Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4050

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
07/910051-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel oordeelt dat veroordeelde zijn illegale winsten uit internationale handel in hennep en amfetamine moeten afstaan aan de Staat. Veroordeeld tot het betalen van 14.640,81 euro. Megazaak Molengat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 07/910051-11

Datum vonnis: 22 juli 2014

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, Afdeling Strafrecht, locatie Zwolle, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering van de officier van justitie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen: veroordeelde.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 14.640,81 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn vordering.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de schriftelijke reactie van de raadsman van de veroordeelde van 27 mei 2014.

Onderzoek van de zaak

De vordering is behandeld onderzoek ter openbare terechtzitting van 10 juni 2014.

Gehoord zijn: de officier van justitie mr. H.J. Timmer en de veroordeelde, bijgestaan door mr. K. Kok, advocaat te Zwolle.

De raadsman heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering tot ontneming van het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van de hennephandel naar Duitsland, omdat nergens uit blijkt hoe veel winst de veroordeelde heeft gemaakt en omdat nergens uit blijkt dat de veroordeelde geld heeft ontvangen van zijn vader en/of van een derde.

De raadsman heeft subsidiair geconcludeerd dat, wanneer de rechtbank van oordeel is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, de winst wordt gedeeld door de bij de betreffende transporten betrokken personen, zodat aan de veroordeelde steeds slechts het werkelijk genoten voordeel wordt ontnomen.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 18 februari 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens (onder meer):

Feit 2: het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, in de periode van 21 juli 2011 tot 1 januari 2012;

Feit 4: het misdrijf:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, in de periode van 1 oktober 2011 tot 1 januari 2012.

Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank voornoemde uitspraak van deze rechtbank als uitgangspunt. Uit de voor die bewezenverklaring gebruikte bewijsmiddelen is aannemelijk geworden dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.

De rechtbank is bij de berekening uitgegaan van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.1 De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat het vastgestelde bedrag in voornoemde berekening in het voordeel van de veroordeelde is berekend en dat de verdediging deze berekening nauwelijks heeft betwist, behoudens voor wat betreft de toe te passen verdeelsleutel van het (eventueel) berekende wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank heeft op grond van wettige bewijsmiddelen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 14.640,81.

Daartoe is het volgende overwogen.

Opzettelijke uitvoer van grote hoeveelheden hennep naar Duitsland (feit 2):

Veroordeelde heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer van grote hoeveelheden hennep naar Duitsland in de periode van 21 juli 2011 tot 1 januari 2012.

Voor de berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van de zes bewezenverklaarde henneptransporten à 2,8 kilogram hennep met een verkoopprijs van € 4.000,-- per kilogram en een inkoopprijs van € 3.357,86 per kilogram.

Bruto opbrengst per transport:

6

transporten x 2,8 kilogram hennep = 16 kilogram hennep

16,8 kilogram x € 4.000,-- € 67.200,--

De totale kosten bedroegen:

Inkoopprijs per kilogram hennep: € 3.357,86

16

kilogram x € 3.357,86 € 56.421,05

Totaal geschat netto wederrechtelijk verkregen voordeel € 10.787,95

Opzettelijk verkopen, afleveren en verstrekken van grote hoeveelheden hennep

(feit 4):

Veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan het verkopen en afleveren van grote hoeveelheden aan S.J. Ozkan in de periode van 1 oktober 2011 tot 1 januari 2012.

Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van

24

leveringen van minimaal 250 gram hennep met een verkoopprijs van (omgerekend)

€ 4.000,-- per kilogram en een inkoopprijs van (omgerekend) € 3.357,86 per kilogram.

24

leveringen à minimaal 250 gram hennep =

6

kilogram x € 4.000,-- € 24.000,--

Inkoopprijs per kilogram hennep: € 3.357,86

6

kilogram x € 3.357,86 € 20.147,16

Totaal geschat netto wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.852,86

Schatting

Gelet op het bovenstaande schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel in totaal op € 14.640,81.

Hoofdelijkheid

De rechtbank zal bepalen dat de veroordeelde naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is, nu de veroordeelde geen inzicht heeft gegeven in de (onderlinge) verdeling van de behaalde winst (na 1 juli 2011, datum van inwerkingtreding van artikel 36 e lid 7 Sr) en ook overigens geen concrete aanknopingspunten voorhanden zijn voor een afwijkende verdeelsleutel tussen de veroordeelden.

De rechtbank zal voorts bepalen dat veroordeelde niet is gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door de medeveroordeelde(n) is betaald.

Draagkracht

De rechtbank is gelet op het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat thans niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde niet in staat is om het hiervoor vermelde bedrag te voldoen. De rechtbank ziet daarom geen reden om tot matiging van het ontnemingsbedrag over te gaan. Mocht in de toekomst blijken dat er geen of onvoldoende draagkracht aanwezig is, dan zal daarover in de executiefase kunnen worden geoordeeld.

Betalingsverplichting

De rechtbank stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van

€ 14.640,81.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals dit gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 14.640,81.

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 14.640,81 aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

bepaalt dat de veroordeelde naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is.

bepaalt dat de veroordeelde niet gehouden is tot betaling voor zover dit bedrag door de medeveroordeelde(n) is betaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp, griffier

en is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2014.

1 Het schriftelijk bescheid, inhoudende het ontnemingsrapport (met bijlagen) van de verbalisant [verbalisant], als financieel rechercheur werkzaam bij de Politie Oost-Nederland, district IJsselland te Zwolle, opgemaakt op 26 maart 2014 (dossierpagina 0001 t/m 0012 van de ordner “Financieel Onderzoek WVV” betreffende [veroordeelde] inzake Onderzoek 04TAC11002.