Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3775

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
08/770016-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan de diefstal van vijf fietsen en twee snorfietsen, plus heling van een fiets. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Als bijzondere voorwaarde stelt de rechtbank onder meer dat verdachte zich moet laten behandelen in een kliniek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770016-14

Datum vonnis: 20 juni 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

nu verblijvende in P.I. Overijssel, HvB Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 juni 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 26 februari 2014 tot en met 5 maart 2014 in de gemeente Enschede samen met anderen dan wel alleen, zes fietsen heeft gestolen, dan wel dat hij in die periode in de gemeente Enschede samen met anderen dan wel alleen, die fietsen heeft geheeld;

feit 2: hij op 26 februari 2014 in de gemeente Enschede samen met anderen dan wel alleen, een snorfiets heeft gestolen van [slachtoffer 1];

feit 3:

hij op 23 december 2013 in de gemeente Enschede samen met anderen dan wel alleen, een snorfiets (merk Tomos) heeft gestolen, dan wel dat hij in de periode van 23 december 2013 tot en met 6 maart 2014 in de gemeente Enschede samen met anderen dan wel alleen, (onderdelen van) die snorfiets heeft geheeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2014 tot en met 5 maart 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen nader te noemen fiets(en), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan nader te noemen rechthebbende(n), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen fiets(en) (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, en wel:

- op of omstreeks 26 februari 2014 (in/uit/bij de fietsenstalling station

Enschede-Drienerlo), een fiets merk Gazelle (framenummer [framenummer]),

toebehorende aan [slachtoffer 2] (zaak 4 * aangifte pag. 344/345), en/of

- op of omstreeks 27 februari 2014 (op/aan het Stationsplein) een fiets, merk

Gazelle (framenummer [framenummer]), toebehorende aan [slachtoffer 3],

(zaak 5 * aangifte pag. 354/356), en/of

- op of omstreeks 27 februari 2014 (in/uit de fietsenstalling op/aan het

Stationsplein), een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), toebehorende

aan [slachtoffer 4], (zaak 6 * aangifte pag. 365/367), en/of

- op of omstreeks 26 februari 2014 (op/aan de openbare weg, De Horst) een

fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), toebehorende aan [slachtoffer 5]

[slachtoffer 5], (zaak 7 * aangifte pag. 376/378), en/of

- op of omstreeks 28 februari 2014 (op/aan de S.L. Louwesstraat/ter hoogte van

het flatgebouw Stadsvelde) een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]),

toebehorende aan [slachtoffer 6], (zaak 8 * aangifte pag 387/388), en/of

- op of omstreeks 5 maart 2014 (op/aan De Hems) een fiets, merk Gazelle

(framenummer [framenummer]), toebehorende aan [slachtoffer 7], (zaak 9 * aangifte pag. 397/399);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks 26 februari 2014 tot en met 5 maart 2014 in de gemeente Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen

op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) een fiets te weten:

- een fiets merk Gazelle (framenummer [framenummer]), (zaak 4 * aangifte pag. 344/345), en/of

- een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), (zaak 5 * aangifte pag. 354/356), en/of

- een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), (zaak 6 * aangifte pag. 365/367), en/of

- een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), (zaak 7 * aangifte pag. 376/378), en/of

- een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), (zaak 8 * aangifte pag 387/388), en/of

- een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), (zaak 9 * aangifte pag. 397/399)

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een fietsenstalling aan het Colosseum heeft weggenomen een snorfiets (merk Gilera), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3.

hij op of omstreeks 23 december 2013 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander of anderen anders, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (op/aan Het Oogstplein staande) (snor)fiets (merk Tomos, framenummer [framenummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen (snor)fiets onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 3 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 23 december 2013 tot en met 6 maart 2014 in de gemeente Enschede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een of meer onderde(e)l(en) van een) (snor)fiets (merk Tomos, framenummer [framenummer]), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die/dat (onderde(e)l(en) van een) (snor)fiets wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(zaak 1 * aangifte pag. 306/307 - parketnummer 08/770016-14).

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte partieel wordt vrijgesproken van het onder feit 1 primair zesde gedachtestreepje ten laste gelegde. Wegens het overigens onder feit 1 primair en het onder de feiten 2 en 3 primair ten laste gelegde dient verdachte volgens de officier van justitie te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarde opname in de forensische verslavingskliniek (verder: FVK) Piet Roorda voor de duur van maximaal achttien maanden.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2014021597. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

5.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.1.1

ten aanzien van feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte het onder feit 1 primair, gedachtestreepje 1 tot en met 5 ten laste gelegde heeft gepleegd.

Als bewijsmiddelen gelden daarvoor:

1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juni 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv;

2. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 Sv, zijnde een afschrift van aangifte van [slachtoffer 2] van 27 februari 2014, blz. 344 en 345;

3. een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 27 februari 2014, blz. 354 t/m 356;

4. een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 11 maart 2014, blz. 365 t/m 367;

5. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 Sv, zijnde een afschrift van aangifte van [slachtoffer 5] van 1 maart 2014, blz. 376 t/m 378;

6. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 Sv, zijnde een afschrift van aangifte van [slachtoffer 6] van 1 maart 2014, blz. 387 en 388.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte van de onder gedachtestreepje 6 primair ten laste gelegde diefstal moet worden vrijgesproken, omdat zowel uit de verklaring van verdachte als uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten volgt dat de fiets van aangeefster [slachtoffer 7] reeds op 19 februari 2014 is aangetroffen in de kelderbox aan de [adres] te Enschede. Nu deze datum vóór de ten laste gelegde periode ligt, kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen van de ten laste gelegde diefstal van die fiets.

Het voorgaande leidt naar het oordeel van de rechtbank evenwel tot een bewezenverklaring van de subsidiair onder gedachtestreepje 6 ten laste gelegde opzetheling.

Als bewijsmiddelen gelden daarvoor:

7. het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juni 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv;

8. het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] van 6 maart 2014, blz. 397 t/m 399;

9. het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 7] van 27 maart 2014, blz. 400 en 401;

10. het proces-verbaal van bevindingen van 28 april 2014, blz. 404.

5.1.2

ten aanzien van feit 2

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft gepleegd.

Als bewijsmiddelen gelden daarvoor:

11. het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juni 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv;

12. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 Sv, zijnde een afschrift van aangifte van [slachtoffer 1] van 26 februari 2014, blz. 406 en 407.

5.1.3

ten aanzien van feit 3

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat verdachte het onder feit 3 primair ten laste gelegde heeft gepleegd.

Als bewijsmiddelen gelden daarvoor:

13. het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juni 2014, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv;

14. een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 Sv, zijnde een afschrift van aangifte van [slachtoffer 8] van 25 december 2013, blz. 306 en 307.

5.2

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair gedachtestreepje 6, is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder feit 1 primair gedachtestreepje 1 tot en met 5, feit 1 subsidiair gedachtestreepje 6, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair.

hij in de periode van 26 februari 2014 tot en met 5 maart 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen nader te noemen fietsen, toebehorende aan nader te noemen rechthebbenden, waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen fiets telkens onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, en wel:

- op 26 februari 2014 uit de fietsenstalling station Enschede-Drienerlo een fiets merk Gazelle (framenummer [framenummer]), toebehorende aan [slachtoffer 2] en

- op 27 februari 2014 aan het Stationsplein een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), toebehorende aan [slachtoffer 3], en

- op 27 februari 2014 uit de fietsenstalling aan het Stationsplein een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), toebehorende aan [slachtoffer 4], en

- op 26 februari 2014 aan de openbare weg De Horst een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), toebehorende aan [slachtoffer 5], en

- op 28 februari 2014 aan de S.L. Louwesstraat/ter hoogte van het flatgebouw Stadsvelde een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), toebehorende aan [slachtoffer 6];

1. subsidiair.

hij in of omstreeks 26 februari 2014 tot en met 5 maart 2014 in de gemeente Enschede een fiets, merk Gazelle (framenummer [framenummer]), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op 26 februari 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een fietsenstalling aan het Colosseum heeft weggenomen een snorfiets (merk Gilera) toebehorende aan

[slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

3 primair.

hij op 23 december 2013 in de gemeente Enschede met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aan Het Oogstplein staande snorfiets (merk Tomos, framenummer [framenummer]) toebehorende aan

[slachtoffer 8], waarbij verdachte die weg te nemen snorfiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair gedachtestreepje 1 tot en met 5, feit 1 subsidiair gedachtestreepje 6, feit 2 en feit 3 primair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 310, 311 en 416 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair gedachtestreepje 1 tot en met 5 en feit 2: telkens het misdrijf diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

ten aanzien van feit 1 subsidiair gedachtestreepje 6 en feit 3 primair: telkens het misdrijf opzetheling.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de bijzonder voorwaarde dat verdachte wordt opgenomen in de FVK Piet Roorda voor de duur van maximaal achttien maanden.

De verdediging heeft er voor gepleit om de duur van de behandeling te bepalen op twaalf maanden en de proeftijd te bepalen op twee jaren. Ook heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn meewerkende houding in het politieonderzoek.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft gedurende een periode van drie maanden samen met zijn mededader vijf fietsen op diverse plaatsen in Enschede gestolen. Ook heeft verdachte in Enschede twee snorfietsen gestolen en heeft hij een fiets geheeld. Niet alleen in de bewezenverklaarde periode maar volgens verdachte ook in de daarvoor liggende maanden, heeft verdachte op verschillende plaatsen in Enschede fietsen gestolen. Verdachte ging meestal samen met zijn mededader op pad en nam een slijptol op accu mee om fietsen te stelen, waarna verdachte de fietsen naar zijn heler bracht. Verdachte heeft in dat verband verklaard dat hij sinds april 2013 nagenoeg dagelijks fietsen heeft weggenomen, dat hij de fietsen naar de heler bracht en dat hij van de heler dan een bedrag voor de fiets kreeg. De hoogte van het bedrag was afhankelijk van de staat van de fiets en of deze nog voorzien was van een slot al dan niet met sleutel. In het bijzonder neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte stelselmatig fietsen heeft gestolen en dat hij de strafbare feiten enkel heeft gepleegd om op die manier inkomsten te genereren. Desgevraagd heeft verdachte verklaard dat het geld is opgegaan aan zijn verslaving (drugs en drank) en dat hij er luxe van heeft geleefd. Door het plegen van strafbare feiten wilde verdachte op een gemakkelijke manier aan geld komen. De rechtbank is van oordeel dat ook vermogensdelicten van deze omvang zeer vervelende feiten zijn en dat zij in het bijzonder voor de eigenaar van de gestolen (snor)fiets nadeel en overlast met zich mee brengen. De rechtbank rekent verdachte dit aan en is voorts van oordeel dat verdachtes handelen een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor diefstal van een fiets, die in geval van frequente recidive een gevangenisstraf van één maand inhouden.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 20 mei 2014 en met het uittreksel justitiële documentatie (strafblad) betreffende verdachte van 23 mei 2014, waaruit blijkt dat verdachte op 9 april 2014 onherroepelijk is veroordeeld voor diefstal en heling. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat klinische behandeling van verdachte wenselijk is, om de bij verdachte geconstateerde probleemgebieden als ADHD en overmatig alcohol- en drugsgebruik te behandelen. Daarnaast is ook hulpverlening en behandeling in de resocialisatiefase nodig om de nodige ondersteuning te kunnen bieden om de kans op herhaling van delictgedrag in de toekomst te verkleinen. Door de reclassering wordt daartoe geadviseerd om verdachte op basis van een reeds door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling te laten opnemen in de FVK Piet Roorda, dan wel een soortgelijke zorginstelling.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank zal deze straf ook opleggen. De rechtbank begrijpt dat verdachte opgenomen wil worden in de Piet Roordakliniek en gemotiveerd is voor opname. De rechtbank zal als bijzondere voorwaarde bij het op te leggen voorwaardelijke strafdeel bepalen dat verdachte dient te worden opgenomen in de FVK Piet Roorda en de duur van die opname zal de rechtbank bepalen op achttien maanden. De proeftijd zal de rechtbank bepalen op drie jaren.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van een bedrag van in totaal € 176,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het ontstaan van de schade.

[slachtoffer 5], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft eveneens zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van een bedrag van in totaal € 284,63.

Deze schade bestaat uit de posten:

  • -

    sloten op de gestolen fiets € 51,45;

  • -

    vervangende sloten € 66,20;

  • -

    premie nieuwe fietsverzekering € 143,00;

  • -

    kosten van vervangend OV-vervoer € 23,98.

9.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde] op het standpunt gesteld dat [benadeelde] in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het feit waarop de gevorderde schadevergoeding ziet niet aan verdachte is ten laste gelegd.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen en dat het gevorderde bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

9.1.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde] gesteld dat [benadeelde] in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] heeft de verdediging gesteld dat enkel de gevorderde kosten van de premie nieuwe fietsverzekering toegewezen dienen te worden. De overige kostenposten heeft de verdediging betwist.

9.1.3

Het oordeel van de rechtbank

- de vordering van [benadeelde]

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde] is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het feit waarop de gevorderde schadevergoeding ziet niet aan verdachte is ten laste gelegd. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

- de vordering van [slachtoffer 5]

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij in de vordering ontvankelijk is. De rechtbank acht de gevorderde premie nieuwe fietsverzekering en de vervangende reiskosten toewijsbaar, nu door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks deze schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 166,98.

De rechtbank zal niet bepalen dat dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente, nu de benadeelde partij geen wettelijke rente heeft gevorderd.

De overige gestelde schade komt niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure. De rechtbank zal de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens [slachtoffer 5] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 primair gedachtestreepje 4, is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57 en 63 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair gedachtestreepje 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 primair gedachtestreepje 1 tot en met 5, feit 1 subsidiair gedachtestreepje 6, feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair gedachtestreepje 1 tot en met 5, feit 1 subsidiair gedachtestreepje 6, feit 2 en feit 3 primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

    ten aanzien van feit 1 primair gedachtestreepje 1 tot en met 5, en feit 2: telkens het misdrijf diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldigen zich het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

ten aanzien van feit 1 subsidiair gedachtestreepje 6, en feit 3 primair: telkens het misdrijf opzetheling;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd voor de duur van maximaal achttien maanden zal laten opnemen in de FVK Piet Roorda, althans een soortgelijke zorginstelling, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats] aan de [adres] niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], wonende te [woonplaats] aan de [adres] van een bedrag van € 166,98;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor het meer of anders gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 gedachtestreepje 4, tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 166,98 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van drie dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. H. Stam en mr. M.C. Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2014.

Mr. Stam is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.