze termijn betekent niet dat verweerder niet meer bevoegd zou zijn om een beslissing te nemen. In tegendeel, verweerder is en blijft verplicht om een beslissing te nemen op het bezwaarschrift. De enkele ‘sanctie’ op het overschrijden van de beslistermijn is dat hierdoor voor eiser de mogelijkheid ontstaat om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift, waarna de rechtbank verweerder kan opdragen om binnen een bepaalde termijn die beslissing te nemen. De beroepsgrond faalt.

3.2.

Een bestuursorgaan is bevoegd om handhavend op te treden door middel van het opleggen van een last onder dwangsom dan wel een last onder bestuursdwang indien er sprake is van een overtreding, zijnde een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 125 Gemeentewet juncto artikelen 5:4 en 5:1 van de Awb).

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor zover van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Artikel 5.17 van de Wabo bepaalt dat een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet kan inhouden dat het bouwen, gebruiken of slopen van een bouwwerk wordt gestaakt of dat voorzieningen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid worden getroffen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de twee dakkapellen, nu deze, onder meer, niet zijn voorzien van een plat dak, niet vergunningsvrij zijn. Hierdoor is voor het bouwen van de twee dakkapellen een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ (alsmede een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘gebruiken’ indien er sprake is van strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan) vereist.

Eiser stelt dat verweerder zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om de bouw stil te leggen en hem een last onder dwangsom op te leggen, nu hij beschikt over een van rechtswege verleende omgevingsvergunning vanwege het niet (tijdig) reageren op zijn brief van 23 april 2012. Deze brief luidt als volgt:

“Na aanleiding van ons gesprek van 18 april, waar u mij verzocht een schriftelijke melding te doen van het plaatsen van 2 dakkapellen op de schuur.

Bij deze doe ik dan melding van plaatsing van 2 dakkapellen zowel op de voor kant als op de achterkant van de schuur met leien de dakkapellen zijn hoog 140 cm lang 570 cm, de dakkapellen zijn uitgevoerd van kunststof in de kleur blauw en voorzien van HR glas. Het dak van de dakkapellen wordt weer uitgevoerd met leien de bekleding met schroten in gebroken wit.

Zoals u al aangaf in ons gesprek van 18 april en ik geen tegen reactie van de gemeente steenwijkerland krijg kan ik na ongeveer 8 weken starten met mijn dakkapellen.

In ieder geval bedankt voor al u uitleg en de moeite.”

Ter zitting heeft eiser desgevraagd meegedeeld dat de persoon die hij op 18 april 2012 heeft gesproken een ‘ingehuurde kracht’ betreft. Tijdens dit gesprek hebben hij en deze persoon samen een schetsje van de dakkapellen gemaakt. Bij de brief van 23 april 2012 is geen schets en ook geen bouwtekening gevoegd, aldus eiser.

De rechtbank overweegt dat de verweerder in redelijkheid niet geloofwaardig heeft acht dat eiser, na een gesprek met een medewerker, de brief van 23 april 2012 heeft opgesteld en verzonden naar verweerder. De redenen hiervoor zijn de volgende. Ten eerste is artikel 42 van de Woningwet op 1 januari 2003 vervallen. Vanaf dat moment was het niet meer mogelijk om een bouwvoornemen te melden. De rechtbank acht het voorts met verweerder niet geloofwaardig dat een medewerker, belast met bouwzaken, in 2012 hiervan niet op de hoogte was. Ten tweede is de brief van 23 april 2012 blijkens de postregistratie van de gemeente Steenwijkerland nimmer ontvangen. Ten derde kan eiser zich niet herinneren welke ambtenaar hem desgevraagd telefonisch heeft bevestigd dat deze brief op het gemeentehuis is ontvangen.

De rechtbank oordeelt dat, nu het ervoor moet worden gehouden dat de brief van 23 april 2012 niet is verzonden dan wel door verweerder niet is ontvangen, van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning geen sprake kan zijn. Voor de volledigheid voegt de rechtbank hieraan toe dat, zelfs indien de brief van 23 april 2012 op het gemeentehuis zou zijn ontvangen, de rechtbank betwijfelt of deze brief kan worden geduid als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor, onder meer, de activiteit ‘bouwen’. Bij deze brief is immers geen bouwtekening gevoegd, hetgeen een vereiste is op grond van artikel 2.3 van de Regeling omgevingsrecht.

Nu eiser niet beschikt over een (van rechtswege verleende) omgevingsvergunning, heeft eiser het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo overtreden. Verweerder heeft zich terecht bevoegd geacht om de bouwwerkzaamheden stil te leggen en vervolgens eiser te gelasten dat hij deze twee dakkapellen verwijdert dan wel zodanig aanpast dat deze als vergunningsvrij kunnen worden aangemerkt.

3.3.Ten aanzien van de aanwending van deze bevoegdheden overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De vraag of er sprake is van een concreet zicht op legalisatie komt niet aan de orde bij het opleggen van een bouwstop. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2402.

Deze zogenaamde beginselplicht tot handhaving is niet afhankelijk van verzoeken om handhaving dan wel klachten van derden. Verweerder heeft een zelfstandige bevoegdheid c.q. een in beginsel verplichting. De stelling van eiser dat zijn buren geen bezwaren hebben tegen de dakkapellen treft dan ook geen doel.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie, onder meer omdat er een negatief welstandsadvies is afgegeven. Dit ontbreken van een concreet zicht op legalisatie is door eiser niet bestreden.

Eiser beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Het ligt op de weg van degene die zich op het gelijkheidsbeginsel beroept om gelijke gevallen aan te dragen. Daartoe heeft eiser in de bezwaarfase een aantal percelen aangedragen. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar aangegeven waarom de door eiser aangedragen dakkapellen niet vergelijkbaar zijn. Dat verweerder telkenmale ‘extra eisen’ stelt aan een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel, zoals eiser stelt, onderschrijft de rechtbank niet. Een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan immers slechts aan de orde zijn indien er sprake is van gelijke gevallen. Daarvan is in casu geen sprake, zo blijkt uit de beslissing op bezwaar. De beroepsgrond faalt dan ook.

Het plaatsen van zonnepanelen is, indien aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 2, aanhef en onder 6, van bijlage II van het Bor wordt voldaan, vergunningsvrij. De vormgeving van de dakkapellen heeft hiermee niets van doen. De beroepsgrond faalt.

3.4.

Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om de bouwwerkzaamheden stil te leggen en vervolgens, door middel van het opleggen van een last onder dwangsom, eiser te gelasten dat hij de twee dakkapellen verwijdert dan wel zodanig aanpast dat deze dakkapellen vergunningsvrij zijn. Voorts heeft verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

4.

Het beroep is ongegrond.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.