Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4105

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
08/760082-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt twee mannen van 20 en 21 jaar tot jeugddetentie van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk. De twee pleegden in februari van dit jaar samen een gewapende overval op een snackbar in Deventer. Bij beide mannen heeft de rechtbank het jeugdstrafrecht toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/5.11

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/760082-14

Datum vonnis: 24 juli 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in Jeugdinrichting De Rentray, Lelystad.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 juli 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Brugman en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. M. Krouwel, advocaat te ‘s-Gravenhage, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op

12 februari 2014 alleen dan wel samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan afpersing, hetzij aangever heeft beroofd door geweld of bedreiging met geweld. Dat hij op 12 februari 2014 een wapen voorhanden heeft gehad en hij zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 12 februari 2014 te Deventer

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen

tot de afgifte van een geldbedrag , in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of aan die [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- met bivakmuts(en), althans gezichtsverhullende kleding en/of met een

pistool, althans met een daarop gelijkend voorwerp en/of met een (groot)

mes, althans met een scherp/puntig voorwerp de cafetaria, waar die [slachtoffer 1] en

die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam waren (perceel [adres]),

heeft/hebben betreden en/of

- met dat pistool/voorwerp en/of dat mes/voorwerp op die [slachtoffer 2] is/zijn

toegelopen en/of (toen die [slachtoffer 2] probeerde te vluchten) die [slachtoffer 2] achterna

is/zijn gerend en/of (toen die [slachtoffer 2] de achterdeur opende) tegen die [slachtoffer 2]

heeft/hebben gezegd: "Naar binnen" en/of "Waar is het geld?" en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben bevolen de kassa te openen en/of een (deel van het)

geldbedrag in een (door verdachte en/of zijn mededader meegenomen) plastic

zak te stoppen en/of daarbij dat mes/voorwerp (op borsthoogte) op die [slachtoffer 2]

heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) heeft/hebben

geroepen: "Snel" en/of "Schiet op" en/of dat die [slachtoffer 2] te langzaam was en/of

- dat pistool/voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden

en/of op dwingende toon tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd te gaan zitten

en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt.

EN/OF

hij op of omstreeks 12 februari 2014 te Deventer tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag en/of een mobiele telefoon (I phone 4), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2]

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn

mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- met bivakmuts(en), althans gezichtsverhullende kleding en/of met een

pistool, althans met een daarop gelijkend voorwerp en/of met een (groot)

mes, althans met een scherp/puntig voorwerp de cafetaria, waar die [slachtoffer 1] en

die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam waren (perceel [adres]),

heeft/hebben betreden en/of

- met dat pistool/voorwerp en/of dat mes/voorwerp op die [slachtoffer 2] is/zijn

toegelopen en/of (toen die [slachtoffer 2] probeerde te vluchten) die [slachtoffer 2] achterna

is/zijn gerend en/of (toen die [slachtoffer 2] de achterdeur opende) tegen die [slachtoffer 2]

heeft/hebben gezegd: "Naar binnen" en/of "Waar is het geld?" en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben bevolen de kassa te openen en/of een (deel van het)

geldbedrag in een (door verdachte en/of zijn mededader meegenomen) plastic

zak te stoppen en/of daarbij dat mes/voorwerp (op borsthoogte) op die [slachtoffer 2]

heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) heeft/hebben

geroepen: "Snel" en/of "Schiet op" en/of dat die [slachtoffer 2] te langzaam was en/of

- dat pistool/voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden

en/of op dwingende toon tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd te gaan zitten

en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt.

2.

hij op of omstreeks 12 februari 2014 , althans in de periode van 12 februari

2014 tot 5 april 2014 in de gemeente Deventer, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (Umarex, Colt Commander, kaliber 9 mm knall)

voorhanden heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 12 februari 2014 te Deventer

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers is/heeft verdachte opzettelijk dreigend

(terwijl) die [slachtoffer 4] [medeverdachte] op de grond in bedwang hield)

met een (groot) mes, althans met een scherp/puntig voorwerp op die [slachtoffer 3]

en/of die [slachtoffer 4] toegelopen en/of dat mes/voorwerp op die [slachtoffer 3] en/of op

die [slachtoffer 4] gericht en/of gericht gehouden.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het jeugdstrafrecht wordt toegepast en dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden toezicht door de (jeugd)reclassering met daaraan gekoppeld meldplicht en ambulante behandeling. Verder vordert zij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met dossiernummer: 20140034322. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

5.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

Als bewijsmiddelen daarvoor gelden:

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 juli 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv);

2. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 14 februari 2014, pagina 44 t/m 50,

voor zover inhoudende de verklaring van aangeefster;

3. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 14 februari 2014, pagina 51 t/m 55,

voor zover inhoudende de verklaring van aangever;

4. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 19 februari 2014, pagina 56 t/m 57, voor zover inhoudende de verklaring van aangever;

5. het proces-verbaal verhoor getuige van [slachtoffer 3] van 12 februari, pagina 62 t/m 67, voor zover inhoudende de verklaring van getuige;

6. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 19 februari 2014, pagina 58 t/m 59, voor zover inhoudende de verklaring van aangever;

7. het proces-verbaal verhoor getuige van [slachtoffer 4] van 13 februari 2014, pagina 68 t/m 72, voor zover inhoudende de verklaring van getuige;

8. het proces-verbaal onderzoek wapen met de daarbij gevoegde fotomap van 17 april 2014, pagina 39 t/m 43.

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 12 februari 2014 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen

tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en aan die [slachtoffer 2], welk geweld of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader

- met bivakmutsen, en met een pistool, en met een (groot) mes, de cafetaria, waar die [slachtoffer 1] en

die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam waren (perceel [adres]),

hebben betreden en

- met dat pistool en dat mes op die [slachtoffer 2] zijn

toegelopen en (toen die [slachtoffer 2] probeerde te vluchten) die [slachtoffer 2] achterna

zijn gerend en (toen die [slachtoffer 2] de achterdeur opende) tegen die [slachtoffer 2]

hebben gezegd: "Naar binnen" en "Waar is het geld?" en

- die [slachtoffer 2] hebben bevolen de kassa te openen en een (deel van het)

geldbedrag in een (door verdachte en/of zijn mededader meegenomen) plastic

zak te stoppen en daarbij dat mes (op borsthoogte) op die [slachtoffer 2]

hebben gericht en gericht gehouden en (daarbij) hebben

geroepen: "Snel" dat die [slachtoffer 2] te langzaam was en

- dat pistool op die [slachtoffer 1] hebben gericht en op dwingende toon tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd te gaan zitten en die [slachtoffer 1] hebben geschopt.

EN

hij op 12 februari 2014 te Deventer tezamen en in vereniging met

een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag en een mobiele telefoon (I phone 4), toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2]

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn

mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat

hij, verdachte, en zijn mededader

- met bivakmutsen, en met een pistool, en met een (groot)

mes, de cafetaria, waar die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam waren (perceel [adres]), hebben betreden en

- met dat pistool en dat mes op die [slachtoffer 2] zijn

toegelopen en (toen die [slachtoffer 2] probeerde te vluchten) die [slachtoffer 2] achterna

zijn gerend en(toen die [slachtoffer 2] de achterdeur opende) tegen die [slachtoffer 2]

hebben gezegd: "Naar binnen" en "Waar is het geld?" en

- die [slachtoffer 2] hebben bevolen de kassa te openen en een (deel van het)

geldbedrag in een (door verdachte en/of zijn mededader meegenomen) plastic

zak te stoppen en daarbij dat mes (op borsthoogte) op die [slachtoffer 2]

hebben gericht en gericht gehouden en (daarbij) hebben

geroepen: "Snel" en dat die [slachtoffer 2] te langzaam was en

- dat pistool op die [slachtoffer 1] hebben gericht op dwingende toon tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd te gaan zitten en die [slachtoffer 1] hebben geschopt.

2.

hij op 12 februari 2014, in de gemeente Deventer, tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (Umarex, Colt Commander, kaliber 9 mm knall) voorhanden heeft gehad.

3.

hij op 12 februari 2014 te Deventer [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend, terwijl die [slachtoffer 4] [medeverdachte] op de grond in bedwang hield, met een (groot) mes, op die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] toegelopen en heeft verdachte dat mes op die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] gericht en gericht gehouden.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 285, 310, 312 en 317 Sr en bij artikel 26 Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: Afpersing door twee of meer verenigde personen.

en

het misdrijf: Diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

feit 2

het misdrijf: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie.

feit 3

het misdrijf: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7.1

Het toe te passen recht

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportage van GZ-psycholoog drs. A. de Jong, van 12 juni 2014. De psycholoog heeft onder meer geconcludeerd dat op basis van de onderzoeksresultaten blijkt dat de gehele ontwikkeling van verdachte vergeleken met leeftijdgenoten enigszins achterloopt. Dit wordt ondersteund door een Wegingslijst Adolescentenstrafrecht. Voorts functioneert verdachte op diverse leefgebieden op een verstandelijk beperkt niveau. Naast de beperkte handelingsvaardigheden is er een pedagogische component, namelijk het feit dat verdachte actief deelneemt aan het gezin van herkomst en er sprake is van een duidelijke afhankelijkheidsrelatie ten opzicht van de ouders. De psycholoog acht toepassing van het jeugdstrafrecht geïndiceerd.

De rechtbank overweegt dat er voor de toepassing van het jeugdstrafrecht op een adolescent onder meer gekeken wordt naar de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Gezien de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte ten tijde van het delict en wat ter zitting over verdachte naar voren is gekomen, acht de rechtbank toepassing van het jeugdstrafrecht aangewezen.

8 De op te leggen straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft samen met een ander een snackbar overvallen. Verdachte en zijn mededader zijn de snackbar binnen gegaan en hebben geld weggenomen uit de kassa en een telefoon meegenomen. Zij hebben hierbij beiden wapens gehanteerd om de personen in de snackbar angst aan te jagen. Het spreekt voor zich dat de overval voor de eigenaar van de snackbar en zijn vrouw zeer beangstigend moet zijn geweest. Hiervan blijkt ook uit de aangifte. Na de overval heeft verdachte getuigen bedreigd met een mes toen deze getuigen zijn mededader wilden aanhouden en om die reden zijn mededader op de grond in bedwang hielden. Dat deze bedreiging beangstigend is geweest voor getuigen blijkt uit de aangifte.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat in het nadeel van verdachte meegewogen dat het optreden van verdachte en zijn mededader doelgericht en goed voorbereid was. Verdachte en zijn mededader hadden zich vermomd en hadden een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich. Verdachte en zijn medeverdachte hadden geld nodig en hebben zich puur en alleen hierdoor laten leiden en zich niet bekommerd om de gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers. Misdrijven als door verdachten begaan veroorzaken bij de slachtoffers daarvan gevoelens van onveiligheid en brengen in de samenleving grote onrust teweeg.

Uit het rapport van drs. A. de Jong van 12 juni 2014 komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een cognitief functioneren op de grens van een zwakbegaafd niveau en een onrijpe sociaal-emotionele en morele ontwikkeling. Ten tijde van het tenlastegelegde was er sprake van antisociaal gedrag bij een adolescent. Vanwege de onrijpe sociaal-emotionele ontwikkeling is het vermogen tot reflectie, anticipatie en introspectie matig. Wanneer verdachte zich met anderen in een risicovolle situatie begeeft dan mist hij awareness om op tijd uit de risicovolle situatie te stappen. Verdachte is als het ware onvoldoende in staat te anticiperen op de situatie. Hierbij speelt zijn zwakke verbale begripsvermogen een belangrijke bepalende rol in samenhang met de kwetsbare persoonlijkheidsstructuur. Geadviseerd wordt daarom om verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank neemt deze conclusie over. Voor een gunstige ontwikkeling van verdachte is hij volgens de deskundige gebaat bij een ambulante behandeling, waarbij het van belang is dat de behandeling is gericht op de ontwikkeling van de eigen identiteit, waarbij verdachte leert de negatieve affecten te integreren in zijn persoonlijkheid en hij meer gevoelig wordt voor de signalen in zijn lichaam. Geadviseerd wordt oplegging van een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf met als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding van de reclassering, ook wanneer dit inhoudt het volgen van een ambulant behandeltraject.

Door de reclassering in het rapport van 8 juli 2014 wordt geadviseerd om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden: meldplicht, behandelverplichting, contactverbod en locatieverbod.

De rechtbank acht de oplegging van een langdurige jeugddetentie passend en geboden gelet op de ernst van de feiten. De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening gehouden met het advies van de psycholoog en de reclassering. De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat hij niet eerder voor een soortgelijk delict met politie en justitie in aanraking is gekomen, dat hij excuses aan de slachtoffers heeft aangeboden en aangegeven heeft de hen toegebrachte schade te vergoeden.

Alle omstandigheden in deze zaak in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat naast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur aan verdachte een lange voorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd om hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan verdachte zal worden opgelegd een jeugddetentie voor de duur van 16 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De proeftijd wordt vastgesteld op 3 jaar. Gelet op de persoon van de verdachte zal de rechtbank aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringstoezicht koppelen en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder ambulante behandeling zal stellen van de reclassering op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven.

Voor een contactverbod of een locatiegebod ziet de rechtbank, gelet op wat ter zitting naar voren is gebracht, geen aanleiding.

De opgelegde straf is hoger dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank van oordeel is dat in die eis de ernst van de feiten onvoldoende tot uitdrukking komt. Weliswaar heeft verdachte ter zitting spijt betuigd jegens de slachtoffers van de overval en dat kan strafverlagend werken, maar de (oprechte) spijt reduceert de straf niet tot de hoogte van de eis. Daarbij overweegt de rechtbank dat veel gewelddadige overvallen worden gepleegd door jeugdigen en dat vanuit het oogpunt van algemene preventie een hogere straf dan geëist noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 77z Sr te stellen voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte is.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 77c, 77g, 77h, 77i, 77m, 77x, 77y, 77z, 77aa Sr.

12 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: Afpersing door twee of meer verenigde personen.

en

het misdrijf: Diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

feit 2

het misdrijf: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie.

feit 3

het misdrijf: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 16 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet melden bij de Reclassering Nederland, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal laten behandelen bij Dimence of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • -

    beveelt dat de op grond van artikel 77z Sr gestelde voorwaarde(n) dadelijk uitvoerbaar zijn;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.

Mr. Jordaans en mr. Ferschtman waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.