Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3877

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
08/910005-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim vijftien maanden tientallen kilo's hennep vervoerd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat bij de straftoemeting rekening zou moeten worden gehouden met de halfslachtigheid van het geldende gedoogbeleid in Nederland. Het gedoogbeleid heeft uitsluitend betrekking op het onder bepaalde voorwaarden (de zogenaamde AHOJG-criteria) niet vervolgen van een coffeeshophouder voor het aanwezig hebben en verkopen van soft drugs in een door de gemeente gedoogde inrichting. Toepassing van en/of rekening houden met dit voor coffeeshops geldende gedoogbeleid op degenen die de coffeeshops bevoorraden zou een uitbreiding betekenen van het gedoogbeleid. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt in de eerste plaats bij de wetgevende en uitvoerende macht en gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, plus een taakstraf van 150 uur. Megazaak Molengat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - meervoudige kamer

Locatie Zwolle

Parketnummer: 08/910005-14

Uitspraak: 26 juni 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het Openbaar Ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1962 in [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op de openbare zitting van

12 juni 2014. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Sittard. Als officier van justitie was aanwezig mr. H.J. Timmer.

TENLASTELEGGING

De verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1

augustus 2011 tot en met 4 november 2012 te Langeboom en/of Venhorst en/of

Enschede en/of Doetinchem en/of Zwolle en/of elders in Nederland,

in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, één of meer kilogram(men) hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, althans een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of vervoerd en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan (een) ander(en), in elk geval aanwezig gehad (telkens) (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op 5 november 2012 te Langeboom en/of Venhorst en/of Enschede en/of

Doetinchem en/of Zwolle en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad ongeveer 7013,8 gram hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen daarvan, althans een (grote)

hoeveelheid hennep en/of hennepplanten en/of (gedroogde) (bloem) delen

daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd.

Het oordeel van de rechtbank

De feiten 1 en 2: handel in hennep en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep

Vanwege de samenhang tussen beide feiten bespreekt de rechtbank deze feiten gezamenlijk.

De rechtbank is op basis van de zich in het dossier bevindende tapgegevens, observaties, camerabeelden, de inbeslagneming van weed onder verdachte, alsmede de bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte], van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling bij dit vonnis zullen worden opgenomen. De rechtbank heeft geen redenen om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Verdachte heeft betrokkenheid bij feit 2 bekend.

De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt.

Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] hennep heeft afgeleverd aan onder meer verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte en [medeverdachte] zijn regelmatig waargenomen bij de woonwagen van [betrokkene 1], zo blijkt uit de camerabeelden van de [straat]. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij sinds twee jaar voor [betrokkene 2] van coffeeshop ‘’t Rotterdammertje’ in Doetinchem dozen of tassen vervoerde van en naar [betrokkene 1]. Het ging om dozen van het formaat dat je in de supermarkt ziet of om een weekendtas. De pakketten werden door [betrokkene 1] aan [medeverdachte] overhandigd, daarna gaf [medeverdachte] ze weer af bij [betrokkene 2]. Op camerabeelden van 5 november 2012 is te zien dat verdachte naar de woonwagen van [betrokkene 1] loopt en terugkomt met een vuilniszak die hij in zijn auto laadt. Daarop wordt hij onder observatie genomen en wordt hij in Enschede aangehouden, waarbij

7

kilo hennep in zijn auto wordt aangetroffen. Geconfronteerd met camerabeelden van zijn bezoek aan de [straat], herkent verdachte zichzelf op de beelden.

De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, af dat verdachte zich samen met een ander, in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 4 november 2012 te Langeboom en Enschede en Zwolle, schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en afleveren van kilogrammen hennep, en hij zich op 5 november 2012, samen met een ander, te Enschede schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van 7013,8 gram hennep.

Uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen valt niet af te leiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beroeps- of bedrijfsmatige handel in hennep, zodat de rechtbank verdachte van dit onderdeel zal vrijspreken.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 4 november 2012 te Langeboom en

Enschede en Zwolle, telkens tezamen en in vereniging met een ander, kilogrammen hennep opzettelijk heeft vervoerd en afgeleverd, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 5 november 2012 te Enschede, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7013,8 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen acht gevorderd dat aan verdachte een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren wordt opgelegd, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat verdachte daarnaast wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht - gelet op de actuele jurisprudentie met betrekking tot het vervoeren en afleveren van drugs ter bevoorrading van coffeeshops – om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft ten aanzien van het vervoeren en afleveren van hennep en het aanwezig hebben van hennep geen oriëntatiepunten vastgesteld. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft, net als medeverdachte [medeverdachte], gedurende een periode van ruim vijftien maanden, tientallen kilo’s hennep vervoerd. De hennep werd in opdracht van zijn werkgever [betrokkene 2] opgehaald bij [betrokkene 1] en vervolgens vervoerd en afgeleverd op het woonadres van [betrokkene 2]. Op 5 november 2012 is in Enschede een door [betrokkene 2] georganiseerd transport onderschept waarbij in de auto van verdachte 7013,8 gram hennep is aangetroffen. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend kan werken. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze softdrugs in illegale kwekerijen worden geproduceerd en waarin buiten de reguliere en legale economie om winst wordt gemaakt met de handel en export.

De rechtbank neemt ten voordele van verdachte in aanmerking dat uit het de verdachte

betreffende uittreksel Justitiële Documentatie van 11 juni 2014 blijkt dat verdachte niet

eerder is veroordeeld in verband met overtreding van de Opiumwet. Wel dient in verband

met een door de kantonrechter opgelegde straf op 26 september 2012 rekening te worden

gehouden met hetgeen in artikel 63 Sr is bepaald.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat bij de straftoemeting rekening zou moeten worden gehouden met de halfslachtigheid van het geldende gedoogbeleid in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat het gedoogbeleid in de onderhavige zaak niet aan de orde is nu verdachte geen exploitant is van een coffeeshop die in die hoedanigheid terecht staat wegens handelen in strijd met de zogenaamde AHOJG-criteria.

Verdachte staat terecht ter zake van het vervoeren en afleveren van grote hoeveelheden hennep. Niet relevant is in opdracht van wie hij dit deed en evenmin aan wie hij de hennep afleverde. Het vervoeren en afleveren van hennep is een strafbaar feit waarvoor vervolging kan plaatsvinden. Het gedoogbeleid heeft uitsluitend betrekking op het onder bepaalde voorwaarden (de zogenaamde AHOJG-criteria) niet vervolgen van een coffeeshophouder voor het aanwezig hebben en verkopen van soft drugs in een door de gemeente gedoogde inrichting. Toepassing van en/of rekening houden met dit voor zogenaamde coffeeshops geldende gedoogbeleid op degenen die de coffeeshops bevoorraden zou een uitbreiding betekenen van het gedoogbeleid. Dat gaat de taak van de rechter te buiten. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt immers in de eerste plaats bij de wetgevende en uitvoerende macht.

De rechtbank verwerpt het verweer en ziet daarom geen aanleiding verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

De rechtbank is - alle voormelde omstandigheden in aanmerking nemende - van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een taakstraf van 150 uur, met vervangende hechtenis voor de duur van 75 dagen, met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Mede om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar opleggen.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    Feit 1, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2, het misdrijf:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van de Opiumwet juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 150 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. G.J. Stoové en

mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier

en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2014.