Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3990

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
08/910004-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Overijssel veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden voor grootschalige handel in en vervoer van hennep. Megazaak Molengat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - meervoudige kamer

Locatie Zwolle

Parketnummer: 08/910004-14

Uitspraak: 26 juni 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het Openbaar Ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van

12 juni 2014. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Sittard. Als officier van justitie was aanwezig mr. H.J. Timmer.

TENLASTELEGGING

De verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van

1 augustus 2011 tot en met 4 november 2012 te Langeboom en/of Venhorst en/of

Enschede en/of Doetinchem en/of Zwolle en/of elders in Nederland,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, één of meer kilogram(men) hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, althans een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of vervoerd en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan (een) ander(en), in elk geval aanwezig gehad (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op 5 november 2012 te Langeboom en/of Venhorst en/of Enschede en/of

Doetinchem en/of Zwolle en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer 7013,8 gram hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, althans een (grote)

hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de bewijsmiddelen betrokkenheid van verdachte bij bedoelde handel in hennep en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep niet kan worden afgeleid. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten 1 en 2: handel in hennep en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep

Vanwege de onderlinge samenhang bespreekt de rechtbank deze feiten gezamenlijk.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op basis van de zich in het dossier bevindende tapgegevens, observaties, camerabeelden, de inbeslagneming van weed onder medeverdachte [medeverdachte 1], alsmede de bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling bij dit vonnis zullen worden opgenomen. De rechtbank heeft geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt.

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 3] hennep heeft afgeleverd aan onder meer [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn regelmatig waargenomen bij de woonwagen van [medeverdachte 3], zo blijkt uit de camerabeelden van de [straatnaam]. [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij sinds twee jaar voor [verdachte] van coffeeshop ‘’[coffeeshop]’ in Doetinchem dozen of tassen vervoerde van en naar [medeverdachte 3]. Het ging om dozen van het formaat dat je in de supermarkt ziet of om een weekendtas. De pakketten werden door [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] overhandigd, daarna gaf [medeverdachte 2] ze weer af bij [verdachte]. Op camerabeelden van 5 november 2012 is waargenomen dat [medeverdachte 1] naar de woonwagen van [medeverdachte 3] loopt en terugkomt met een vuilniszak die hij in zijn auto laadt. Daarop wordt hij onder observatie genomen en wordt hij in Enschede aangehouden, waarbij 7 kilo hennep in zijn auto wordt aangetroffen. Geconfronteerd met camerabeelden van zijn bezoek aan de [straatnaam], herkent [medeverdachte 1] zichzelf op de beelden. [medeverdachte 1] werkte net als [medeverdachte 2] voor verdachte [verdachte].

De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, af dat verdachte zich samen met een ander, in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 4 november 2012 te Langeboom en Enschede en Zwolle, in de uitoefening van een beroep of bedrijf schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en afleveren van kilogrammen hennep en dat hij zich op 5 november 2012, samen met een ander, te Enschede schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 7013,8 gram hennep.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 4 november 2012 te Langeboom en

Enschede en Zwolle, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, telkens tezamen en in vereniging met een ander, kilogrammen hennep opzettelijk heeft vervoerd en afgeleverd,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 5 november 2012 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7013,8 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen acht gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van achttien maanden met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair verzocht bij de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld in verband met de Opiumwet.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover deze voor de onderhavige feiten zijn vastgesteld. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft ten aanzien van het vervoeren en afleveren van hennep en het aanwezig hebben van hennep geen oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 15 maanden, samen met een ander en met een zekere professionaliteit, bezig gehouden met grootschalige handel in hennep door telkens tientallen kilo’s hennep door koeriers te laten ophalen bij [medeverdachte 3] en vervolgens te laten vervoeren en afleveren op het woonadres van verdachte. Op 5 november 2012 is in Enschede een door verdachte georganiseerd transport onderschept waarbij in de auto van [medeverdachte 1] 7013,8 gram hennep is aangetroffen. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend kan werken. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze softdrugs in illegale kwekerijen worden geproduceerd en waarin buiten de reguliere en legale economie om winst wordt gemaakt met de handel en export. Een en ander rechtvaardigt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het uittreksel Justitiële

Documentatie van 11 juni 2014 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld in verband met

overtreding van de Opiumwet.

De rechtbank is, alle voormelde omstandigheden in aanmerking genomen van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    Feit 1, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2014.