Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:4009

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
07.653275-12 (P) en 24.001570-10 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Overijssel veroordeelt man tot 1 jaar gevangenisstraf en TBS met voorwaarden wegens een poging tot doodslag en mishandeling in Deventer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Locatie Zwolle

Parketnummers: 07.653275-12 (P) en 24.001570-10 (tul)

Uitspraak: 10 juni 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],

thans verblijvende in FPK te Assen, behandelunit Het Dok,

Dennenweg 9, 9404 LA Assen.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2012, 28 februari 2013, 23 mei 2013, 20 augustus 2013 en 17 september 2013. Op 1 oktober 2013 is bij tussenvonnis het onderzoek ter terechtzitting heropend voor nadere rapportage omtrent de haalbaarheid van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Vervolgens is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet op 12 december 2013 en 27 mei 2014.

De verdachte is ter terechtzitting van 27 mei 2014 verschenen, bijgestaan door mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was ter terechtzitting van 27 mei 2014 aanwezig mr. E.J. Heus.

TENLASTELEGGING

De verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 12 december 2012

en na verbetering van een kennelijke schrijffout ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 augustus 2012 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die

[slachtoffer 1] meermalen met kracht tegen het hoofd, althans het lichaam heeft getrapt/geschopt

en/of meermalen met kracht die [slachtoffer 1] heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

Hij op of omstreeks 29 augustus 2012 te Deventer [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij hem dood zou maken en/of heeft verdachte meermalen slaande

bewegingen in de richting van die [slachtoffer 2] gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 29 augustus 2012 te Deventer opzettelijk mishandelend een persoon (te

weten [slachtoffer 2],) de keel heeft dichtgeknepen, waardoor deze [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN 1

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat verdachte de ten laste gelegde feiten in beginsel niet ontkent, maar dat het de vraag is of vrijspraak dient te volgen omdat verdachte de feiten mogelijk niet opzettelijk heeft gepleegd. Volgens de raadsman is op grond van het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 16 mei 2013 onvoldoende duidelijk geworden of verdachte ten tijde van het ten laste gelegde uit een zuiver psychotisch motief heeft gehandeld. Indien vast zou komen te staan dat het verdachte aan elk inzicht in de reikwijdte van zijn handelen heeft ontbroken, is er van het vereiste ‘opzet’ geen sprake, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van feit 1 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid:

- De door verdachte ter terechtzitting van 17 september 2013 afgelegde verklaring2;

- Proces-verbaal van bevindingen3;

- Letselrapportage, d.d. 10 september 20124.

De rechtbank overweegt dat blijkens de inhoud van het rapport van het PBC van 16 mei 2013, door de gedragsdeskundigen is vastgesteld dat de ten laste gelegde feiten niet rechtstreeks uit een psychose kunnen worden verklaard. Voorts is niet geconcludeerd, zoals door de raadsman ter terechtzitting van 17 september 2013 is opgeworpen, dat het verdachte ten tijde van het ten laste gelegde aan elk inzicht in de reikwijdte van zijn handelen heeft ontbroken. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de inhoud van het rapport van het PBC en de daarin opgenomen conclusies te twijfelen en zal op dit punt geen nader onderzoek laten verrichten. Het daartoe strekkende verzoek van de verdediging d.d. 17 september 2013 wordt afgewezen. De rechtbank neemt de inhoud van het rapport van het PBC over en maakt deze tot de hare. Het vereiste opzet kan aldus bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde feit:

Verdachte wordt verweten - kort samengevat- dat hij op 29 augustus 2012 [slachtoffer 2] heeft bedreigd en dat hij deze [slachtoffer 2] heeft mishandeld door zijn keel dicht te knijpen.

De rechtbank gaat uit van de volgende bewijsmiddelen:

Een proces-verbaal van verhoor van aangever, d.d. 4 september 2012, opgenomen op pagina 35 e.v. van het dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2]:

Afgelopen donderdagavond, 29 augustus 2012, omstreeks 20.00 uur, was ik samen met

ene [verdachte] in het park bij het station. (..)

Toen ik daar dus met [verdachte] was, bevond zich ook nog een andere man bij ons. Ik ben zijn naam vergeten. Het is een beetje een indo-type van een jaar of 30. (..)

Op een gegeven moment zaten we met ons drieën op het bankje. Dus [verdachte], die Indo-man

en ik. Die Indo-man zat in het midden. Plotseling zag en voelde ik dat die Indo-man met kracht een verwurging om mijn keel aanlegde. Ik voelde dat die man veel kracht gebruikte. Ik merkte dat hij dat met zijn rechterarm deed. Ik kon hem niet verstaan. Ik hoorde wel dat hij wat zei. Ik kon amper nog lucht krijgen. Ik kon nog tegen hem zeggen: “los”.

Ik voelde dat hij nog meer kracht zette. Ik had het erg benauwd en ik realiseerde me

dat ik mij los moest wrikken. (..) Ik heb mij dus losgewrikt. Ik wist dat hij mij niet uit zichzelf los zou laten.

Toen ik dus losgekomen was, zag ik dat die Indo-man opnieuw de bokshouding aannam

met gebalde vuisten en ik hoorde dat hij meerdere keren tegen mij zei: “Ik maak jou

dood, kom maar”. Ik hoorde dat dit niet vriendelijk klonk. Ik zag dat die Indo-man

mij enkele keren opzettelijk en met kracht probeerde om mij stompen met zijn

gebalde vuist op mijn gezicht te geven. Ik kon die klappen afweren. Ik ben dus niet

geraakt. Op het moment dat die Indo-man mij probeerde te stompen, merkte ik dat mijn gehoorapparaat uit mijn rechteroor viel. (..) Ik koos er daarna voor om te vluchten. Ik rende weg en die Indo-man kwam achter mij aan.

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 30 augustus 2012, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

De man welke ik gisteravond in elkaar heb geslagen ken ik als [verdachte].(..)

Op een gegeven moment zijn [verdachte] en ik naar een park gelopen. Ik weet niet hoe dat

park heet. Ik weet nog wel waar het is. Ik weet het tijdstip ook niet meer.

In het park rookten we samen een pijpje coke. Die Marokkaan was er ook nog bij.

zijn naam ken ik niet. (..) In liet park gebeurde het volgende. Ik keek naar die Marokkaan. We stonden met ons drieën bij een bankje. Dus [verdachte], die Marokkaan en ik.

Toen ik dus die Marokkaan aankeek, zag ik dat hij een oortje inhad. Dat was dus een gehoorapparaatje. Mijn moeder heeft namelijk ook een gehoorapparaat

in. Ik kreeg plotseling een visioen voor me. Ik kreeg de indruk dat mijn moeder

wat door die Marokkaan was aangedaan. Ik dacht dat er een heel complot achter zat.

(..) Die Marokkaan had een smile op zijn gezicht. Ik sprak die Marokkaan er op aan. Hij

bleef mij uitlachen. Voor mij was dat de bevestiging. Ik werd erg boos en de knop

ging om. Ik pakte die Marrokkaan bij zijn revers. Ik hoorde dat hij begon te piepen als een klein kind. (..) Die sloeg vervolgens op de vlucht. Ik ben er nog achteraan

gerend. Mijn conditie is niet goed, dus ik kon hem niet achterhalen. Als ik die

Marokkaan te pakken had gekregen, had ik hem dood gemaakt. Ik was niet gestopt voordat hij helemaal uitgeschakeld was. Hij bleef wel bij mij in de buurt en bleef mij jennen. Ik was opgefokt.

Bewijsoverweging:

De rechtbank acht op grond van de hiervoor bedoelde aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld op de wijze zoals is ten laste gelegd. Verdachte heeft zelf niet uitdrukkelijk verklaard zich aan dit feit schuldig te hebben gemaakt. Hij heeft echter wel verklaard dat hij toen en aldaar boos op aangever [slachtoffer 2] is geworden, dat hij hem bij de revers heeft gepakt en dat hij hem heeft horen piepen als een klein kind. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij opgefokt was. De rechtbank vindt in de verklaring van verdachte afdoende steunbewijs aanwezig voor de aangifte ter zake van de mishandeling. Hetgeen hiervoor ter zake van het onder 1 ten laste gelegde ‘opzet’ is overwogen, dient hier eveneens te gelden. Wat betreft de ten laste gelegde bedreiging is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte de aangifte onvoldoende ondersteunt, nu verdachte over deze bedreiging, zowel bij de politie als ter terechtzitting, geen verklaring heeft afgelegd. Aangezien er verder geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die de aangifte op dit punt steunen, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. De rechtbank zal verdachte aldus van dit feit vrijspreken.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

Hij op 29 augustus 2012 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die

[slachtoffer 1] meermalen met kracht tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt en meermalen met kracht die [slachtoffer 1] heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

Hij op 29 augustus 2012 te Deventer opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2], de keel heeft dichtgeknepen, waardoor [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn, mede gelet op de conclusies in het rapport van het PBC van 16 mei 2013 met betrekking tot de toerekenbaarheid van de gedragingen aan verdachte, geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, alsmede dat verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging zal worden opgelegd. In het geval de rechtbank komt tot oplegging van TBS met voorwaarden, heeft de officier van justitie verzocht het vonnis dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tevens heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van 4 mei 2011 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht -kort samengevat- verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen, waarbij de voorwaarden zoals bedoeld in het rapport van Tactus Verslavingszorg van 9 mei 2014 kunnen worden gesteld. De raadsman heeft geen bezwaar tegen een verklaring van dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, waarbij hij zodanig fors geweld tegen het hoofd van het slachtoffer heeft uitgeoefend dat het slachtoffer meerdere botbreuken in het gezicht en ernstig hersenletsel heeft opgelopen. Voorts heeft verdachte een andere persoon mishandeld door diens keel dicht te knijpen. Verdachte heeft door deze feiten te plegen een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers gemaakt. Met name wat betreft het slachtoffer [slachtoffer 1], die door verdachte meerdere malen met aanzienlijke kracht tegen het hoofd is geschopt, mag van geluk worden gesproken dat het niet nog ernstiger is afgelopen.

Verdachte heeft een uitgebreid strafblad. Blijkens zijn justitiële documentatie is verdachte meerdere malen voor geweldsdelicten veroordeeld, laatstelijk in 2011.

Over verdachtes persoon zijn meerdere rapportages uitgebracht. In 2013 is verdachte in het kader van de onderhavige zaak in het PBC geobserveerd.

Blijkens het rapport van het PBC van 16 mei 2013 is door de deskundigen geconcludeerd dat er diagnostisch gesproken kan worden van een sterk autoriteitsgevoelige man met een zwakke persoonlijkheidsstructuur die zich in beschrijvende zin laat classificeren als een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en borderline trekken. Tevens is er sprake van afhankelijkheid van diverse middelen, zoals alcohol, harddrugs en diazepam. De deskundigen hebben geconcludeerd dat het zeer aannemelijk is dat betrokkene in de periode voorafgaand aan en tijdens het plegen van het ten laste gelegde psychotisch is geweest, vermoedelijk samenhangend met het gebruik van cocaïne en alcohol. Er bestaat een relatie tussen de stoornis en het ten laste gelegde, indien bewezen. Hoewel het ten laste gelegde volgens de deskundigen niet rechtstreeks uit de psychose kan worden verklaard, is er wel een indirect verband: verondersteld mag worden dat betrokkene vanwege zijn psychotische toestand wel instabiel was. Op grond van het voorgaande hebben de rapporteurs geadviseerd om verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Gezien verdachtes stoornis, het gebrekkige sociaal maatschappelijk functioneren en het omvangrijke strafblad is de kans op herhaling van een geweldsdelict volgens de rapporteurs groot tot zeer groot, zowel op de korte als op de lange termijn.

Het recidiverisico kan volgens de rapporteurs van het PBC worden verminderd door verdachte een langdurige klinische behandeling te laten ondergaan in een sterk gestructureerde en beveiligde setting. Deze behandeling zal vooral gericht moeten zijn op de zwakke persoonlijkheidsstructuur van verdachte, de verslavingsproblematiek en de psychotische kwetsbaarheid. Ten tijde van de opmaak van het rapport van het PBC is verdachte echter alleen voor een ambulante behandeling gemotiveerd gebleken en wilde hij niets van klinische behandeling weten. Het opleggen van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is in de ogen van het rapporterend team dan ook de enige mogelijkheid om het recidiverisico substantieel te verminderen en de klinische behandeling te realiseren.

Het rapport van het PBC is onder meer op de zitting van 17 september 2013 met verdachte besproken. Door de verdediging is toen naar voren gebracht dat verdachte na de opname in het PBC wel gemotiveerd voor een klinische behandeling is geraakt. De rechtbank heeft vervolgens bij tussenvonnis d.d. 1 oktober 2013 in deze zaak geoordeeld dat zij nader geïnformeerd wenste te worden over de mogelijkheid verdachte in het kader van een TBS met voorwaarden een klinische behandeling te laten ondergaan. Tactus Verslavingszorg heeft deze mogelijkheid onderzocht en heeft daarover een rapport opgemaakt, d.d. 9 mei 2014.

Blijkens laatstbedoeld reclasseringsrapport verblijft verdachte sinds 30 januari 2014 voor een afstemmingsperiode op behandelunit Het Dok van de FPK te Assen, om de behandelmogelijkheden te onderzoeken. Volgens het rapport is er in het contact met de reclassering sprake van een gebrek aan openheid en externe motivatie. Voorts is er volgens de reclassering vanuit verdachte geen motivatie voor een toezicht en geen commitment over de diagnose die is gesteld door het PBC, de behandeling en toezichtvoorwaarden. De contactgroei is minimaal en er is een gebrek aan samenwerking door bovenstaande punten. De verwachting van Tactus Reclassering is dat een dergelijke samenwerkingsrelatie in de toekomst niet snel zal verbeteren. Daarbij heeft verdachte volgens het rapport geen hulpvraag en heeft hij niet inzichtelijk wat een behandeling hem kan bieden.

Tijdens de behandelplanbespreking bij de FPK te Assen op 22 april 2014 is volgens het rapport duidelijk geworden dat het behandelteam verdeeld is en dat er grote twijfels bestaan of het haalbaar is betrokkene te behandelen. Tevens is gesproken over het inzetten van een carrousel om het behandelteam na enige tijd te ontlasten. Ondanks de grote twijfels en de

verdeeldheid binnen het behandelteam van de FPK, wil de FPK een behandelaanbod doen

en betrokkene het voordeel van de twijfel geven. De reclassering is echter van mening dat binnen een toezicht in het kader van TBS met voorwaarden geen mogelijkheden zijn om hem zonder een samenwerkingsrelatie te begeleiden, hetgeen ter terechtzitting van 27 mei 2014 door de reclasseringswerkers, mevrouw T. Dol en M. Dijkema, is bevestigd. De reclassering heeft ondanks haar negatieve advies aangaande een TBS met voorwaarden, in het rapport van 9 mei 2014 voorwaarden geadviseerd die aan een TBS met voorwaarden zouden kunnen worden gesteld.

De behandelcoördinator van de FPK te Assen, mevrouw B.S. Wemekamp, heeft ter terechtzitting van 27 mei 2014 verklaard dat, hoewel de samenwerking tussen de kliniek en verdachte in het begin van de opname moeizaam verliep, er een stijgende lijn zichtbaar is geworden. Verdachte is beter te bereiken en er is vanuit de kliniek, nu men hem daar beter leert kennen, meer zicht op zijn spanningsopbouw en impulsen. Daarbij heeft verdachte zich, ondanks dat hij zich niet altijd in de werkwijze van de kliniek kon vinden, aan de behandeling van de kliniek geconformeerd. Volgens de kliniek is er thans voldoende basis om met verdachte verder te gaan. Met verdachte zal worden geoefend om ander gedrag te leren waardoor contacten met anderen beter zullen verlopen. De verwachting is volgens Wemekamp dat de verdachte op den duur dit gedrag zal kunnen vertalen naar een andere context, dus ook buiten de kliniek, en dat dus mogelijk ook de samenwerking met de reclassering beter zal gaan verlopen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de in het rapport van 9 mei 2014 gestelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat hij zich klinisch in de FPK te Assen zal laten behandelen, zal houden.

De rechtbank stelt allereerst vast dat aan de vereisten voor het opleggen van een TBS, zoals bepaald in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de poging tot doodslag is voldaan. De rechtbank is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel dat verdachte klinische behandeling nodig heeft en dat hij deze in het kader van een TBS met voorwaarden dient te ondergaan. De FPK staat positief tegenover een behandeling in dat kader en verdachte lijkt gemotiveerd zich voor de behandeling in te zetten. Deze omstandigheden rechtvaardigen, ondanks de geuite bezwaren door de reclassering, dat verdachte thans niet in het zwaardere kader van de dwangverpleging maar in het kader van een TBS met voorwaarden klinisch zal worden behandeld. Daarbij betrekt de rechtbank dat hij nog niet eerder in een verplicht kader klinische is behandeld. De problemen die de reclassering in het contact met verdachte ervaart zijn, zo heeft mevrouw Wemekamp ter zitting verklaard, in belangrijke mate illustratief voor zijn (nog te behandelen ) persoonlijkheidsproblematiek. De kliniek heeft dergelijke problemen in het begin ook met verdachte ondervonden; naarmate de contacten verder bestendigen staat verdachte meer open voor contact en wordt het pantser dat hij om zich heen heeft gebouwd minder hard. Het is nu in het belang van verdachte dat er tussen hem en de reclassering van een deugdelijke samenwerking sprake is zodat er voldoende basis is om de TBS met voorwaarden te doen slagen. De rechtbank spreekt de verwachting uit dat verdachte zich voor deze samenwerking en voor het naleven van de voorwaarden naar zijn beste vermogens zal inzetten.

De rechtbank is van oordeel dat tevens het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank heeft behalve met de ernst van het feit, verdachtes persoonlijke omstandigheden en zijn strafblad tevens rekening gehouden met het feit dat hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht. De rechtbank acht de gevorderde gevangenisstraf van 1 jaar passend.

De rechtbank zal daarbij de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 38, 38a en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig alsnog de tenuitvoerlegging te gelasten van de door het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, bij arrest d.d. 4 mei 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Beslissing

Het onder 2 ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het onder 1 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

De rechtbank gelast in verband met de onder 1 bewezenverklaarde poging doodslag de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij betreffende het gedrag van verdachte de volgende voorwaarden:

Algemene voorwaarden

1.

Betrokkene houdt zich aan de voorwaarden en aanwijzingen die hem gesteld zijn door of

namens de toezichthoudende instantie, te weten Tactus Reclassering te Zwolle.

2.

Betrokkene zal zich niet schuldig maken aan strafbare feiten of zich in situaties begeven

die voor hem risicovol zijn en/of zijn resocialisatie in gevaar brengen.

3.

Betrokkene zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

4.

Betrokkene zal zich niet buiten de Nederlandse grenzen begeven.

5.

Betrokkene stelt zich voor Tactus Reclassering open en controleerbaar op en geeft

toestemming aan de reclassering om contact te hebben met alle personen en instellingen

uit zijn sociale netwerk, die in deze voorwaarden met name worden genoemd. Tevens geeft

hij aan deze personen/instellingen toestemming informatie uit te wisselen met de

reclassering.

Bijzondere voorwaarden

1.

Betrokkene laat zich klinisch behandelen binnen Forensisch Psychiatrische Kliniek

(FPK) te Assen, of soortgelijke instelling, zolang de reclassering en de FPK Assen, of

soortgelijke instelling, dat noodzakelijk achten.

2.

Betrokkene houdt zich gedurende de opname binnen de FPK te Assen aan de huisregels,

het vrijhedenprotocol en afspraken met de behandelaren van de FPK te Assen of een

soortgelijke instelling, en zal zolang de reclassering en de FPK te Assen of een

soortgelijke instelling, dat nodig achten, daar verblijven.

3.

Betrokkene maakt trek en drang naar alcohol en hard-/softdrugs bespreekbaar. Hij zal

zich onthouden van alcoholgebruik en hard-/softdrugsgebruik. Betrokkene werkt mee

aan controles op middelengebruik middels urinecontroles en blaastesten.

4.

Betrokkene werkt na de klinische behandeling mee aan een ambulant behandelcontact

bij een forensische polikliniek of een soortgelijke instelling.

5.

Betrokkene zal zich na de klinische behandeling vestigen op een door de reclassering

goedgekeurd adres, ook als dit inhoudt een beschermde of begeleide woonvorm. Hij

conformeert zich aan de afspraken die worden gemaakt met de woonvorm. Betrokkene

zal niet zonder toestemming van de reclassering van woonadres veranderen.

6.

Betrokkene geeft de reclassering toestemming om contact op te nemen met de

wijkagent.

7.

Betrokkene werkt na de klinische behandeling mee aan een traject richting een stabiele

en structurele vorm van dagbesteding of werk, betaald dan wel onbetaald.

8.

Betrokkene is open over de invulling van zijn vrije tijd en stelt zich hierin begeleidbaar

op.

9.

Betrokkene dient zijn medewerking te verlenen aan eventuele medicamenteuze

therapie, voorgeschreven door de behandelend arts/psychiater. Deze medicatie zal

indien nodig toegediend worden middels een depot, waar betrokkene aan mee dient te werken.

10.

Betrokkene is open over wat hem bezig houdt. Moeilijke situaties bespreekt hij met zijn

hulpverleners en de reclassering. Hij vraagt en accepteert hulp waar dit nodig is en stelt

zich begeleidbaar op om zodoende tot een oplossing te kunnen komen.

11.

Betrokkene geeft inzage in zijn sociale netwerk en (partner)relaties.

Indien er sprake is van een relatie dan geeft hij toestemming aan de behandelaars en

reclassering om contact op te nemen met deze persoon. Hij werkt mee aan partner-

/relatiegesprekken.

12.

Betrokkene maakt geen schulden en verschaft de reclassering en/of behandelaren

inzicht in zijn financiële situatie. Hij laat zich begeleiden middels

budgetbeheer/bewindvoering.

13.

Indien noodzakelijk wordt betrokkene voor een time-out teruggeplaatst naar FPK

Assen, of soortgelijke instelling. Deze time-outplaatsing duurt in ieder geval zolang als

nodig is om betrokkene op verantwoorde en veilige wijze terug te laten keren naar de

omstandigheden voorafgaand aan de time-out, maar maximaal zeven weken. Deze

periode kan eenmaal met zeven weken worden verlengd. Tijdens de time-out zullen

partijen in overleg beslissen of en op welke wijze voortzetting van het traject al of niet

mogelijk en haalbaar is.

De rechtbank beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst de vordering toe.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 24.001570-10 bij arrest d.d. 4 mei 2011 van gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, te weten 1 maand gevangenisstraf.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, onder dossiernummer PL04DD 2012092148, opgemaakt op (d.d.) 23 oktober 2012.

2 De door verdachte ter terechtzitting van 17 september 2013 afgelegde verklaring.

3 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt d.d. 29 augustus 2012, pagina 20 en 21.

4 Letselrapportage, opgemaakt d.d. 10 september 2012, door mw. W.E. Dorland, forensisch arts, pagina 26 en 27.