Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3964

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-06-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
C/08/145038 / ES RK 13-1971 en C/08/151855 /ES RK 14-318
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank limiteert de bij echtscheidingsbeschikking ingestelde alimentatieverplichting van de man tot de datum waarop de vrouw 65 jaar wordt (ofwel over 5 jr), nu partijen al 7 jaar gescheiden leven en de man in die periode ook al in haar levensonderhoud heeft voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/130
PFR-Updates.nl 2014-0200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummers: C/08/145038 / ES RK 13-1971

C/08/151855 / ES RK 14-318

beschikking van 2 juni 2014.

In de zaak van:

[verzoeker],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. H.L.J.M. Kersten te Zwolle,

tegen

[verweerster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verweerster,

advocaat: mr. J.M. Spronk te Utrecht.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 2 oktober 2013;

  • -

    het exploot van betekening van 8 oktober 2013;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op

6 december 2013;

- het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op 20 januari 2014.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 10 maart 2014, 21 maart 2014 en 31 maart 2014 brieven van mr. Kersten met bijlagen;

- op 10 maart 2014, 21 maart 2014 en 31 maart 2014 brieven van mr. Spronk met bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van 1 april 2014. Ter zitting zijn verschenen:

  • -

    de man bijgestaan door mr. Kersten,

  • -

    de vrouw bijgestaan door mr. Spronk.

Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

Partijen zijn op 18 februari 1981 te Curaçao (Nederlandse Antillen) met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Uit het huwelijk van partijen zijn drie, thans meerderjarige, kinderen geboren.

Tussen partijen gelden voorlopige voorzieningen, die door deze rechtbank zijn getroffen bij beschikking van 18 december 2013. Daarbij is bepaald dat de man maandelijks met € 2.990,- bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

  2. tussen partijen de (wijze van de) verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en de (wijze van de) verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden van partijen vast te stellen;

  3. een beslissing te geven omtrent de kosten van de procedure.

De man stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. De man hoopt dat partijen in onderling overleg tot afwikkeling van de tussen hen bestaande huwelijkse voorwaarden kunnen komen, maar voor het geval dat niet lukt, verzoekt hij de rechtbank om de wijze van verdeling/afwikkeling vast te stellen.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vrouw heeft een verweerschrift met zelfstandig verzoek ingediend. De vrouw verzoekt de rechtbank de verzoeken van de man toe te wijzen en daarnaast, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. a) tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

b) te bepalen dat de man maandelijks met € 5.400,-- bijdraagt in de kosten van haar levensonderhoud.

De vrouw erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Zij stelt behoefte te hebben aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Partijen hebben tot op heden geen overeenstemming bereikt over de verdeling/afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

In zijn verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw stelt de man het volgende:

a. a) de man handhaaft zijn verzoek om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

b) de man verzoekt om afwijzing van het verzoek om partneralimentatie, dan wel een eventuele onderhoudsverplichting in tijd te beperken tot een periode van maximaal vijf jaar met een afbouwregeling per jaar naar evenredigheid, dan wel een afbouwregeling naar evenredigheid en na ommekomst van die periode de verplichting op nihil te stellen.

De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft aan de door haar verzochte bijdrage in haar levensonderhoud. Bovendien is de man financieel niet in staat om de verzochte bijdrage te voldoen. De inkomsten uit de maatschap zijn door diverse omstandigheden fors teruggelopen.

De beoordeling

Bij de betekening van het verzoekschrift zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen. De in artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd.

Ten aanzien van de echtscheiding

Nu de man stelt en de vrouw erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast. Het verzoek tot echtscheiding kan daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn het er over eens dat de tussen hen bestaande huwelijkse voorwaarden afgewikkeld dienen te worden. Zij verschillen van mening over de daadwerkelijke afwikkeling. De rechtbank zal de beslissing over deze voorziening daarom conform artikel 9 van het echtscheidingsreglement afsplitsen van deze procedure en onder een apart zaaknummer administreren.

Ter zitting van 1 april 2014 zijn partijen overeengekomen dat zij zullen trachten de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden in onderling overleg te regelen. De zaak is daartoe voor twee maanden aangehouden.

Ten aanzien van de partneralimentatie

Partijen zijn feitelijk sinds 1 mei 2007 uit elkaar. De vrouw stelt dat zij op dat moment een inkomen had van € 1.000,- bruto per maand. De vrouw heeft thans een inkomen van

€ 2.100,- netto per maand. Het huidige inkomen van de vrouw staat niet tussen partijen ter discussie. Bij het uiteengaan van partijen hebben zij de afspraak gemaakt dat de man alle kosten van de kinderen zou blijven voldoen.

Uit een verzekeringspolis bij Legal General wordt of werd ten behoeve van de kinderen een bedrag van € 330,- per maand ontvangen. Die polis is bedoeld voor de studiekosten van de kinderen. De uitkering voor zoon [X] is in november 2013 geëindigd. Momenteel betaalt de man maandelijks € 1.250,- voor [X]. [X] is in de zomer van 2014 klaar met zijn studie, maar gaat mogelijk nog een vervolgopleiding in Amerika volgen.

Dochter [Y] ontvangt sinds december 2013 voor een periode van twee jaar € 330,- per maand uit bovengenoemde polis. Daarnaast betaalt de man nog gemiddeld € 600,- per maand voor [Y]. [Y] woont sinds oktober 2013 weer bij de vrouw en studeert momenteel niet. De man stelt dat indien [Y] weer gaat studeren zijn bijdrage ook tot € 1.250,- per maand zal oplopen.

De man heeft gedurende enkele jaren maandelijks € 4.000,- aan de vrouw voldaan en daarnaast nog diverse kosten voor haar betaald zoals de premie ziektekostenverzekering, verzekering en reparaties voor de auto van de vrouw. Deze extra betalingen bedroegen ongeveer € 700,- netto per maand.

Vanaf oktober 2013 is de man gestopt met de betaling van € 4.000,- per maand en heeft hij dit bedrag verminderd tot € 1.000,- per maand. Sinds december 2013 dient de man, conform de beschikking voorlopige voorzieningen, € 2.990,- per maand te voldoen aan de vrouw.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw in verband met partneralimentatie

De vrouw stelt dat haar behoefte minimaal € 5.400,- bruto per maand bedraagt. Deze stelling is gebaseerd op een netto inkomen aan de zijde van de man in 2007 van € 8.724,- per maand en een netto inkomen aan de zijde van de vrouw van € 916,- per maand, in totaal derhalve

€ 9.640,- per maand. De vrouw stelt de kosten van de drie kinderen op dat moment op

€ 2.000,- per maand zodat er een bedrag van € 7.640,- netto per maand resteert dat partijen ter besteding voor zichzelf hadden. De vrouw gaat uit van de zogenaamde Hof-norm en berekent dat 60 % van dat laatste bedrag € 4.584,- netto per maand als behoefte aan de zijde van de vrouw oplevert. De vrouw ontvangt thans een inkomen van € 2.100,- netto per maand. De vrouw betwist dat zij haar uren kan uitbreiden bij haar huidige werkgever. Zij legt daartoe een verklaring van die werkgever over. Bovendien werkt zij momenteel al 35-40 uur per week en heeft zij twee banen. De vrouw acht het alleszins redelijk indien de man maandelijks met € 5.400,- bruto per maand bijdraagt in de kosten van haar levensonderhoud.

Indien de rechtbank uitgaat van de Hof-norm dan merkt de man over zijn netto besteedbaar inkomen in 2007 op dat dit € 8.148,75 per maand bedroeg. De man betwist het netto inkomen van de vrouw in 2007. Zijn inkomen in 2007 dient verminderd te worden met de kosten van de kinderen ad € 2.000,- zodat er € 6.148,75 resteert. Wanneer hiervan 60% wordt genomen, levert dat een netto-behoefte op van € 3.689,25. Uitgaande van een eigen inkomen van de vrouw uit een fulltime dienstverband zou er dan aan de zijde van de vrouw een resterende behoefte van € 1.440,- netto per maand zijn.

De man maakt echter bezwaar tegen toepassing van de Hof-norm bij de vaststelling van de behoefte. De man stelt dat uitgegaan moet worden van de daadwerkelijke behoefte van de vrouw. De door de vrouw overgelegde behoeftespecificatie wordt door de man op diverse punten betwist. Daarnaast meent de man dat de vrouw in staat geacht moet worden om fulltime te gaan werken, waardoor haar inkomen hoger wordt. De man is van mening dat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd.

Voor de bepaling van de hoogte van de (mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde) behoefte van de vrouw dient de rechtbank rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van de daadwerkelijke huwelijkse samenleving als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. De behoefte dient daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud te worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de vrouw redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechtbank op vorenbedoelde wijze is vastgesteld. Het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk dat door beide partijen werd verdiend geeft een aanwijzing voor die welstand.

De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte van de vrouw uitgaan van het volgende.
De man heeft verweer gevoerd tegen toepassing van de zogeheten Hof-norm. De vrouw heeft vervolgens haar behoefte door middel van een gespecificeerde behoeftelijst onderbouwd. De man heeft tegen een aantal op die lijst vermelde posten verweer gevoerd. De rechtbank zal die specifieke posten hieronder afzonderlijk bespreken.

  • -

    Hypotheekrente: de vrouw heeft hier een bruto bedrag genoemd. Dat zal de rechtbank corrigeren tot een netto bedrag ad € 939,- per maand.

  • -

    Eigenwoningforfait: de rechtbank gaat er vanuit dat dit een fiscale bijtelling is die al in het netto traject is verdisconteerd. Met dit bedrag zal de rechtbank geen rekening houden.

  • -

    Gas, licht: deze door de man betwiste post zal de rechtbank wel meenemen nu de betwisting naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is onderbouwd.

  • -

    Voeding: deze post zal de rechtbank corrigeren tot € 400,- per maand. Een bedrag voor voeding ad € 100,- per week acht de rechtbank redelijk.

  • -

    Benzine/treinkaartjes: dit bedrag zal de rechtbank meenemen nu de hoogte de rechtbank niet onredelijk voorkomt, ook gezien de vele activiteiten van de vrouw.

  • -

    Kosten inwoning [Y]: met dit bedrag zal de rechtbank geen rekening houden nu deze kosten niet zien op de eigen behoefte van de vrouw.

  • -

    Schoonmaakmiddelen: deze kosten acht de rechtbank bovenmatig en zal de rechtbank corrigeren tot € 10,- per maand.

  • -

    Cadeaus: deze kosten acht de rechtbank niet bovenmatig.

  • -

    Vergeten/onvoorzien: deze post acht de rechtbank bovenmatig, ook gezien de overige vermelde posten in de behoeftelijst. De rechtbank zal deze post corrigeren tot € 200,-.

Na bovengenoemde correcties komt de netto behoefte van de vrouw uit op € 3.889,14 per maand. Onweersproken staat tussen partijen vast dat de vrouw momenteel een inkomen heeft van € 2.100,- per maand. Na aftrek van dit huidige inkomen van de vrouw en na brutering bedraagt de aanvullende behoefte van de vrouw € 2.448,-- per maand.

De man stelt voorts dat de vrouw volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. De vrouw betwist dat.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft twee banen en werkt momenteel reeds 35-40 uur per week, waarmee zij een inkomen verwerft van netto € 2.100,- per maand. Zij heeft bovendien een verklaring van haar werkgever overgelegd waaruit blijkt dat zij haar uren niet kan uitbreiden. Gezien de leeftijd van de vrouw (zij is thans 59 jaar), haar opleidingsniveau en de situatie op de arbeidsmarkt is naar het oordeel van de rechtbank thans niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd nog meer uren kan gaan werken en op die wijze geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud staat daarmee, mede gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk, naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast.

Ten aanzien van de draagkracht van de man

De man stelt dat zijn inkomen met ingang van 2013 fors is verminderd. Dat is een gevolg van een lagere omzet van de maatschap vanwege overheidsmaatregelen. De man heeft in 2012 en 2013 nog maandelijks € 4.000,- aan de vrouw voldaan, ondanks dat de draagkracht hiertoe bij de man ontbrak. Hij heeft daarbij ingeteerd op zijn vermogen.

De man stelt dat zijn inkomen over 2012, na aftrek van de kosten € 143.000,- bruto bedraagt, zijnde een winstaandeel van € 213.000,- minus de kosten ad € 70.000,-.

Volgens de man heeft hij momenteel een draagkracht van € 2.381,- per maand. Na aftrek van de bedragen die de man nog voldoet voor de kinderen resteert er voor de vrouw nog
€ 737,- per maand. De man betwist dat hij samenwoont met zijn nieuwe partner. De man bevestigt dat zijn nieuwe partner regelmatig in zijn woning verblijft. Zij heeft echter een eigen woning in Den Haag. De man verzoekt om in de draagkrachtberekening wel rekening te houden met de kosten die hij maandelijks voor zoon [X] en dochter [Y] voldoet, respectievelijk € 1.250,- en € 600,-.

De man stelt daarnaast dat er aanleiding is om de onderhoudsduur voor de partneralimentatie in duur te beperken. Er zijn geen minderjarige kinderen meer en de vrouw moet in staat zijn om met haar opleiding, zeker op termijn, geheel in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook is er geen sprake van verlies aan verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw als gevolg van het huwelijk.

Volgens de vrouw is zoon [X] binnenkort afgestudeerd zodat zijn kosten voor de man wegvallen. De oudste zoon van partijen is al financieel zelfstandig. De vrouw stemt ermee in dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening wordt gehouden met een maandelijkse bijdrage ad € 600,- die de man voor [Y] voldoet.

Volgens de vrouw woont de man wel degelijk samen met zijn huidige partner, waardoor de woonlasten van de man gedeeld kunnen worden.

Voor het inkomen van de man stelt de vrouw dat uitgegaan moet worden van de jaren 2011 en 2012, nu dit volgens haar representatieve jaren zijn. Dat heeft volgens de vrouw tot gevolg dat de man een inkomen ontvangt van jaarlijks € 220.000,-. De vrouw maakt bezwaar tegen de opgevoerde kosten in de jaarstukken van de maatschap. Volgens de vrouw zijn die veel te hoog en moeten die kosten gecorrigeerd worden. De vrouw verzoekt om een deskundige te benoemen die naar deze kosten moet gaan kijken.

De vrouw voert verweer tegen de verzochte limitering. De vrouw stelt dat er geen grond is om (thans reeds) tot limitering over te gaan. Pas als de man met pensioen gaat is er volgens de vrouw plaats voor een herberekening. De vrouw blijft bij de door haar verzochte € 5.400,- per maand.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw uit van de navolgende gegevens.

Inkomen man:

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht uit van de jaarcijfers over 2012. De rechtbank zal voor wat betreft het inkomen van de man in 2014 uitgaan van een winst uit onderneming van € 212.940,-. In 2012 is ten laste van het resultaat van de maatschap gekomen de uitverdienregeling van een uitgetreden maat van de maatschap, hetgeen een schuld aan de maatschap heeft opgeleverd die in 2014 dient te worden terugbetaald. Voor de jaren daarna zal de rechtbank een winst uit onderneming hanteren van € 220.000,-. Op beide bedragen zal de rechtbank € 70.000,- aan kosten in mindering brengen. Deze kosten komen de rechtbank niet bovenmatig voor en er is dan ook geen reden om deze kosten te corrigeren.

De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd gesteld waarom de door de man in het geding gebrachte financiële stukken ondeugdelijk zouden zijn, zodat het verzoek van de vrouw om een deskundige te benoemen om het inkomen van de man te beoordelen wordt afgewezen.

Lasten man:

  • -

    hypotheekrente per jaar € 19.636,68

  • -

    premie levensverzekeringen eigen woning per maand € 278,75

  • -

    rente i.v.m. schuld € 99.015,-, per maand € 330,05

  • -

    WOZ waarde eigen woning € 690.000,-

  • -

    premie arbeidsongeschiktheidsverzekering per jaar € 15.421,75

  • -

    premie ziektekostenverzekering per maand € 176,81

  • -

    eigen risico ziektekosten per jaar € 350,-

  • -

    pensioenpremies per maand € 541,15

De rechtbank zal geen rekening houden met de bijdrage die de man voldoet voor zoon [X]. [X] zal in de zomer van 2014 afstuderen. Bovendien prevaleert de onderhoudsverplichting die de man heeft ten opzichte van zijn vrouw boven een eventueel door hem te betalen bijdrage voor zijn meerderjarige zoon.

De rechtbank zal wel rekening houden met het bedrag dat de man maandelijks ten behoeve van [Y] voldoet. Tegen dit bedrag van € 600,- per maand, is door de vrouw geen verweer gevoerd. Dat de man in de toekomst misschien een hogere bijdrage zou willen voldoen is niet aangetoond, evenmin als de noodzaak daartoe nu [Y] maandelijks ook nog € 330,- uit de verzekeringspolis van Legal General ontvangt.

De man stelt dat hij veel meer eigenaarslasten heeft dan het forfait van € 95,- per maand. De man stelt die eigenaarslasten op € 459,90 per maand. De rechtbank zal dit forfait niet verhogen. Het is aannemelijk dat de man niet voldoende heeft aan het forfait, maar dat is inherent aan de systematiek van alimentatierekenen zoals dit wordt gehanteerd. De man kan zijn vrije ruimte aanwenden om de aanvullende kosten voor deze woning uit te voldoen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat er sprake is van samenwoning door de man en zijn huidige partner. De man heeft deze samenwoning gemotiveerd betwist en door de vrouw is onvoldoende gesteld om tot een ander oordeel te kunnen komen.

Uit de draagkrachtberekening blijkt dan dat de man in 2014 staat is om met € 3.091,- per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Met ingang van 1 januari 2015 is de man in staat om met € 3.513,- per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Aangezien de aanvullende behoefte van de vrouw op € 2.448,- is berekend, heeft de man voldoende draagkracht om in de behoefte van de vrouw te voorzien zodat de rechtbank zal bepalen dat de man met € 2.448,- per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Ten aanzien van het verzoek tot limitering

De man heeft primair verzocht om zijn alimentatieverplichting te limiteren, subsidiair om deze op nihil te stellen. De vrouw heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank kan op verzoek van één van partijen een bijdrage in het levensonderhoud toekennen onder vaststelling van voorwaarden en van een termijn. Volgens vaste jurisprudentie dienen vrij strenge eisen te worden gesteld aan de stelplicht van de alimentatieplichtige om tot een uitspraak te komen die praktisch een einde maakt aan het recht op levensonderhoud. De man heeft zijn verzoek tot limitering gebaseerd op de stelling dat de vrouw geen economisch nadeel heeft ondervonden van het huwelijk, omdat zij – waren partijen niet gehuwd – geen andere baan met een ander inkomen zou hebben gehad dan nu het geval is. Naar het oordeel van de rechtbank miskent de man met deze stellingname dat de onderhoudsverplichting der echtgenoten niet uitsluitend gebaseerd is op de economische consequenties van het huwelijk voor partijen, maar ook (onder meer) op de lotsverbondenheid tussen de echtelieden en de mate van welstand waarin partijen tijdens het huwelijk gewend zijn te leven.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man hiermee niet voldaan aan zijn stelplicht, zodat het primaire verzoek van de man zal worden afgewezen.

Blijft over het subsidiaire verzoek tot nihilstelling van de alimentatie.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij reeds zeven jaren uit elkaar zijn. Sinds het uiteengaan van partijen heeft de man de vrouw financieel onderhouden door maandelijks € 4.000,- aan haar te voldoen. Sinds december 2013 is dat bedrag verlaagd tot maandelijks € 2.990,--. Daarnaast heeft de man ook al die jaren allerlei extra onkosten voor de vrouw voldaan.

De man zal dit jaar 61 jaar te worden. Dat betekent dat de man nog vier jaren moet werken tot hij de leeftijd van 65 zal bereiken.

De vrouw zal dit jaar 60 jaar te worden. Over vijf jaar hoopt de vrouw 65 jaar te worden. Het is voorzienbaar dat de financiële situatie dan aan beide kanten ingrijpend zal wijzigen.

Rekening houdende met de ratio van de 12-jaarstermijn voor bijdragen in het levensonderhoud, in samenhang met het feit dat de man al zeven jaar in het levensonderhoud van de vrouw heeft voorzien, acht de rechtbank het redelijk dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil wordt gesteld met ingang van de datum waarop de vrouw 65 jaar wordt. De rechtbank ziet geen termen aanwezig om in deze periode het alimentatiebedrag jaarlijks af te bouwen. De vrouw zal deze periode tot aan haar 65e levensjaar dienen te benutten om haar uitgavenpatroon aan te passen aan de veranderingen in de inkomstensfeer die alsdan zullen optreden.

Ten aanzien van de proceskosten

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

Inzake zaaknummer: C/08/145038 ES RK 13-1971:

1.

Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 18 februari 1981 te Curaçao (Nederlandse Antillen) gehuwd.

2.

Bepaalt dat de man met ingang van heden € 2.448,- (zegge: tweeduizend vierhonderd en achtenveertig EURO) per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3.

Bepaalt het bedrag dat de man dient te voldoen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op nihil wordt gesteld met ingang van de datum waarop de vrouw vijfenzestig jaar wordt.

4.

Verklaart onderdelen 2 en 3 uitvoerbaar bij voorraad.

5.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Inzake zaaknummer: C/08/151855 ES RK 14-318:

7.

Verwijst de zaak naar de rol van woensdag 18 juni 2014 voor uitlating partijen.

8.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. van der Lecq in tegenwoordigheid van

R.P. Jansen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2014

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die Raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.