Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4116

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
C/08/147935 HA ZA 13-735
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing leerling. Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo).

Het al dan niet opleggen van een ordemaatregel is een discretionaire bevoegdheid van het bevoegd gezag. Wel moeten daarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden meegewogen en zal aan een aantal procedurele voorschriften moeten worden voldaan.

De schorsing heeft naar het oordeel van de rechtbank niet met de vereiste zorgvuldigheid plaatsgevonden. Er is geen voldoende reden aan de schorsing ten grondslag gelegd. Bovendien is de schorsing niet voorafgegaan door het horen van de betrokken leerling, de ouders en de groepsleerkracht en is het besluit niet onverwijld op schrift gesteld. Ook staat onder de schorsingsbeslissing geen bezwaarclausule en heeft de schorsing langer geduurd dan de wettelijk toegestane week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2014/49

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/147935 HA ZA 13-735

datum vonnis: 16 juli 2014 (HBvO)

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

verder te noemen: [eiser],

advocaat: mr. drs. A.M. Engelen te Velp,

tegen

de stichting

STICHTING CARMELCOLLEGE,

gevestigd te Hengelo (O),

gedaagde,

verder te noemen het Carmelcollege,

advocaat: mr. J. Schutter te Almere.

Het procesverloop

In deze zaak is op 26 maart 2014 een tussenvonnis gewezen. Voor wat betreft het procesverloop tot aan dat tussenvonnis, verwijst de rechtbank daarnaar.

In het tussenvonnis is een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 10 juni 2014. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

Na de comparitie hebben partijen vonnis gevraagd.

De overwegingen

Vaststaande feiten, vordering en standpunten van partijen

1.

Voor wat betreft de vaststaande feiten, de vordering van eiser en de onderbouwing daarvan en het verweer van het Carmelcollege, verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 26 maart 2014 en neemt dat hier over.

2.

Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende.

[eiser], geboren op [1994], was leerling van het Hooghuis Lyceum te Oss, één van de scholen van de Stichting Carmelcollege. [eiser] heeft een PRO-beschikking. In het schooljaar 2011/2012 is het onderwijs aan [eiser] uitbesteed aan ROC de Leijgraaf te Oss. [eiser] volgt hier het AKA-traject (Arbeidsmarktgekwalificeerd assistent).

Na een incident op 12 januari 2012 is [eiser] naar huis gestuurd door ROC de Leijgraaf. De incidentmelding is door eiser overgelegd als productie 1 bij dagvaarding.

Het Hooghuis heeft daarna het Pro-AKA-traject van [eiser] beëindigd. [eiser] werd geschorst. Er is nog een aantal keer huiswerk opgehaald door de moeder van [eiser], dat hij kon maken en inleveren, maar eind maart 2012 is dat door moeder stopgezet.

Door (de wettelijk vertegenwoordiger van) [eiser] is bezwaar gemaakt tegen de handelingswijze omtrent de acute verwijdering en schorsing. Dit bezwaar is door het Carmelcollege niet-ontvankelijk verklaard. Tevens is op 17 juli 2012 een klacht ingediend. Deze klacht is, in navolging van het advies van de klachtencommissie, deels gegrond verklaard.

[eiser] is met ingang van schooljaar 2012/2013 ingeschreven bij het Rijn IJsselcollege in Arnhem, bij de studierichting elektrotechniek.

Volgens [eiser] heeft het Carmelcollege in strijd gehandeld met de tussen partijen gesloten onderwijsovereenkomst, dan wel heeft zij onrechtmatig gehandeld. Daarbij voert hij aan dat (1) het Carmelcollege ten onrechte geen nadere informatie heeft ingewonnen bij het ROC de Leijgraaf over de juistheid van de beschuldigingen, (2) dat er onvoldoende is gecommuniceerd over (de gevolgen van) het AKA-traject, en (3) dat gedaagde ten onrechte het wettelijk traject voor een schorsing niet heeft gevolgd.

[eiser] vordert vergoeding van schade die hij daardoor heeft geleden.

Verdere beoordeling van de rechtbank

Onderwijsovereenkomst

3.

Het Carmelcollege heeft ten eerste betwist dat er een onderwijsovereenkomst bestaat tussen [eiser] en het Carmelcollege.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. In artikel 8.1.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs staat dat aan de inschrijving een overeenkomst tussen het bevoegd gezag en de deelnemer ten grondslag ligt. Nu [eiser] was ingeschreven bij Het Hooghuis, moet er wel een onderwijsovereenkomst tussen hen bestaan. Het Carmelcollege is de overkoepelende stichting.

Terecht heeft het Carmelcollege overigens gesteld dat het al dan niet bestaan van een onderwijsovereenkomst tussen haar en [eiser] geen wezenlijk verschil maakt voor de beoordeling door de rechtbank nu [eiser] ook een onrechtmatige daad aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd. Een onderwijsovereenkomst wordt zozeer beheerst door dezelfde normen, dat de uitkomst niet anders is bij een rechtsverhouding op grond van onrechtmatige daad.

4.

Terecht ook heeft het Carmelcollege aangevoerd dat de school geen resultaatsverbintenis heeft, maar een inspanningsverbintenis. Het beleid van de school kan door de civiele rechter slechts marginaal getoetst worden.
Met deze uitgangspunten oordeelt de rechtbank verder als volgt.

Geen nadere informatie ingewonnen bij ROC, geen hoor en wederhoor

5.

[eiser] heeft het Carmelcollege als eerste verweten dat zij ten onrechte geen nadere informatie heeft ingewonnen bij het ROC over het incident van 12 januari 2012 en de juistheid van de beschuldigingen. Het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

6.

Voor zover [eiser] daarbij ook stelt dat het Carmelcollege hem ten onrechte heeft verwijderd, overweegt de rechtbank dat er formeel geen sprake is geweest van verwijdering door het Carmelcollege. Ook door het ROC is [eiser] formeel niet verwijderd in de zin van artikel 14 Inrichtingsbesluit Wvo. Wel is het Pro-AKA-traject beëindigd (blijkens de brief van de locatiedirecteur van het Hooghuis van 18 januari 2012). Dat maakte dat [eiser] niet meer op het ROC terecht kon. De juistheid van dat besluit (beëindiging Pro-AKA-traject) is door [eiser] niet aan de orde gesteld.

Overigens maakt het onderwijscontract dat in oktober 2012 met het ROC is gesloten de beëindiging van het Pro-AKA-traject onder omstandigheden ook mogelijk.

7.

Ook feitelijk is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van verwijdering. Op 12 januari 2012 is [eiser] naar huis gestuurd. In het gesprek dat op 26 januari 2012 is gevoerd tussen de heer [C] (locatiedirecteur van het Hooghuis) en mevrouw [X] (moeder) is gezegd dat [eiser] was geschorst.1 In de brief van het Hooghuis van 27 januari 2012 wordt ook gesproken over een tijdelijke schorsing. Bovendien werd de mogelijkheid gegeven om op school werk op te halen dat [eiser] thuis kan maken. Een paar keer is er ook daadwerkelijk huiswerk opgehaald en nagekeken. De school heeft [eiser] ook pas uitgeschreven toen bleek dat hij met ingang van 1 augustus 2012 was ingeschreven bij het Rijn IJsselcollege. [eiser] is dus niet van school verwijderd.

8.

Voor wat betreft de schorsing overweegt de rechtbank het volgende.

Een school is bevoegd een leerling te schorsen ex artikel 27 Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: Wvo) juncto artikel 13 van het Inrichtingsbesluit Wvo. Het al dan niet opleggen van een ordemaatregel is een discretionaire bevoegdheid van het bevoegd gezag. Wel moeten daarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden meegewogen en zal aan een aantal procedurele voorschriften moeten worden voldaan.

C.W. Noorlander2 onderscheidt zes inhoudelijke vereisten waaraan het opleggen van een ordemaatregel moet voldoen.3 Eén van de vereisten is het vereiste van zorgvuldigheid. Daaronder valt in elk geval dat het bevoegd gezag op een actieve wijze de benodigde kennis dient te vergaren van alle relevante feiten en af te wegen belangen. Op het bevoegd gezag van de school rust de (bewijs)plicht om aan te tonen dat een leerling zich op een dusdanige wijze schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van één of meer regels die gelden binnen de school, dat dit de oplegging van een bepaalde ordemaatregel kan rechtvaardigen.4

9.

In het onderhavige geval is [eiser] op 12 januari 2012 naar huis gestuurd door de heer [G], leraar bij het ROC de Leijgraaf. Deze heeft een incidentmelding opgemaakt. Hierin worden de gedragingen van [eiser] beschreven die aanleiding gaven voor het naar huis sturen. Duidelijk is dat [eiser] niet meer welkom is op het ROC.

Naar aanleiding daarvan heeft Het Hooghuis het Pro-AKA traject beëindigd (brief van 18 januari 2012). In deze brief staat dat [eiser] door zijn Pro-indicatie niet meer leerplichtig is en wordt hem geadviseerd zich te melden bij het jongerenloket van het UWV.

In de brief van 27 januari 2012 van het Hooghuis staat dat [eiser] tijdelijk geschorst blijft en dat moeder op school werk voor [eiser] kan ophalen dat hij thuis kan maken en dat op school wordt beoordeeld.

10.

Niet betwist is dat het Carmelcollege voorafgaand aan de schorsing geen navraag heeft gedaan bij de heer [G]. Ook de medeleerlingen zijn niet gehoord en ook [eiser] zelf is op geen enkel moment gehoord over het incident. Na de schorsing heeft moeder aangedrongen op hoor en wederhoor (onder andere in haar brief van 26 januari 2012; productie 3 bij dagvaarding). Er zou door haar zijn gevraagd om aangifte te doen zodat er in elk geval een onderzoek zou plaatsvinden. De school heeft echter geen aangifte gedaan. Bij de comparitie van partijen heeft [eiser] betwist dat er is gebeurd wat de heer [G] heeft beschreven.

11.

Onder deze omstandigheden heeft de schorsing naar het oordeel van de rechtbank niet met de vereiste zorgvuldigheid plaatsgevonden.

De schorsing was het gevolg van het feit dat ROC de Leijgraaf [eiser] de toegang tot de school ontzegde, en daarmee feitelijk het Pro-AKA traject beëindigde. De aanleiding (“de druppel die de emmer deed overlopen”) was het incident van 12 januari 2012.

Voor zover de schorsing was ingegeven door het feit dat [eiser] niet meer op het ROC terecht kon en er ook bij het Hooghuis geen mogelijkheid voor hem was, is het middel van de schorsing oneigenlijk gebruikt. [eiser] was immers wel leerplichtig.

Voor zover de schorsing was ingegeven door het incident van 12 januari 2012 – en dat was in elk geval indirect het geval omdat het de aanleiding vormde voor de feitelijke beëindiging van het Pro-AKA traject - had het Carmelcollege nader onderzoek moeten doen naar dat incident. Bij een besluit tot schorsing mag eerder gedrag worden meegewogen, maar kennelijk was het gedrag voorafgaand aan het incident voor het ROC de Leijgraaf nog niet voldoende reden om het Pro-AKA traject te beëindigen en (voor het Carmelcollege) nog niet voldoende aanleiding om [eiser] te schorsen. Als het incident op 12 januari 2012 “de druppel” was, moet die druppel wel vast komen te staan.

De rechtbank wil hier niet onvermeld laten dat indien het incident zoals beschreven door de heer [G] zich inderdaad heeft voorgedaan, dat naar haar oordeel voldoende reden was geweest voor een schorsing. Ook is wel duidelijk dat het Carmelcollege, door de feitelijke beëindiging van het Pro-AKA traject door ROC de Leijgraaf, voor een voldongen feit is geplaatst, en de toepasselijke regelgeving – die ook al niet uitblinkt in eenvoud - niet adequaat voorziet in een oplossing voor een dergelijke situatie. Hoewel de daarop volgende gang van zaken derhalve maar minimaal verwijtbaar is aan het Carmelcollege, moet ze toch in haar risicosfeer worden gelaten.

Overigens kan ook gezegd worden dat juist in die omstandigheden, het Carmelcollege het incident van 12 januari 2012 had moeten onderzoeken en daarmee had kunnen aangrijpen als reden voor schorsing.

Wettelijk traject Wvo

12.

[eiser] heeft het Carmelcollege ook verweten dat bij de schorsing ten onrechte het wettelijk traject niet is gevolgd.

Uit het voorgaande volgt dat dit verwijt terecht is gemaakt. Er is geen voldoende reden aan de schorsing ten grondslag gelegd. Bovendien is de schorsing niet voorafgegaan door het horen van de betrokken leerling, de ouders en de groepsleerkracht5 en is het schriftelijke besluit niet onverwijld op schrift gesteld, maar eerst op 27 januari 20126. Ook staat onder de schorsingsbeslissing geen bezwaarclausule. Tot slot heeft de schorsing langer geduurd dan de wettelijk toegestane week.

13.

Door het Carmelcollege is aangevoerd dat de wet geen mogelijkheid biedt voor een “time out” terwijl dat op dat moment wel nodig was. De rechtbank concludeert dat de wet die mogelijkheid inderdaad niet geeft hoewel daar wel behoefte aan kan bestaan. Het is echter het Carmelcollege dat ervoor heeft gekozen om [eiser] formeel te schorsen, hoewel dat eigenlijk niet nodig was. In haar conclusie van antwoord (alinea 32) legt ze immers uit dat [eiser] niet meer naar het ROC kon en geen aanstalte maakte tot het volgen van onderwijs. Als ze dan toch voor een formele schorsing kiest, zal ze zoveel mogelijk de regels van de wet moeten volgen.

Communicatie over AKA-traject

14.

Als derde verwijt heeft [eiser] gesteld dat er onvoldoende is gecommuniceerd over (de gevolgen van) het AKA-traject.

De rechtbank overweegt hierover dat, als al vast zou komen te staan dat er onvoldoende is gecommuniceerd hierover, [eiser] niet heeft gesteld dat en welke schade hij daardoor heeft geleden. Niet is bijvoorbeeld gesteld dat er dan niet voor het AKA traject zou zijn gekozen en ook niet waarvoor dan wel zou zijn gekozen binnen de mogelijkheden die er voor [eiser] waren. Dat (de moeder van) [eiser] een bijdrage heeft aangevraagd die ze heeft moeten terugbetalen, omdat het AKA-traject, anders dan zij dacht, geen MBO opleiding is, is geen schade in de zin van de wet.

Nu dit onderdeel niet tot toewijzing van de schadevergoedingsvordering kan leiden, laat de rechtbank de gegrondheid van dit verwijt in het midden.

Schade

15.

Ook voor wat betreft de wel gegronde verwijten (zie r.o. 11 en 12), ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of [eiser] door deze gang van zaken schade heeft geleden.

16.

De materiële schade die [eiser] stelt, bestaat uit kosten voor extra leermiddelen en reiskosten, en het gemis van een jaar inkomsten op de arbeidsmarkt wegens een studievertraging van een jaar.

17.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. De kosten voor extra leermiddelen en de reiskosten zien op het schooljaar 2012/2013 (dus het schooljaar na dat waarin [eiser] is geschorst). Deze kosten staan echter niet in voldoende causaal verband met de schorsing of het gebrek aan hoor en wederhoor. Als [eiser] niet zou zijn geschorst, zou hij het AKA-traject ook niet in 2011/2012 hebben kunnen afronden. Onbetwist heeft het Carmelcollege immers gesteld dat hij daarvoor in januari 2012 al een veel te grote achterstand had. Ter zitting is door [eiser] bevestigd dat hij het schooljaar bij het ROC niet met goed gevolg zou hebben afgemaakt.

Dat [eiser] met ingang van schooljaar 2012/2013 een andere richting heeft gekozen (techniek in plaats van zorg) is dus niet zonder meer het gevolg van de schorsing. Ook zonder schorsing zou er reden zijn geweest om naar een andere school te gaan en evenveel reden om een andere richting te kiezen.

Dat [eiser] in 2012/2013 reiskosten heeft moeten maken, is dus evenmin het gevolg van de schorsing. [eiser] zou in dat leerjaar sowieso naar een andere school hebben moeten gaan. Dat hij niet terecht zou kunnen op een dichterbij gelegen school, is door het Carmelcollege betwist en daarna door [eiser] onvoldoende onderbouwd.

Dat [eiser] een jaar studievertraging heeft opgelopen door de schorsing, is, gezien het voorgaande, niet juist. Ook zonder de schorsing zou hij het Pro-AKA-traject niet in 2011/2012 met goed gevolg hebben kunnen afronden. Zonder de schorsing zou [eiser] niet een jaar eerder op de arbeidsmarkt zijn gekomen.

Dit deel van de vordering kan derhalve niet worden toegewezen.

18.

Naast materiële schade stelt [eiser] ook immateriële schade te hebben geleden.

Volgens eiser is er door de heer [C] van het Hooghuis in januari 2012 ten onrechte een melding gedaan bij het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Hierdoor is een onderzoek door Bureau Jeugdzorg opgestart en dat heeft [eiser] en zijn familie in een kwaad daglicht gezet. Het onderzoek had grote impact op [eiser].

Daarnaast is [eiser] ten onrechte beschuldigd van seksueel grensoverschrijdend gedrag, zonder dat deze beschuldigingen zijn onderzocht. Hierdoor is [eiser] in zijn eer en goede naam aangetast.

Ter zitting is daar aan toegevoegd dat zijn klasgenoten binnen no-time precies wisten waarom [eiser] niet meer op school mocht komen. De school heeft het misschien niet bewust wereldkundig gemaakt, maar in deze tijd van sociale media is iedereen heel snel op de hoogte. De hele gang van zaken was funest van [eisers] zelfbeeld. Hij is nog lange tijd in [woonplaats] en daarbuiten uitgemaakt voor homo en aanrander en is vrienden kwijtgeraakt. Volgens moeder was [eiser] depressief.

De immateriële schade wordt door [eiser] gesteld op € 8.000,00.

Het Carmelcollege heeft gemotiveerd betwist dat zij gehouden is immateriële schade te vergoeden.

19.

De rechtbank overweegt het volgende.

Dat de melding bij het AMK ten onrechte is gebeurd, is niet vast komen te staan. Dat er geen nader onderzoek is gedaan, wil niet zeggen dat de melding ten onrechte was. Voor zover hierdoor schade is geleden, is het Carmelcollege daarvoor dus niet aansprakelijk te houden.

20.

Wel heeft in deze kwestie als uitgangspunt te gelden dat er ten onrechte geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

Ook moet als uitgangspunt worden genomen dat de wettelijke procedure uit het Inrichtingsbesluit Wvo niet goed is gevolgd.

20.1.

De te beantwoorden vraag is in de eerste plaats of het feit dat de regels uit het Inrichtingsbesluit Wvo niet goed zijn gevolgd, en/of het feit dat er geen nader onderzoek is gedaan naar het incident, heeft geleid tot immateriële schade.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Dat de reden voor de schorsing binnen korte tijd bij alle klasgenoten bekend was, is door het Carmelcollege niet betwist (en ook wel geloofwaardig). Dat [eiser] daar last van heeft gehad, bijvoorbeeld door naroepen, is evenmin betwist.

Als de wettelijke eisen zouden zijn nageleefd, zou er onderzoek naar dat incident hebben plaatsgevonden, en zou er ook eerder een formeel besluit liggen. De kans bestaat dat [eiser] dan korter of niet naar aanleiding van deze incidentmelding was geschorst.

Dat [eiser] gedurende enkele maanden thuis heeft gezeten, kan naar het oordeel van de rechtbank in casu niet als immateriële schade worden aangemerkt.

20.2.

In de tweede plaats heeft het Carmelcollege in dit verband aangevoerd dat de reputatie van [eiser] al niet goed was (met andere woorden: zijn eer en goede naam waren door [eiser] zelf al aangetast). Het Carmelcollege stelt in haar conclusie van antwoord dat er in het algemeen al sprake was van grensoverschrijdend gedrag. [eiser] kon geen regulier onderwijs meer volgen en ook op stageplekken werd hij na een tijdje niet meer getolereerd. Zijn reputatie was al dat hij een niet te handhaven leerling was. Uit het verslag van de heer [G] blijkt dat [eiser] al niet meer buiten mocht staan als hij daar niets te zoeken had, omdat hij voortdurend meisjes lastig viel.

De rechtbank overweegt dat dit voorafgaande gedrag door [eiser] niet is betwist en door het Carmelcollege ook met stukken is onderbouwd (begeleidingsrapport, productie 4 bij conclusie van antwoord, incidentmelding [G], productie 1 bij dagvaarding). Dat neemt niet weg dat een schorsing wegens grensoverschrijdend seksueel gedrag een stap verder is, die wel enige extra immateriële schade kan opleveren.

20.3.

In de derde plaats moet worden beoordeeld of deze immateriële schade is toe te rekenen aan het Carmelcollege. Het Carmelcollege heeft betwist dat zij één en ander wereldkundig heeft gemaakt.

Ter zitting is namens eiser gesteld dat in deze tijd van sociale media de feitelijke verwijdering (het naar huis sturen) en de reden daarvoor binnen no-time bij alle klasgenoten en de hele school bekend was.

De rechtbank overweegt hierover dat eiser daarin ongetwijfeld gelijk heeft, maar dat dat niet aan de school te verwijten is. [eiser] heeft ook niet gesteld welk verwijt de school hierin gemaakt kan worden. Voor zover de gestelde immateriële schade is ontstaan door het feitelijk naar huis sturen op 12 januari 2012 door ROC de Leijgraaf, is zij bovendien niet het gevolg van de verweten gedragingen (het verzuimen van hoor en wederhoor en het niet toepassen van de formele regels over schorsing uit het Inrichtingsbesluit Wvo) maar van het feitelijk handelen door ROC de Leijgraaf.

21.

De conclusie moet zijn dat er weliswaar enige immateriële schade is geleden door de hele gang van zaken, maar dat dat niet aan het Carmelcollege te verwijten is. Dat betekent dat er geen grond is voor toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade.

Omdat [eiser] wel een (immaterieel) belang kan hebben bij de gevraagde verklaring voor recht, zal deze worden toegewezen. Zoals uit al het bovenstaande blijkt, kan er echter geen schadevergoeding worden toegewezen.

Proceskosten

22.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal eiser worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten worden aan de zijde van het Carmelcollege als volgt berekend:

  • -

    salaris van de advocaat: twee procespunten (conclusie van antwoord en bijwonen comparitie van partijen) maal € 452,00 (tarief II) = € 904,00;

  • -

    verschotten: griffierecht ad € 1.836,00.

De beslissing

De rechtbank:

I. Verklaart voor recht dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met de tussen partijen overeengekomen onderwijsovereenkomst, door geen nader onderzoek te doen naar het incident van 12 januari 2012 dat tot schorsing heeft geleid, en door bij de schorsing niet de regels van het Inrichtingsbesluit Wvo in acht te nemen.

II. Wijst de vorderingen tot vergoeding van schade af.

III. Veroordeelt eiser in de kosten van deze procedure, aan de zijde van gedaagde begroot op € 904,00 wegens het salaris van de advocaat en € 1.836,00 wegens griffierecht.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Bottenberg – van Ommeren en is op 16 juli 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Blijkens de klacht van moeder bij de Inspectie van het onderwijs, d.d. 26 januari 2012, productie 3 bij dagvaarding.

2 C.W. Noorlander: Schorsing en verwijdering (deel I) in “School en Wet”, oktober 2008, pagina 5 en verder.

3 Daarnaast zijn er nog procedurele eisen, zie deel II van Schorsing en verwijdering in “School en Wet”, december 2008, pagina 9.

4 Noorlander: Schorsing en verwijdering deel II, pagina 6.

5 Een eis die weliswaar niet in de wet staat, maar die wel degelijk als uitgangspunt heeft te gelden, aldus ook Noorlander, Schorsing en verwijdering deel II, pagina 6.

6 Ook deze eis staat niet in de wet, maar volgt wel uit de systematiek van de wet en het doel van de schorsing: een sanctiemaatregel voor maximaal één week.