Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3780

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
C/08/153170 / FA RK 14-566
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samengesteld gezin - stiefouder - verdeling draagkracht naar rato behoefte van de kinderen - vaststelling behoefte kind van alimentatieplichtige en nieuwe partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/153170 / FA RK 14-566 (SvE)

Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 26 juni 2014, in de zaak van:

[verzoeker],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. W.H. Kesler,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. J.A.A.M. Rupert.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 11 maart 2014;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 14 mei 2014.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 juni 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van de rechtbank binnengekomen:

- op 16 juni 2014 een brief van mr. Rupert van 12 juni 2014 met bijlagen;

- op 17 juni 2014 een brief van mr. Kesler van 16 juni 2014 met bijlagen.

De feiten

Partijen zijn [2007] met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk is geboren het navolgende minderjarige kind:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2008].

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door hen beiden op 17 december 2008 ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan. In dit convenant en ouderschapsplan zijn partijen, voor zover thans van belang, overeengekomen dat de man aan de vrouw, telkens op de eerste van de maand:
- als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 87,- bruto per maand zal betalen, en
- als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] € 404,- per maand.

Bij beschikking van 11 februari 2009 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op 12 februari 2009 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft die rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de inhoud van hiervoor bedoeld echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.

Ingevolge de wettelijke indexering belopen voormelde bijdragen met ingang van 1 januari 2014 respectievelijk € 96,99 per maand en € 450,38 per maand.

Het verzoek

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij convenant en ouderschapsplan overeengekomen en bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2009 vastgestelde kinder- en partneralimentatie te wijzigen en de bijdrage van de man aan de vrouw:
- in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van 1 februari 2014 nader

wordt vastgesteld op € 264,70 per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang

van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, en
- in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 februari 2014 nader wordt

vastgesteld op nihil, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum

als de rechtbank juist acht.


Hij stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu uit zijn huidige relatie een kind is geboren voor wie hij onderhoudsplichtig is. Zijn draagkracht dient over beide kinderen te worden verdeeld. Gelet op de inkomensverhouding van hem en zijn partner dient hij 80% van de kosten van hun kind te dragen. Dit betekent dat 35% van de beschikbare draagkracht van de man beschikbaar is voor [minderjarige 1]. Gezien zijn inkomsten en lasten is hij dan ook niet langer in staat de vastgestelde bijdragen te voldoen. Omdat de raadsman van de man de vrouw op 14 februari 2014 heeft meegedeeld dat de man van mening is dat zijn bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] dient te worden verlaagd en de partneralimentatie op nihil diende te worden gesteld, heeft de vrouw vanaf dat moment hiermee rekening kunnen houden.

Het verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel die verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

Primair is zij van mening dat de man nog steeds in staat moet worden geacht de thans geldende alimentatie te kunnen blijven betalen. De vrouw is van mening dat de helft van de draagkracht beschikbaar moet zijn voor [minderjarige 1]. Onduidelijk is waarom het nieuwe kind van de man voorrang zou moeten hebben op de behoefte van [minderjarige 1]. De partner van de man moet, gelet op de hoogte van haar inkomen, in staat worden geacht voor de helft te kunnen bijdragen in de kosten van het kind dat zij samen met de man heeft. Subsidiair refereert zij zich ten aanzien van de verzochte nihilstelling van de partneralimentatie.

De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

Nu de vrouw erkent dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwd onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt, kan de vrouw in haar verzoek worden ontvangen.

Ten aanzien van de behoefte van de vrouw

Niet in geschil is dat de vrouw behoefte heeft aan de thans geldende bijdrage van € 96,99 per maand, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

Ten aanzien van de behoefte van de minderjarige

Evenmin is in geschil dat de behoefte van [minderjarige 1] in 2009 is berekend op € 525,- per maand, zodat die behoefte eveneens in rechte vaststaat. Na indexering beloopt voormelde behoefte met ingang van 1 januari 2014 (afgerond) € 585,- per maand.

Deze behoefte vermindert de rechtbank vervolgens met het kindgebonden budget waarop de ouder bij wie het kind na het uiteengaan van partijen verblijft aanspraak kan maken. Niet weersproken is dat de vrouw thans voor [minderjarige 1] een kindgebonden budget ontvangt van € 84,- per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarig kind komt daarmee op € 501,- per maand.

Ten aanzien van de draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw uit van de navolgende gegevens.

De man heeft een relatie en woont samen met mevrouw [X], verder te noemen [X], die in eigen levensonderhoud voorziet. Uit de relatie van de man en [X] is op [2014] [minderjarige 2] geboren. De man heeft dit kind erkend. Blijkens de jaaropgaaf 2013 bedraagt het belastbare loon van de man € 52.850,-.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 2.903,- per maand.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Voor zover recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, zal de rechtbank de draagkracht van de man met dit bedrag verhogen.

Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 820,- per maand. Omdat de man aanspraak kan maken op fiscaal voordeel in verband met te betalen kinderalimentatie verhoogt de rechtbank de berekende draagkracht met een fiscaal voordeel van € 28,- per maand. De draagkracht van de man komt daarmee op € 848,- per maand.

Omdat de man zowel voor [minderjarige 1] als [minderjarige 2] onderhoudsplichtig is ziet de rechtbank aanleiding om de beschikbare draagkracht van de man over beide kinderen te verdelen.

Ten aanzien van de behoefte van [minderjarige 2]

Het NBI van de man bedraagt zoals hiervoor is overwogen € 2.903,- per maand. Het inkomen van [X] bedraagt volgens de als productie 8 bij verweerschrift overgelegde pro forma specificatie € 2.084,21 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Rekening houdend met het voorgaande en in aanmerking nemend de premie pensioenfonds arch.bur, de verschuldigde premieheffing, de voor haar geldende tarieven inkomstenbelasting, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, komt dit neer op een besteedbaar inkomen van € 1.772,- netto per maand.

Het gezamenlijk netto gezinsinkomen van de man en [X] bedraagt aldus € 4.675,- per maand. De rechtbank zal dit inkomen niet vermeerderen met een bedrag ter zake van kindgebonden budget, nu de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat de man en [X] daarop gelet op de hoogte van hun gezamenlijke verzamelinkomen geen aanspraak op kunnen maken. Wel ziet de rechtbank aanleiding om voormeld inkomen van de man en [X] te verminderen met de bijdrage die de man levert in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] van circa € 420,- netto per maand (na aftrek fiscaal voordeel), nu deze last een negatief effect heeft op het inkomen dat de man, [X] en [minderjarige 2] feitelijk ter beschikking stond. Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige 2] gaat de rechtbank daarom uit van een netto gezinsinkomen van € 4.255,- per maand.

Op basis van de tabel 2014 en voormeld netto gezinsinkomen van de man en [X] berekent de rechtbank de behoefte van [minderjarige 2] aan een bijdrage van haar ouders in ieder geval op het door de man in zijn verzoekschrift weergegeven bedrag van € 663,- per maand. Om redenen zoals hiervoor overwogen brengt de rechtbank op dit aandeel van de man en [X] in de kosten van [minderjarige 2] niet het kindgebonden budget in mindering, nu niet aannemelijk is dat zij hiervoor in aanmerking komen.

Ten aanzien van de draagkracht van [X]

Omdat niet alleen de man maar ook [X] onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 2] dient ook zij een bijdrage te leveren in de kosten van dit kind.

Zoals hiervoor onder de behoefte van [minderjarige 2] is weergegeven bedraagt het NBI van [X] € 1.772,- per maand. Op basis van de hiervoor voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van [X] op € 266,- per maand.

Ten aanzien van het aandeel van de man in kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

Omdat de draagkracht van de man onvoldoende is om volledig in de kosten van alle kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is te voorzien, ziet de rechtbank aanleiding om de beschikbare draagkracht van de man te verdelen naar rato van de behoefte van de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt respectievelijk € 501,- per maand en € 663,- per maand, ofwel totaal € 1.164,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt € 848,- per maand. Op grond van deze gegevens becijfert de rechtbank het aandeel dat de man van zijn draagkracht dient aan te wenden ter bestrijding van de kosten van [minderjarige 1] op € 365,- per maand ((501 / 1.164) x 848). Voor [minderjarige 2] resteert een draagkracht van € 483,- per maand ((663 / 1.164) x 848).

Bovenstaande leert dat de gezamenlijke draagkracht van de man van € 483,- per maand en [X] van € 266,- per maand voldoende is om in de kosten van hun gezamenlijke kind [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 2] vastgesteld op (afgerond) € 428,- per maand (483 : 749 x 663).

Van zijn draagkracht ten behoeve van [minderjarige 2] resteert aldus een bijdrage van € 55,- (483 minus 428) per maand. Dit restant laat de rechtbank, gelet op de voorrangsregel van kinderalimentatie, geheel ten goede komen aan [minderjarige 1]. De voor [minderjarige 1] beschikbare draagkracht komt daarmee op € 420,- per maand (365 + 55).

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige uit van de navolgende gegevens.

Blijkens de jaaropgaaf 2013 bedraagt het belastbare loon van de vrouw in dat jaar € 20.415,-.

Daarnaast zijn door de vrouw twee salarisspecificaties overgelegd over de periode 11 en 12 van 2013. Nu de op deze specificaties opgenomen bedragen echter reeds verwerkt zijn in het belastbare loon zoals op de jaaropgaaf 2013 weergegeven, zal de rechtbank voor de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van voormeld belastbaar loon van € 20.415,- per jaar.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 1.701,- per maand.

De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de vrouw op € 232,- per maand.

Ten aanzien van de draagkrachtvergelijking

Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen € 652,- (420 + 232) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte, die is vastgesteld op € 501,- per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de behoefte van [minderjarige 1] te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man vastgesteld op (afgerond) € 323,- per maand (420 : 652 x 501). Het aandeel van de vrouw stelt de rechtbank vast op (afgerond) € 178,- per maand (232 : 652 x 501).

Niet weersproken is dat de man gemiddeld drie dagen per week contact heeft met [minderjarige 1]. De man heeft dan ook aanspraak op een zorgkorting. Omdat niet in geschil is dat rekening gehouden dient te worden met een zorgkortingspercentage van 35, zal de rechtbank hier eveneens vanuit gaan. Nu de behoefte € 501,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 175,- per maand.

Aldus gerekend resteert een door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor [minderjarige 1] van € 148,- (€ 323,- minus de zorgkorting van € 175,-) per maand. Deze bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Ten aanzien van de draagkracht van de man voor partneralimentatie

Zoals hiervoor onder de draagkracht van de man voor kinderalimentatie is overwogen bedraagt het NBI van de man € 2.903,- per maand.

Bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de door de vrouw niet weersproken premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering) ad € 124,- per maand, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW ad € 39,- per maand.

De hypotheekrente van de woning van de man en [X] bedraagt € 1.141,- bruto per maand, de aflossing hypotheek/premie levensverzekering € 122,- per maand en het forfait overige eigenaarslasten € 95,-. Het eigenwoningforfait van hun woning bedraagt € 2.534,- per jaar. Omdat [X] in eigen levensonderhoud voorziet zal de rechtbank, bij de berekening van de draagkracht van de man zowel in het bruto traject als in het netto traject de helft van voormelde lasten in aanmerking nemen. Op het aandeel van de man brengt de rechtbank in mindering de reeds in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur van € 224,- per maand.

De rechtbank komt op grond van haar berekening waarbij rekening is gehouden met voormelde kinderalimentatie van € 323,- per maand, het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 2] van € 428,- per maand en het te realiseren fiscaal voordeel in verband met te betalen alimentatie, tot het oordeel dat de man voldoende draagkracht heeft voor betaling van de bij beschikking van 12 februari 2009 vastgestelde en bij echtscheidingsconvenant van 17 december 2008 overeengekomen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van (na indexering) € 96,99 per maand. De rechtbank zal daarom dit onderdeel van het verzoek van de man afwijzen.

Ten aanzien van de ingangsdatum

De vrouw heeft de door de man verzochte ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] weersproken, zodat de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de man zal beslissen.

Ten aanzien van de proceskosten

Nu partijen gewezen echtelieden zijn zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

1.

Wijzigt de bij ouderschapsplan van 17 december 2008 overeengekomen en bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 februari 2009 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2008],

en stelt die bijdrage met ingang van 1 februari 2014 op € 148,- (éénhonderdachtenveertig EURO) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M. Blankestijn, in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2014.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.