Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4103

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
08.760031-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 22-jarige man voor een gewelddadige overval in de Van Karnebeektunnel in Zwolle op 8 december 2013. Verdachte heeft samen met twee anderen een fietser tot stoppen gedwongen en hem gedwongen tot afgifte van zijn telefoon, portemonnee en armband. Daarbij gebruikten zij nepvuurwapen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op die gelijk is aan het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Daarnaast krijgt de man een werkstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.760031-14 (P)

Datum vonnis: 24 juli 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 mei 2014 en 10 juli 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J. van Dijck en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. J. Rump, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

al dan niet samen met (een) ander(en) [slachtoffer] heeft afgeperst.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 08 december 2013 te Zwolle - op de openbare weg, Van Karnebeektunnel - tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S3) en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een armband, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- (dreigend) in de richting van die [slachtoffer] is/zijn gelopen en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd:" stoppen, stoppen", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "zakken leeg, zakken leeg!" en/of "geef je telefoon hier", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (op korte afstand) heeft/hebben voorgehouden, in elk geval duidelijk zichtbaar heeft/hebben getoond en/of (vervolgens)

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd en/of geroepen: "Bitch geef wat je hebt", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd zijn armband af te doen en/of (vervolgens)

- de telefoon en/of de portemonnee en/of de armband uit de handen van die [slachtoffer] heeft/hebben gegraaid en/of gegrist en/of gepakt.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan

4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De feiten die niet ter discussie staan

De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.

Op 8 december 2013 in de nachtelijke uren, is verdachte samen met twee anderen Zwolle ingegaan. Hij was met de twee anderen bij de Van Karnebeektunnel waar fietser [slachtoffer] tot stoppen werd gedwongen en hem zijn telefoon, portemonnee en armband afhandig werd gemaakt onder dreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Daarna is verdachte samen met de twee anderen terug gegaan naar een vriend/kennis waar ze verbleven.

5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] over diens eigen rol en de iets minder grote rol van verdachte, de verklaring van de medeverdachten dat er afgesproken werd om geld te gaan maken en dat verdachte bij dat gesprek aanwezig was, het aanpassen van de kleding om herkenning te voorkomen, de omstandigheid dat een van de medeverdachten aan de anderen voorafgaand aan het incident het wapen heeft laten zien, het feit dat verdachte zich niet gedistantieerd heeft en het feit dat verdachte na afloop met de anderen mee is gegaan en heeft gedeeld in de buit.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat haar cliënt niet aangemerkt kan worden als medepleger omdat er geen sprake was van een actieve betrokkenheid van haar cliënt noch van een nauwe en bewuste samenwerking tussen haar cliënt en de medeverdachten. Haar cliënt had geen weet van het concrete plan om iemand te gaan overvallen en hij heeft feitelijk ook niet meegedaan met de overval. Hij wist niet dat zijn medeverdachte die hem op enig moment een op een vuurwapen gelijkend voorwerp had getoond, dit had meegenomen naar de stad. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank constateert dat niet ter discussie staat dat verdachte bij de ten laste gelegde afpersing van [slachtoffer] aanwezig was, maar dat de vraag beantwoord moet worden of de rol / betrokkenheid van verdachte bij die afpersing te kwalificeren is als die van medepleger.

Was er, met andere woorden, sprake van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking, om van medeplegen te kunnen spreken. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 3] thuis op de bewuste avond heeft gesproken over het ‘maken van geld’. Hij is daarna samen met deze drie anderen Zwolle ingegaan en is na het stappen anders dan [medeverdachte 3] niet naar huis gegaan, maar met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] doorgelopen. Uit de verklaringen bij de politie van verdachte en [medeverdachte 1] blijkt dat verdachte het door [medeverdachte 2] bij de afpersing gebruikte wapen eerder die avond bij [medeverdachte 3] heeft gezien. Volgens [medeverdachte 3] heeft verdachte zijn kleding aangepast om herkenning te voorkomen. Op het moment dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op aangever aflopen blijft verdachte bij hen. Aangever [slachtoffer] heeft immers verklaard dat hij drie personen op hem af zag lopen. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat ze met zijn drieën op het fietspad gingen staan, waarna aangever [slachtoffer] is gestopt. Verdachte verricht op dat moment weliswaar geen expliciete handeling, maar door zijn aanwezigheid vergroot hij voor aangever de dreiging. Nadat aangever zijn eigendommen heeft afgegeven, gaat verdachte achter de wegrennende [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan, terug naar het huis van [medeverdachte 3]. Daar maakt hij op een later moment een foto van de anderen met onder andere de gestolen armband. Volgens [medeverdachte 1] heeft hij en volgens hem ook verdachte twee tientjes van [medeverdachte 2] gekregen uit de verkoop van de gestolen telefoon.

Gelet op deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat er tussen de drie verdachten sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met betrekking tot de beraamde afpersing en dat verdachte zich daarvan niet heeft gedistantieerd, zodat aan de vereisten van medeplegen is voldaan.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 08 december 2013 te Zwolle - op de openbare weg, Van Karnebeektunnel - tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S3), een portemonnee (met inhoud) en een armband, toebehorende aan [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- dreigend in de richting van die [slachtoffer] is/zijn gelopen en vervolgens

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "stoppen, stoppen" en vervolgens

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "zakken leeg, zakken leeg!" en "geef je telefoon hier" en vervolgens

- die [slachtoffer] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op korte afstand heeft/hebben voorgehouden en vervolgens

- dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en vervolgens

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Bitch geef wat je hebt" en vervolgens

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd zijn armband af te doen en vervolgens

- de telefoon, de portemonnee en de armband uit de handen van die [slachtoffer] heeft/hebben gepakt.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikelen 317 in verbinding met 312 van het Wetboek van Strafrecht.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. De rechtbank heeft acht geslagen op het oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van “straatroof met licht geweld of verbale bedreiging”, maar is van oordeel dat in het onderhavige geval niet slechts sprake is van “licht geweld”.

Verdachte heeft samen met anderen op 8 december 2013, gedurende de nachtelijke uren, aangever, terwijl hij door de Van Karnebeektunnel in Zwolle fietste, tot stoppen gedwongen en hem gedwongen tot afgifte van zijn telefoon, portemonnee en armband. Daarbij is gebruik gemaakt van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Dergelijk gewelddadig en intimiderend gedrag op de openbare weg in een tunnel en midden in de nacht is zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Verdachte heeft door zijn manier van handelen blijk gegeven van gebrek aan respect voor de gevoelens en eigendommen van het slachtoffer.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 juni 2014 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Met betrekking tot de persoon van verdachte beschikt de rechtbank verder over:

  • -

    een Pro Justitia psychologisch onderzoek d.d. 26 juni 2014 van psycholoog mr. drs. R.A. Sterk en

  • -

    een reclasseringsadvies d.d. 25 april 2014 van reclasseringswerker W. de Waard, werkzaam bij Jeugdzorg en Reclassering van het Leger des Heils.

De psycholoog komt tot het oordeel dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, gecombineerde type, een oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een cannabisafhankelijkheid. Ook is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van beperkte intellectuele capaciteiten op zwakbegaafd niveau en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting. Deze psychische problematiek was ook bij verdachte aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde, maar het heeft hem niet beïnvloed. De psycholoog adviseert de rechtbank om verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde volledig toerekeningsvatbaar te achten.

Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte problemen heeft op de meeste levensgebieden waarbij vrienden, drugs, emoties, gedrag en houding de voornaamste criminogene factoren zijn. Zonder bij zijn problematiek passende interventies schat de reclassering de kans op recidive hoog in, waarbij het ‘niet kunnen’ ten opzichte van het ‘niet willen’ een grote rol speelt. De reclassering adviseert om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden meldplicht, gedragsinterventie CoVaplus (IQ 70-90), ambulante behandeling door Dimence of Tactus en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De rechtbank weegt mee dat verdachte aan de ene kant open over de afpersing heeft verklaard, maar aan de andere kant toont onvoldoende te beseffen wat zijn eigen rol daarin is en hoe dit heeft bijgedragen aan het delict. De rechtbank heeft er wel rekening mee gehouden dat verdachte een geringer aandeel in het feit heeft gehad dan zijn twee medeverdachten. De rechtbank heeft bovendien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren komen uit voormelde rapportages, in haar overwegingen betrokken, meer in het bijzonder het gegeven dat een behandeling voor zijn problematiek en verschillende interventies noodzakelijk wordt geacht ter voorkoming van recidive.

Daarnaast heeft de rechtbank de blanco justitiële documentatie in positieve zin bij de hoogte van de straf betrokken.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, een onvoorwaardelijke werkstraf voor de maximale duur van 240 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend.

9. De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf gelijk aan het in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat:

  • -

    de veroordeelde zich op uitnodiging van Reclassering Nederland aldaar moet melden en zich daarna moet melden zo frequent en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    de veroordeelde zal zich onder behandeling stellen van de dubbeldiagnosekliniek van Dimence of Tactus of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt een klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken als de reclassering dit noodzakelijk acht, teneinde zich te laten behandelen voor zijn drugs en alcoholgebruik;

  • -

    de veroordeelde zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een CoVaplustraining (IQ 70-90), aangeboden door de reclassering, of soortgelijke instelling waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven;

  • -

    de veroordeelde zal verblijven in dan wel toegeleid gaan worden naar verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en hij zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzitter, mrs. T. Avedissian en H.W.H. Oude Aarninkhof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, Team Zwolle-Centrum/Zuid, onder dossiernummer PL04ZC-2014024268, opgemaakt op 24 maart 2014.

De aangifte van [slachtoffer] d.d. 8 december 2013 (pag. 282 en 283) waarbij hij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) Op zondag 8 december 2013, omstreeks 03.20 uur fietste ik door de van Karnebeektunnel te Zwolle. (…) Ik zag in de tunnel een drietal personen staan. (…) Ik zag de drie personen op me af lopen. Ik hoorde ze zeggen: “Stop, stop”. (…) Ik zag dat ze op mij afliepen. Ik hoorde ze schreeuwen: “Zakken leeg, zakken leeg!” (…) Ik hoorde ze nogmaals zeggen: “Zakken leeg, zakken leeg!” (…) Ik hoorde ze vervolgens zeggen: “Geef je telefoon hier!” Ik gaf mijn telefoon aan de jongen. Ik zag op dat moment dat één van de personen een vuurwapen in zijn handen hield. (…) Ik zag dat de jongen met het vuurwapen naar mij wees en op mij richtte. Ik hoorde hem zeggen: “Bitch, geef wat je hebt!” Vervolgens zei hij tegen mij dat ik mijn armband moest afdoen. Ik deed mijn armband af en gaf ik aan de jongen met het vuurwapen. (…) Ik hoorde ze zeggen: “Geef je portemonnee”. (…) Ik zag dat de jongen met het vuurwapen het vuurwapen ondertussen doorlaadde en weer op mij richtte. (…) Ik moest de portemonnee alsnog afgeven. (…)

Het proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 18 februari 2014 (pag. 272 tot en met 274) waarbij hij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) [medeverdachte 2] had een voorwerp in zijn hand en begon daarmee te zwaaien in de richting van die jongen. (…)

V: Wat voor een voorwerp was dat dan van [medeverdachte 2]?

A; Ja ik heb het toen niet goed gezien, maar daarvoor op de kamer van [medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]) zag ik wel dat [medeverdachte 2] toen een bee-bee gun had. (…)

V; Na de overval lopen jullie naar huis. Hoe is de sfeer dan?

A; Ik wist eigenlijk niet wat me overkwam. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] rennen weg. Ik ben er achteraan gerend want ja, ik moest toch met ze mee naar het huis van [medeverdachte 3]. (…)

Het proces-verbaal verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 13 maart 2014 (pag. 228, 230 en 231) waarbij hij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) Vraag: Uit je eerder afgelegde verklaring is te herleiden dat jij samen met [medeverdachte 2] en [verdachte] de straatroof hebt gepleegd en dat [medeverdachte 3] er niet bij was. (…)

Vraag: Wie is op het idee gekomen om iemand te beroven?
Antwoord: (…) wij alle drie.

Vraag: Waar is het idee ontstaan?

Antwoord: Eigenlijk buiten.
Vraag: [medeverdachte 3] zegt dat jullie ook bij hem thuis over het idee hebben gesproken?
Antwoord: Ja dat was ook zo maar buiten zochten we echt iemand die alleen was. (…)
Vraag: Hoe hebben jullie die jongen tegen gehouden?

Antwoord: We gingen met zijn drieën op het fietspad staan. Die jongen stopt en schrikt en [medeverdachte 2] begint gelijk te dreigen met dat nepwapen. (…)

Vraag: Ik toon je nu een foto van een wapen, welke als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd, is dit het ijzeren ding wat [medeverdachte 2] bij zich had?

Antwoord: Ja.

Vraag: Hoe weet je dat zo zeker?

Antwoord: Hij heeft dat van te voren laten zien. (…) Bij [medeverdachte 3] thuis.

Vraag: Wie hebben dat wapen nog meer gezien?

Antwoord: [verdachte] en [medeverdachte 3]. (…)

Vraag: Wat hebben jullie met de buit gedaan?

Antwoord: In de portemonnee zat geen geld, ja die telefoon, een van die jongens heeft hem verkocht, ik vermoed [medeverdachte 2], ik heb daar twee tientjes van gekregen.

Vraag: Van wie heb je die twee tientjes gekregen?

Antwoord: [medeverdachte 2]. (…)

Vraag: En [verdachte]?

Antwoord: Twee tientjes volgens mij. (…)

Het proces-verbaal verhoor van medeverdachte [medeverdachte 3] d.d. 11 februari 2014 (pag. 198 en 199 en de foto op pag. 201) waarbij hij onder meer het volgende heeft verklaard:

V; Ik toon je een foto. Wat zijn dit? (getoond wordt foto 1)

A; Ik ben de jongen met die grijs/zwarte muts. In het midden zit [medeverdachte 2] en daar naast zit [medeverdachte 1]. [verdachte] heeft deze foto gemaakt.

V; Wanneer is die foto gemaakt?

A; Dat is na 8 december geweest, na die overval, want ik zie dat ik die armband om mijn hand heb. Ik heb op de foto de muts van [verdachte] op, dus [verdachte] heeft die foto gemaakt. (…)

V; Waarom zijn jullie die avond de straat opgegaan?

A; Niemand van ons had geld en we hadden wel geld nodig om te eten. We gingen de straat op om iets te doen, om geld te maken. (…) We wisten wel dat we iets gingen doen wat niet mocht.

V; Wie zijn idee was dat dan?

A; Echt geen idee, misschien wel gezamenlijk. (…)

V; Hebben jullie nog iets gedaan met jullie kleding?

(…) [verdachte] droeg een zwarte jas en hij heeft de bontkraag van de capuchon af gehaald. (…) Ik heb mijn kleding niet aangepast. [medeverdachte 2] en [verdachte] wel. Zij hebben hun kleding aangepast in verband met herkenning. (…)

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 mei 2014, waarbij verdachte onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) We zijn ook eerst wel de stad ingegaan. Op de terugweg gingen we via de tunnel. [medeverdachte 3] vroeg nog of ik met hem mee ging, maar dat deed ik niet. (…)