Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3736

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
07.663282-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 73-jarige vrouw uit Nieuwleusen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden wegens het meermalen mishandelen van de aan haar toevertrouwde pleegkinderen bij opvangtehuis De Loot in Nieuwleusen in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 07.663282-12 (P)

Datum vonnis: 8 juli 2014

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1940 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 11 maart 2014 en 24 juni 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Dankers en van hetgeen door verdachtes raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht. Verdachte is zowel op de zitting van 11 maart 2014 als op de zitting van 24 juni 2014 niet verschenen. Mr. Van Faassen heeft op beide zittingen verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer:

feit 1: mishandeling van een aan zijn zorg en opvoeding toevertrouwd kind, meermalen gepleegd;

feit 2: mishandeling van een aan zijn zorg en opvoeding toevertrouwd kind, meermalen gepleegd;

feit 3: mishandeling van een aan zijn zorg en opvoeding toevertrouwd kind, meermalen gepleegd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1

zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, (telkens) opzettelijk mishandelend de in gezinshuis De Loot opgenomen en aan haar zorg en/of opvoeding toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2001) meermalen, althans eenmaal, met de hand(en) heeft geslagen en/of met een houten of metalen kleerhanger en/of met een mattenklopper op en/of tegen zijn rug (onderrug) en/of zijn achterwerk (billen) heeft geslagen en/of met geschoeide voet(en) tegen zijn be(e)n(en) en/of achterwerk (billen)

heeft geschopt en/of getrapt, waardoor die [slachtoffer 1] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, (telkens) opzettelijk mishandelend de in gezinshuis De Loot opgenomen en aan haar zorg en/of opvoeding toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 1996) meermalen, althans eenmaal, met de hand(en) op en/of tegen haar lichaam en/of arm heeft geslagen en/of met een houten of metalen kleerhanger tegen haar rug heeft en/of achterwerk (kont) heeft geslagen en/of met een mattenklopper tegen haar achterwerk (kont) heeft geslagen en/of met een schoen op haar rug heeft geslagen en/of haar bij een oor heeft gepakt en/of (vervolgens) in het vastgepakte oor heeft geknepen en aan haar oor heeft meegesleurd en/of met geschoeide voet(en) tegen haar achterwerk (kont) heeft geschopt en/of getrapt, waardoor die [slachtoffer 2] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010 te Nieuwleusen, gemeente Daifsen, (telkens) opzettelijk mishandelend de in gezinshuis De Loot opgenomen en aan haar zorg en/of opvoeding toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum 4] 1997) meermalen, althans eenmaal, met de hand(en) en/of een houten of metalen kleerhanger en/of een mattenklopper en/of een schoen op en/of tegen zijn rug en/of benen en/of handen heeft geslagen en/of met geschoeide voet(en) tegen zijn be(e)n(en) heeft geschopt en/of getrapt, waardoor die [slachtoffer 3] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De vordering van de officier van justitie en het verzoek van de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feit, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie toewijzing met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd, met uitzondering van het door [slachtoffer 3] gevorderde bedrag van €458,92 aan materiële schade. Op dit punt dient de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zijn vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsman heeft, bij een bewezenverklaring van de feiten, primair verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, welk verweer hieronder bij de strafbaarheid van het feit zal worden besproken. Subsidiair heeft de raadsman, bij bewezenverklaring van de feiten, verzocht verdachte op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de raadsman verzocht de benadeelde partijen niet ontvankelijk te verklaren dan wel het gevorderde bedrag te matigen gezien de bijzondere omstandigheden van het geval.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig de inhoud van een op schrift gesteld en aan de rechtbank overgelegd requisitoir- op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat - kort samengevat- verdachte in de periode van
1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010 [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] meermalen heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het slaan van vorenbedoelde personen.

De officier van justitie heeft daartoe -kort samengevat- het volgende aangevoerd.

De verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] kunnen op grond van het rapport van de deskundige H. Otgaar van The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI), als betrouwbaar worden beschouwd. Behalve deze verklaringen kunnen de verklaringen van [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] voor het bewijs worden gebezigd. Van de overige zich in het dossier bevindende verklaringen is niet eenvoudig vast te stellen in hoeverre deze betrouwbaar zijn omdat er onderling veel over de zaak is gesproken en tevens in de media veel aandacht aan deze zaak is besteed. De verklaring van verdachte dient voor het bewijs buiten beschouwing te worden gelaten aangezien blijkens het rapport van het TMFI tijdens de ondervraging van verdachte bij de politie suggestieve technieken zijn toegepast die schadelijk kunnen zijn geweest voor het geheugen van verdachte. Daarbij heeft verdachte geen harde bekentenis afgelegd en is zij vaag gebleven over hetgeen zij zou hebben gedaan. De verklaring van [naam 4], de pleegdochter van verdachte, is van belang omdat zij belastend over verdachte heeft verklaard, ondanks dat zij een goede band met verdachte heeft en tot op heden contact met haar heeft gehouden. Gelet op de verklaring van [naam 4], die voor de overtuiging in deze zaak van belang is, dient verdachte te worden vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging inhoudende dat verdachte bij het mishandelen gebruik van attributen, waaronder een klerenhanger of een mattenklopper, heeft gemaakt. [naam 4] heeft tot 2007 op de Loot verbleven en heeft verklaard dat verdachte “later” , dus na 2007, niet meer met attributen heeft geslagen.

De raadsman heeft zich- overeenkomstig de inhoud van een op schrift gesteld en aan de rechtbank overgelegde pleitnotitie, op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 3 ten laste gelegde, het slaan met de hand, bewezen kan worden verklaard, alsmede dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daartoe -kort samengevat - aangevoerd:

Het feit dat er veel media aandacht voor deze zaak is geweest en er veel onderling over deze zaak is gesproken, heeft de verklaringen van de getuigen en aangevers aantoonbaar beïnvloed. Daarbij is het opvallend dat veel getuigen de auditu hebben verklaard. Blijkens de conclusies in het rapport van het TMFI dient in beginsel zeer terughoudend met de zich in het dossier bevindende verklaringen om te worden gegaan. Opvallend is dat zowel tijdens het verhoor van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3], niet is doorgevraagd op die verklaringen die op het ten laste gelegde betrekking hebben. Verder zijn weinig tot geen details aan de aangevers gevraagd en hebben aangevers weinig details gegeven. Daarbij is er veelal sprake van persoonsverwisseling en is het vermoeden dat de verklaringen op sommige punten zijn aangedikt. De conclusie van de deskundige Otgaar in het TMFI rapport dat wat betreft de verklaringen van de aangevers is vast te stellen dat consistent is verklaard, is niet veelzeggend aangezien consistent verklaren niet per definitie betekent dat tevens conform de waarheid is verklaard. Daarbij zijn er in het dossier veel verklaringen gevoegd die tegenover de belastende verklaringen kunnen worden gezet. Resumerend dient op grond van het voorgaande met de verklaringen, waaronder de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en
[slachtoffer 2], terughoudend te worden omgegaan. Dit geldt eveneens voor de verklaring van verdachte, waarvan door het TMFI is geconcludeerd dat de suggestieve technieken die bij de ondervraging zijn gebruikt schadelijk kunnen zijn voor het geheugen van verdachte. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is geweest van het uitdelen van corrigerende tikken met de hand met betrekking tot [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en dat op dat punt een bewezenverklaring kan volgen.

Voor het onder 2 ten laste gelegde feit is gelet op het voorgaande, en de omstandigheid dat verdachte heeft ontkend [slachtoffer 2] te hebben geslagen, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op dinsdag 20 maart 2012 is bij het politieteam Dalfsen/Ommen een melding binnengekomen dat er mishandelingen zouden zijn gepleegd in opvanghuis De Loot te Nieuwleusen in de periode tot 2010. Meldster van vorenstaande was [naam 5], een medewerkster van stichting Avelijn. Zij verklaarde dat haar cliënt [naam 6] haar had verteld dat haar kinderen genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden mishandeld op de De Loot. Later heeft ook [naam 7], opa van [slachtoffer 3] van mishandelingen van zijn kleinzoon op de De Loot melding gemaakt.

Het gezinshuis De Loot is een opvangadres voor pleegkinderen en is verbonden aan Stichting de Terebint, die vanuit een een christelijke visie en grondslag werkt. De bij de onderhavige zaak betrokken kinderen zijn toentertijd door de William Schrikker Groep (WSG), een landelijk werkende instelling voor jeugdbescherming, ondergebracht bij De Loot. Verdachte is in 1984, nadat ze jarenlang in de verpleging had gewerkt, waaronder laatstelijk als hoofd verpleging op een kinderafdeling in een ziekenhuis, bij De Loot terechtgekomen, aanvankelijk als bewoner, toen zij in een depressie verkeerde. Verdachte heeft vervolgens op basis van een contract met de WSG bij De Loot een rol als pleegmoeder op zich genomen en heeft in de daarop volgende jaren vele kinderen, waaronder [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], onder haar hoede gehad. Verdachte is in oktober 2010 naar Zuid-Afrika vertrokken. Vanaf dat moment zijn [naam 2] en [naam 1] op De Loot gaan werken met het uiteindelijke doel dat zij de zorg over de pleegkinderen van -onder meer- verdachte zouden overnemen. In die periode is naar voren gekomen dat -onder meer- verdachte een aantal kinderen die op De Loot verbleven zou hebben mishandeld. Vervolgens is hier in de media veel aandacht voor geweest en zijn er meerdere onderzoeken, ook vanuit de WSG, naar mogelijke misstanden op De Loot gestart. In mei en juni 2012 is tegen verdachte respectievelijk door [naam 6] aangifte gedaan van mishandeling gepleegd ten opzichte van haar kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en door [naam 7] -onder meer- terzake van de mishandeling van zijn kleinzoon [slachtoffer 3].

Verdachte wordt -kort samengevat- verweten dat zij [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] tijdens hun verblijf bij De Loot te Nieuwleusen in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010, terwijl zij al dan niet aan haar zorg en opvoeding waren toevertrouwd, heeft mishandeld. Deze mishandelingen zouden hebben bestaan uit het slaan met de hand(en) of met een houten of metalen kleerhanger en/of met een mattenklopper op en/of tegen zijn/haar rug (onderrug) en/of zijn/haar achterwerk (billen) en uit het met geschoeide voet(en) tegen zijn/haar bete)n(en) en/of achterwerk (billen) schoppen/trappen.

[slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn in juni 2012 bij de politie door middel van een studioverhoor verhoord. De tijdens die verhoren afgelegde verklaringen zijn door het TMFI op betrouwbaarheid onderzocht. Daarvan is een rapport opgemaakt, d.d. 23 juli 2013.

De rechtbank overweegt terzake deze verklaringen en de inhoud van het rapport als volgt.

In het rapport van het TMFI is over de wijze waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden het volgende vermeld.

Ofschoon het vaak wordt aangenomen, bestaat er geen betrouwbare en valide

gestandaardiseerde methode om de betrouwbaarheid van verklaringen te toetsen. (..)

Wat kan de getuige-deskundige dan wel doen om een uitspraak te doen

over de betrouwbaarheid van verklaringen? De getuige-deskundige kan het dossier

onderzoeken op de aanwezigheid van elementen waarvan wetenschappelijk

onderzoek laat zien dat ze de betrouwbaarheid van verklaringen ernstig kunnen

schaden (bijv. suggestieve vragen, ooggetuigen die met elkaar praten). Bovendien

is het belangrijk om de ontstaansgeschiedenis van de eerste verklaring in kaart te

brengen. Hier kan bijvoorbeeld gekeken worden of de eerste verklaring spontaan tot

stand kwam of door middel van (suggestieve) druk. Ook dient onderzocht te worden

of een ander - alternatief- scenario dan het scenario dat in beginsel wordt

aangenomen (het scenario dat uitgaat van de betrouwbaarheid van de

verklaringen) de getuigenverklaringen beter voorspelt.(..)

Om de betrouwbaarheid van een verklaring in kaart te brengen, dienen drie

aspecten in acht te worden genomen: accuraatheid, consistentie en volledigheid.

Deze drie aspecten hoeven niet met elkaar in de pas te lopen. Accuraatheid is de

mate waarin de verklaringen overeenkomen met wat er in werkelijkheid heeft

plaatsgevonden. Een verklaring is minder accuraat wanneer er sprake is van

commissiefouten of pseudo-herinneringen, waarbij gebeurtenissen worden

beschreven die niet hebben plaatsgevonden. Consistentie verwijst naar de mate

waarin bij verschillende gelegenheden hetzelfde verhaal wordt verteld, Volledigheid

heeft betrekking op de mate waarin alle perifere en centrale details van een

gebeurtenis worden beschreven. Om de volledigheid te bepalen wordt veelal

gekeken naar omissiefouten. (..)

Het spreekt voor zich dat de accuraatheid en de volledigheid van de

verklaringen in een zaak niet onomstotelijk te bepalen zijn. Hiervoor zou de waarheid

in een zaak al bekend moeten zijn, en dat is vrijwel nooit het geval.

Binnen het recht wordt grote waarde gehecht aan het identificeren van

inconsistenties in de verklaringen van een verdachte of getuige. Deze zouden een

sterke indicatie zijn voor de mate van onbetrouwbaarheid van de verdachte of

getuige in het geheel. (..) Ook is het belangrijk om te vermelden dat in zaken met meerdere getuigen en slachtoffers het idee vaak bestaat dat consistente verklaringen tussen getuigen

en slachtoffers een sterke indicatie zijn van betrouwbaarheid. Ook hier geldt dat

getuigen en slachtoffers die onderling consistente verklaringen afleggen niet per

definitie betrouwbare verklaringen afleggen. (..)

Bij de beoordeling van de verklaringen is door de deskundige aandacht besteed aan de wijze waarop de eerste verklaring van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] tot stand zijn gekomen. Het rapport vermeldt dat deze eerste verklaring belangrijke informatie bevat want onderzoek laat zien dat kinderen en volwassenen accurater zijn als ze door middel van open vragen worden gëinterviewd en als ze spontaan over een gebeurtenis praten dan wanneer ze met gesloten vragen worden verhoord. Verder dient te worden onderzocht of er elementen (bijvoorbeeld suggestieve vragen) aanwezig zijn geweest rondom het afleggen van de eerste verklaring die ervoor gezorgd kan hebben dat de betrouwbaarheid van de verklaring ernstig is geschaad, aldus het rapport.

In het proces-verbaal van politie is te lezen dat zowel [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3] voor het eerst tegenover [naam 1] en [naam 2] over de gestelde mishandeling hebben gepraat. In oktober 2007 is verdachte voor 6 weken naar Afrika gegaan. Uit de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] blijkt dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in die periode [naam 2] hebben benaderd en haar over de gestelde mishandelingen door verdachte hebben geïnformeerd. Volgens de kinderen zou verdachte hen onder andere hebben geslagen met een kleerhanger, mattenklopper en met de hand. [naam 2] heeft hierover - onder meer- verklaard:

“Toen de kinderen er achter kwamen dat zij (hiermee wordt bedoeld

[verdachte]) bijna terug zou komen van vakantie kwam [slachtoffer 3] samen met [slachtoffer 1] bij mij. Ze

moesten mij wat vertellen. [slachtoffer 3] barstte in huilen uit en zei dat hij liever niet wou dat

[verdachte] terug zou komen van vakantie, Ik vroeg waarom niet. Hij zei dat het zo veel

fijner was. Hij zei dat ze veel geslagen werden en bang voor haar waren”.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] hebben hun verhaal voor het eerst aan [naam 2] verteld. De dag erna heeft [slachtoffer 2] samen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] haar verhaal bij [naam 2] gedaan.

Ten aanzien van deze eerste verklaringen heeft de deskundige in het rapport het volgende geconcludeerd.

Wat betreft de eerste verklaring van [slachtoffer 2]:

Op basis van het dossier wordt echter niet duidelijk hoe die verklaring van [slachtoffer 2] tot stand kwam. (..) Volgens de verklaring van [naam 2] is het onwaarschijnlijk dat er sprake was

van een hoge mate van suggestieve druk. (..) Hoewel het precieze gesprek onduidelijk is, lijken de vragen niet suggestief te zijn geweest (“Ik vroeg waarom niet”). (..) Op basis van het dossier kan worden geconcludeerd dat hoewel het lijkt alsof [slachtoffer 2] redelijk spontaan over de vermeende mishandeling heeft gesproken, het niet zeker is hoe de gesprekken precies zijn verlopen. Ook is het onwaarschijnlijk dat er veel suggestieve druk heeft meegespeeld tijdens de gesprekken.

Wat betreft de eerste verklaring van [slachtoffer 1]:

Zoals eerder vermeld is het onduidelijk hoe die gesprekken verliepen en wat er precies is gezegd. [slachtoffer 1] zou rond die periode 9 jaar zijn, en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] respectievelijk 13 en 14 jaar oud. Het is mogelijk dat vanwege zijn jonge leeftijd hij minder heeft gezegd over de vermeende mishandeling. Dit past bij de verklaring van [naam 2] die stelt dat [slachtoffer 3] moest huilen toen ze bij [naam 2] waren en dat [slachtoffer 3] zei dat [verdachte] hen sloeg. Net als bij de waarschijnlijk eerste verklaring van [slachtoffer 2], lijkt het dat [slachtoffer 1] spontaan over het vermeende voorval heeft gesproken en is het niet erg aannemelijk dat er stevige suggestieve druk tijdens die gesprekken plaatsvond.

Wat betreft de eerste verklaring van [slachtoffer 3]:

Zoals eerder is vermeld, wordt de indruk gewekt dat [slachtoffer 3] spontaan tegen [naam 2] zegt dat hij wordt geslagen door [verdachte]. Ook lijkt het niet zo te zijn dat hij onderworpen is geweest aan suggestieve vragen tijdens de gesprekken met [naam 2]. Het is aannemelijk dat het beeld met betrekking tot zijn eerste verklaring overeenkomt met het beeld dat hoort bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]: de verklaring is waarschijnlijk spontaan tot stand gekomen en er lijkt geen sprake te zijn geweest van sterke suggestieve druk. (..)

Voorts heeft de deskundige bij zijn betrouwbaarheidsonderzoek de verklaringen, zoals door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] tijdens een studioverhoor zijn afgelegd, beoordeeld.

De deskundige stelt dat het verhoor van een kind volgens de regels der kunst uit de volgende onderdelen moet bestaan:

1) een kennismakingsfase waarin de interviewer zichzelf voorstelt en aangeeft dat kinderen mogen aangeven dat ze iets niet weten;

2) een fase waarin de verhoorder ervoor zorgt dat de kinderen zich op hun gemak voelen (door bijv. te praten over een neutrale gebeurtenis);

3) een fase waarin door middel van open vragen kinderen worden geïnterviewd over de gebeurtenis in kwestie (bijv. seksueel misbruik, mishandeling).

De deskundige Otgaar heeft ten aanzien van deze verklaringen als volgt gerapporteerd.

Wat betreft de verklaring van [slachtoffer 2]:

De verhoorder heeft de 3- stappen indeling zoals hierboven aangehaald grofweg overgenomen (er wordt echter niet over een neutrale gebeurtenis gesproken). Het verhoor is dus grotendeels volgens de vigerende standaarden verlopen. Een enkele keer wordt er een vraag gesteld met een ietwat suggestief karakter. Hoewel het gebruik van dergelijke suggestieve wenken wordt afgeraden, lijkt deze suggestie in dit verhoor geen sterk negatief effect te hebben gehad op de verklaringen van [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] verklaart namelijk direct na de eerste open vraag dat [verdachte] haar sloeg met een mattenklopper, een kleerhanger of schoen. (..)

Concluderend kan gesteld worden dat het studioverhoor op een vrij correcte manier is afgenomen (m.u.v. het gebruik van gesloten vragen en een enkele suggestieve vraag) en dat [slachtoffer 2] consistent verklaart over dat zij zou zijn geslagen door [verdachte].

Wat betreft de verklaring van [slachtoffer 1]:

Als de interviewer begint met het daadwerkelijke verhoor over de vermeende mishandeling wordt er een open vraag gesteld (“ Vertel eens uit jezelf, wat heb jij daar meegemaakt”?) [slachtoffer 1] antwoordt hierop dat hij elke dag werd geslagen met een kleerhanger en mattenklopper. Dit strookt met het beeld dat [naam 2], [naam 1] en [slachtoffer 2] (al heeft [slachtoffer 2] het eveneens over een schoen) ook schetsten. (..)

Concluderend kan gezegd worden dat het studioverhoor op een correcte

manier is afgenomen en dat [slachtoffer 1] waarschijnlijk consistent verklaart over dat hij zou

zijn geslagen door [verdachte].

Wat betreft de verklaring van [slachtoffer 3]:

Samenvattend kan gezegd worden dat hoewel het huidige verhoor op een aantal onderdelen op een correcte wijze is afgenomen (introductiefase, open vragen), werd wel aan het begin van het verhoor een suggestieve vraag gesteld. Het is echter onwaarschijnlijk dat deze suggestieve vraag een sterk negatief effect heeft gesorteerd op de verklaringen van [slachtoffer 3]. Bovendien is [slachtoffer 3] consistent dat hij werd geslagen door [verdachte].

Als algehele conclusie is in het rapport onder meer het volgende opgenomen:

Op basis van het dossier kan ik concluderen dat het er elementen in het dossier zijn die pleiten voor de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Echter, er moet ook rekening gehouden worden met een scenario dat ervan uitgaat dat sommige details in de verklaringen kunnen zijn aangedikt en/of gefabriceerd. Redenen hiervoor zijn onder andere: het onderling praten van getuigen, de invloed van de media en persoonsverwisseling.

De rechtbank stelt vast dat de deskundige Otgaar bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen, zoals in de inleiding is genoemd, meer op het criterium consistentie van de verklaringen en minder op de criteria accuraatheid en met name volledigheid van de verklaringen heeft gelet. De rechtbank heeft geconstateerd dat door [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] tijdens het studioverhoor weinig tot niet over de details van de tenlastegelegde mishandelingen is verklaard, te weten -onder meer- over wanneer, waar, hoe vaak en op welke wijze de mishandelingen zouden hebben plaatsgevonden. Verbalisanten hebben daar nauwelijks over doorgevraagd. De rechtbank acht het een gemis dat de deskundige dit door hem opgeworpen maar verder niet besproken aspect niet nader bij zijn onderzoek heeft betrokken. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat de verklaringen mogelijk als minder volledig dienen te worden aangemerkt hetgeen gevolgen zou kunnen hebben voor de betrouwbaarheid. De omstandigheid dat een verklaring consistent is, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat een verklaring derhalve naar waarheid is afgelegd, te meer nu de deskundige in de inleiding van het rapport heeft vermeld dat in een zaak met meerdere slachtoffers en getuigen, zoals de onderhavige, het afleggen van consistente verklaringen niet per definitie meebrengt dat deze verklaringen betrouwbaar zijn.

De rechtbank ziet hierin aanleiding om de verklaringen ten aanzien van de aspecten volledigheid en accuratesse met enige terughoudendheid te beschouwen.

Vorenstaande kanttekeningen zijn echter geen aanleiding om de deskundige niet te volgen in diens conclusie dat er elementen zijn in het dossier die pleiten voor de betrouwbaarheid van de verklaringen. Tot de bedoelde elementen wordt naast consistentie ook spontantiteit gerekend. De rechtbank kent op dit punt belangrijke betekenis toe aan het feit dat de drie slachtoffers uit zichzelf met hun verklaring over de mishandeling naar buiten zijn gekomen, door dit aan [naam 2] te vertellen, en dat ten aanzien van deze ‘eerste verklaringen’ door de deskundige is geconcludeerd dat er op dat moment van suggestieve druk geen sprake is geweest.

De verklaring van verdachte zoals deze bij de politie is afgelegd is eveneens aan een betrouwbaarheidsonderzoek onderworpen. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de deskundige de volgende conclusie getrokken:

Concluderend kan gesteld worden dat hoewel [verdachte] toegeeft de kinderen wel eens te hebben geslagen, de verhoren meerdere suggestieve technieken bevatten die schadelijk zouden kunnen zijn voor het geheugen van [verdachte].

De rechtbank overweegt dat verdachte tijdens haar eerste verhoor bij de politie, weergegeven op pagina 78 en 79 van het proces-verbaal, voor het eerste verklaart over de tenlastegelegde mishandelingen. Het betreft de volgende alinea:

“(..) Maar ik heb ze heus wel een klap gegeven, hoor, ik zeg het eerlijk, ik wil niet, ik wil niet dat het uh, nou er is nooit was gebeurd of wat dan ook. Nee, ik wil gewoon eerlijk daarin zijn”.

De rechtbank constateert dat voorafgaand aan deze verklaring geen suggestieve of sturende vraag door de verbalisant is gesteld, op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat deze verklaring van verdachte onbetrouwbaar zou zijn omdat het geheugen van verdachte schade zou zijn toegebracht. Dit geldt eveneens voor de verklaring van verdachte op het punt dat zij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] met de klerenhanger zou hebben geslagen. Verdachte heeft verklaard (pagina 162 en 163 van het proces-verbaal) dat ze met de klerenhanger heeft geslagen en heeft vervolgens, na de vraag van de verbalisant “wie wel? “uit zichzelf verklaard dat dit [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn geweest. Vervolgens heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank gedetailleerd verklaard (op pagina 166 en verder) op welke wijze, met welke klerenhanger, in welke situatie en op welke plek met de klerenhanger is geslagen.. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op deze punten betrouwbaar, te meer nu deze ook wordt ondersteund door de verklaring van de slachtoffers. De rechtbank zal de genoemde passages van de verklaring van verdachte voor het bewijs bezigen.

De verklaring van [naam 4], de pleegdochter van verdachte, zal de rechtbank om meerdere redenen buiten beschouwing laten. Allereerst is de verklaring van [naam 4] niet duidelijk te plaatsen in de tijd. [naam 4] heeft verklaard dat zij 16 jaar oud was toen ze heeft gezien dat de drie slachtoffer door verdachte werden geslagen. Gezien de omstandigheid dat [naam 4] op
[geboortedatum 5] 1985 is geboren, heeft deze verklaring kennelijk betrekking op een periode voorafgaand aan de ten laste gelegde periode, te weten omstreeks het jaar 2001. De aangevers zijn echter in 2003 op De Loot komen wonen. Voorts heeft [naam 4] verklaard dat verdachte eerst wel de kinderen met attributen sloeg, zoals een mattenklopper en een wandelstok, maar dat dit “later” niet meer gebeurde. Naar het oordeel van de rechtbank geeft dit deel van de verklaring van [naam 4] onvoldoende reden van wetenschap ten aanzien van feiten in de tenlastegelegde periode. Voorts heeft [naam 4] blijkens haar verklaring in 2007 De Loot verlaten en heeft zij aldus over de periode van 2007 tot en met 31 oktober 2010 niets kunnen verklaren.

In het algemeen kan geconstateerd worden dat de onderzoeken die verschillende personen en instanties, buiten de politie om, naar de vermeende misstanden binnen De Loot en de Terebint hebben verricht, de nodige ruis in het politieonderzoek hebben veroorzaakt. Van een groot deel van de verklaringen die zich in het dossier bevinden is niet of nauwelijks vast te stellen hoe ze tot stand zijn gekomen, in hoeverre er sprake is geweest van beïnvloeding van buitenaf en of ze betrouwbaar zijn.

De rechtbank zal, gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, voor het bewijs zich beperken tot de verklaringen van de slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], van verdachte, [naam 2] en [naam 1], zoals in de bijlage is opgenomen. Deze verklaringen komen in grote lijnen met elkaar overeen, ondersteunen elkaar en zijn naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar. Op grond van deze verklaringen kan wettig en overtuigend bewezen worden dat - kort samengevat- verdachte [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] meermalen met de hand en/of klerenhanger heeft geslagen. De omstandigheid dat verdachte heeft ontkend [slachtoffer 2] te hebben geslagen maakt dit niet anders, nu ten aanzien van diens verklaring eveneens steunbewijs in de verklaring van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [naam 2] en [naam 1] te vinden is. De rechtbank overweegt dat, gelet op de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] er niet enkel sprake van is geweest dat verdachte corrigerende tikken heeft uitgedeeld, zoals door de raadsman is bepleit. Vast is komen te staan dat de slachtoffers soms meerdere malen op een dag door verdachte werden geslagen in een situatie waar van opvoedkundig corrigeren, wat daar verder ook van zij, geen sprake was. Daarbij blijkt uit de verklaringen van de slachtoffers dat zij door deze klappen, met name die werden toegebracht met de klerenhanger, pijn hebben ondervonden en ook letsel bij hen is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve van mishandeling sprake geweest.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

zij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, opzettelijk mishandelend de in gezinshuis De Loot opgenomen en aan haar zorg en opvoeding als behorende tot haar gezin toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2001, meermalen met de hand(en) heeft geslagen en/of met een houten of metalen kleerhanger tegen zijn rug (onderrug) en/of zijn achterwerk (billen) heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

zij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, opzettelijk mishandelend de in gezinshuis De Loot opgenomen en aan haar zorg en opvoeding als behorende tot haar gezin toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3] 1996, meermalen met de hand(en) op en/of tegen haar lichaam en/of arm heeft geslagen en/of met een houten of metalen kleerhanger tegen haar rug en/of achterwerk (kont) heeft geslagen waardoor die [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

zij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, opzettelijk mishandelend de in gezinshuis De Loot opgenomen en aan haar zorg en opvoeding als behorende tot haar gezin toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum 4] 1997, meermalen met de hand(en) en/of een houten of metalen kleerhanger tegen zijn rug en/of benen en/of handen heeft geslagen,

waardoor die [slachtoffer 3] (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat gezien de omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden, met name dat verdachte voor meerdere kinderen met gedragsproblemen heeft gezorgd terwijl zij er alleen voorstond, de wederrechtelijkheid heeft ontbroken. De raadsman heeft geconcludeerd dat dit tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te leiden.

De rechtbank begrijpt in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd dat hij een beroep doet op (relatieve) overmacht. Voor een geslaagd beroep op relatieve overmacht dient er sprake te zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat verdachte zich heeft gebracht in een situatie waarin die drang op haar is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep.

De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat verdachte, ten tijde van de ten laste gelegde feiten, de zorg over meerdere kinderen heeft gehad, van wie een aantal met gedragsproblemen. Hoewel er behalve verdachte nog meer personen op De Loot werkzaam waren, kan vastgesteld worden dat wat betreft de zorg en opvoeding van deze kinderen veel op de schouders van verdachte terecht is gekomen. Dat er situaties zijn ontstaan waarbij verdachte genoodzaakt was om opvoedkundig op te treden en de orde heeft moeten handhaven, is zeer aannemelijk en inherent aan het pleegmoederschap. Er is echter geen plaats voor het oordeel dat verdachte door de gegeven omstandigheden in een situatie van relatieve overmacht is gekomen waardoor het feit dat zij de slachtoffers heeft mishandeld, te rechtvaardigen is.

Allereerst had verdachte, vanaf het moment dat het haar duidelijk moet zijn geworden dat zij de zorg over en de opvoeding van de kinderen niet meer aankon omdat dit, zoals kennelijk door de verdediging is gesteld, de mishandeling van de slachtoffers tot gevolg had, dit bij de WSG of de Terebint moeten aangeven zodat zij zou kunnen worden ontlast. Verdachte heeft echter zelf verklaard dat, hoewel het voorkwam dat de zorg voor een groot aantal kinderen met gedragsproblemen veel van haar vroeg, zij het niet nodig vond om hiervan melding te maken omdat zij het naar eigen zeggen aankon. Verdachte heeft aldus voor zichzelf de afweging gemaakt het pleegmoederschap te blijven vervullen. Zij heeft daarbij geaccepteerd dat dit gepaard zou gaan met het slaan van de slachtoffers, hetgeen soms dagelijks heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft zich daardoor naar het oordeel van de rechtbank zelf in een situatie gebracht en gehouden waarin de hiervoor gestelde drang en druk op haar is uitgeoefend. Daar komt bij dat uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat, ook in gevallen waarin daar helemaal geen aanleiding toe bestond, en van vorenbedoelde drang of druk geen sprake was, verdachte hen heeft geslagen. Onder deze omstandigheden kan van relatieve overmacht naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn. Het verweer zal worden verworpen.

In de tenlastelegging is opgenomen dat de slachtoffers aan verdachtes zorg en opvoeding waren toevertrouwd. De rechtbank stelt, mede op grond van het requisitoir van de officier van justitie, vast dat deze zinsnede is gebaseerd op de in artikel 304, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bedoelde strafverzwarende omstandigheid te weten dat het misdrijf is begaan tegen “een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin”. De rechtbank constateert echter dat het laatste deel van de zinsnede luidende “als behorend tot zijn gezin”, niet in de tenlastelegging is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging op dit punt niet zodanig geïnterpreteerd kan worden dat het niet expliciet opgenomen bestanddeel, zoals hiervoor bedoeld, alsnog wordt ingelezen. De rechtbank zal het bewezenverklaarde derhalve enkel kwalificeren als mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 300 Sr.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

Mishandeling, meermalen gepleegd.

feit 2

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Feit 3

Mishandeling, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte heeft geen medewerking willen verlenen aan een persoonlijkheidsonderzoek, zodat de rechtbank haar ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten als geheel toerekeningsvatbaar zal beschouwen. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Bewezen is verklaard dat verdachte zich in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 oktober 2010 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van drie kinderen die aan haar zorg en opvoeding waren toevertrouwd. Deze kinderen verbleven in die periode in opvangtehuis “De Loot’ alwaar verdachte als pleegmoeder van onder meer deze kinderen aangesteld was. Verdachte had de verantwoordelijkheid om voor deze kinderen, die allen uit moeilijke gezinssituaties kwamen en van verdachte als hun pleegmoeder afhankelijk waren, een veilige woonomgeving te creëren. Dat verdachte daarentegen een gevoel van angst en onveiligheid bij hen teweeg heeft gebracht door de kinderen, soms dagelijks, al dan niet met een kleerhanger, te slaan, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. In haar wil tot corrigeren heeft verdachte de grenzen overschreden. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen is gebleken dat het verblijf op De Loot, en dan met name de mishandelingen gepleegd door verdachte, tot op de dag van vandaag sporen in het leven van de slachtoffers hebben achtergelaten en een traumatiserende uitwerking hebben gehad.

Verdachte is, met een achtergrond als hoofdverpleegkundige, vanaf de jaren 1980 als pleegmoeder onder contract bij de WSG bij De Loot gaan werken. Naar haar eigen zeggen is er in alle jaren dat zij bij De Loot heeft gewerkt nooit een vorm van toetsing, toezicht of evaluatie vanuit de WSG, De Raad voor de Kinderbescherming of een andere officiële instelling geweest. Blijkens het rapport van de reclassering van 25 april 2014 lijkt het er volgens de reclassering op dat verdachte zich dermate verantwoordelijk heeft gevoeld dat ze haar eigen grenzen heeft verruimd op momenten dat ze “nee “ had moeten zeggen tegen plaatsingsverzoeken van de WSG. Daar staat echter tegenover dat verdachte zelf ook aan de bel had kunnen en moeten trekken op het moment dat zij tot het grensoverschrijdende gedrag is overgegaan, maar zij heeft dit naar eigen zeggen niet gedaan omdat zij van mening was dat zij nog geschikt was om voor de kinderen te zorgen.

Over verdachte is geen NIFP rapport opgesteld omdat zij daar geen medewerking aan heeft willen verlenen. De reclassering heeft in het eerder bedoelde rapport geconcludeerd dat er van psychische problematiek geen sprake is. Verdachte is op dit moment 73 jaar oud, gepensioneerd en woonachtig in Nieuwleusen in een appartement. Verdachte kampt, naast andere medische problemen, met chronische hartklachten, waaraan ze geopereerd is en waarvan ze herstellende is. Vanwege deze problemen heeft zij niet bij de behandeling van haar zaak aanwezig kunnen zijn. De kans op recidive wordt door de reclassering gezien verdachtes leefomstandigheden op nihil geschat. In de houding van verdachte is vooral veel verdriet te bespeuren dat ze na 28 jaar op een teleurstellende manier bij De Loot moest vertrekken. De reclassering heeft zich verder van advies onthouden.

Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft ter zake van artikel 300 juncto 304 Sr oriëntatiepunten opgenomen. De rechtbank zal deze oriëntatiepunten gezien het bijzondere karakter van de onderhavige zaak buiten beschouwing laten. De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de gevolgen die de mishandelingen voor de slachtoffers hebben gehad. Tevens wordt rekening gehouden met de persoon van verdachte, waaronder het feit dat zij first offender is, zij op leeftijd is en met ernstige gezondheidsklachten kampt. Alles overwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware straf en een werkstraf gezien verdachtes gezondheidstoestand niet uitvoerbaar. Een schuldigverklaring zonder oplegging van straf zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en met name de gevolgen die de feiten tot op vandaag voor de slachtoffers hebben gehad. De rechtbank acht derhalve een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend. Deze straf wordt, gezien het feit dat van recidivegevaar geen sprake is, niet opgelegd om verdachte van het plegen van strafbare feiten te weerhouden, maar dient om tot uitdrukking te brengen dat een gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de feiten.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1], gemachtigde [naam 6], wonende te [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ook heeft de benadeelde partij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in beginsel in de vordering ontvankelijk. De vordering is door de verdediging betwist. De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreekse immateriële schade tot in ieder geval het bedrag van € 500,- heeft geleden. De rechtbank zal bij wijze van voorschot dit bedrag toewijzen, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, en zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis, tot op heden begroot op nihil.

[slachtoffer 2], gemachtigde [naam 8], wonende te [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Ook heeft de benadeelde partij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in beginsel in haar vordering ontvankelijk. De vordering is door de verdediging betwist. De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit rechtstreekse immateriële schade tot in ieder geval het bedrag van € 500,- heeft geleden. De rechtbank zal bij wijze van voorschot dit bedrag toewijzen, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, en zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis, tot op heden begroot op nihil.

[slachtoffer 3], gemachtigde [naam 7], wonende te [adres], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1958,92, bestaande uit een bedrag van 1500,- aan immateriële en een bedrag van € 458,92 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Ook heeft de benadeelde partij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in beginsel in de vordering ontvankelijk. De vordering is door de verdediging betwist. De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade tot in ieder geval een bedrag van € 500,- heeft geleden. De rechtbank zal bij wijze van voorschot dit bedrag aan immateriële schadevergoeding toewijzen, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, en zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering, inclusief de gevorderde materiële schade, niet ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade is de rechtbank van oordeel dat niet voldoende vast is komen te staan dat het schade betreft die rechtsreeks door het bewezenverklaarde feit is toebracht. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis, tot op heden begroot op nihil.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de benadeelden, zoals hiervoor genoemd, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart de bewezenverklaarde feiten strafbaar:

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

  • -

    omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit:

  • -

    de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht;

schadevergoeding

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1], gemachtigde [naam 6], wonende te [adres], voor een deel van € 1000,- niet-ontvankelijk is in diens vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 500,- bij wijze van voorschot (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2007);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2], gemachtigde [naam 8], wonende te [adres], voor een deel van € 1000,- niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 500,- bij wijze van voorschot (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2007);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 3], gemachtigde [naam 7], wonende te [adres], voor een deel van € 1458,92- niet-ontvankelijk is in diens vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 500,- aan immateriële schade bij wijze van voorschot (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2007);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 500,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en
mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2014.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland met nummer 2012025044. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

een proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 10 juli 2012, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

(Pagina 78)

Vraag:

Als u nu terugkijkt naar de tijd op De Loot en nu?

[verdachte]:

Ik heb ook gezegd, na alles wat ik gehoord heb in de krant en alles, in de krant, ik heb ook gezegd, die mooie tijd met die kinderen, waar ik die mooie dingen van gehad heb, die kunnen ze me niet af nemen, wat ze ook verzinnen en wat ze ook denken, dat is iets wat ik koester ja. Wat ik voor hun aan blijdschap en aan vreugde, ja. Ja...

(..)

Vraag:

Je hebt je dag ook wel eens niet, we zeiden al: niets menselijk is ons vreemd.

[verdachte]:

Ik ben niet zo dat ik de hele dag zit te slaan of wat dan ook, echt niet. Dat vond ik heel erg. Ook op Facebook.

Vraag:

Waar stond dat dan? Waar haalde u die wijsheid vandaan?

[verdachte]:

Op Facebook moet dat gestaan hebben. Van andere mensen die dat zeiden hoor. (..)

Vraag:

En wat stond er volgens haar op Facebook?

[verdachte]:

Dat ik zou slaan.

Vraag:

Dat u zou slaan, en u had het er net over dat u de hele dag zou slaan.

[verdachte]:

Ja, daar leek het wel op ja. Dat was mijn tactiek, haha, dat vind ik niet eerlijk. Maar ik heb ze heus een klap gegeven hoor, ik zeg het eerlijk, ik wil niet, ik wil niet dat het uh, nou er is nooit wat gebeurd of wat dan ook. Nee ik wil gewoon eerlijk daarin zijn. (..)

(Pagina 102)

[verdachte]:

Nee.

Vraag:

En hoe was het tot aan uw pensioen? Hoe was het toen? Uw rol toen in De Loot.

[verdachte]:

Gewoon hoofd van het huis.

Vraag:

Hoofd van De Loot?

[verdachte]:

Ja ja.

Vraag:

En wat hield dat in?

[verdachte]:

Nou kijk uh, ik was dus uh pleegmoeder, en de William Schrikker heeft dus een pleegmoedercontract en dat hebben ze met mij gedaan en niet met de Terebint.

Vraag:

Ze hadden met u persoonlijk een contract.

[verdachte]: ja.

(pagina 116)

Vraag:

Mooi bij tante [verdachte]. Zo noemden de kinderen u?

[verdachte]:

Ja.

(..)

(Pagina 129)

Vraag:

Dat is die grote. We hebben het over [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] is [slachtoffer 1].

[verdachte]:

Ja. En [slachtoffer 3] is [slachtoffer 1].

(Pagina 162 t/m 167)

Vraag:

Wij hebben een aantal aangiftes. Dat geslagen werd met de mattenklopper maar ook met de hand.

[verdachte]:

Ja...

Vraag:

Kleerhanger wordt ook nog genoemd.

[verdachte]:

Ja... Ja ik heb wel klappen uitgedeeld ja. Maar niet met de mattenklopper.

Vraag:

Kleerhanger?

[verdachte]:

Ja zou kunnen, ja “zou kunnen”, dat is niet reëel. Ja.

Vraag:

Waarom kan de mattenklopper niet en de kleerhanger wel.

[verdachte]:

Omdat dat gewoon niet gebeurd is, dat kan ik zeker onthouden. (..)

Vraag:

En over wie hebben we het dan?

[verdachte]:

Niet uh [naam 9] of zo.

Vraag:

Wie wel?

[verdachte]:

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wel.

Vraag:

Dus [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn wel eens met een kleerhanger geslagen?

[verdachte]:

Ja. (..)

Vraag:

Heeft u nog helder op welk moment [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn geslagen met die kleerhanger? Misschien dat u zich dat nog wel helder voor de geest kan halen?

[verdachte]:

Nou dat was bij de kapstok.

Vraag:

En waar is die kapstok?

[verdachte]:

Bij de voordeur.

Vraag:

Bij de voordeur. En wat voor kapstok is dat?

[verdachte]:

Een lang ding, met hangers.

Vraag:

En wat voor hangers?

[verdachte]:

Hout, en ook metalen.

Vraag:

Je hebt een kapstok daar is een stang aan, en daar hangen de kleerhangers aan en daar kan iedereen zijn jas ophangen.

[verdachte]:

Ja.

Vraag:

En hoe is dat gegaan?

[verdachte]:

Nou dan hield niet op hè? En dan zei ik van uh... misschien hadden ze toen net wat op de voordeurmat gezeten. “en nou is het afgelopen” en dan gaf ik een paar tikken. (..)

Vraag:

Maar u zegt, ik stond bij de kapstok, en waarschijnlijk hadden ze net op de mat gezeten en dat hielp dus niet. En zij hielden niet op.

[verdachte]:

Ja ja, dus dan uh of dan was net het eten op en dan ging [slachtoffer 1] toch gauw nog even heen, weet je wel.

Vraag:

Ja.

[verdachte]:

En dan nog’ Nog, nog deden ze het een keer. Of net andersom. Dan zeg ik, nou...

Vraag:

Maar goed, dan staat u bij de kapstok en dan?

[verdachte]:

En dan pak ik een kleerhanger en geef ik ze een tik, willen jullie naar buiten? Dat hangt ervan af wat voor weer het is. En anders naar boven.

Vraag:

Maar goed, u zegt van, ik sta bij de kapstok en het gedonder houdt niet op.

[verdachte]:

Nou dan geef ik een tik met die, met die...

Vraag:

Met die kleerhanger?

[verdachte]:

Ja.

Vraag:

Maar die moet u wel eerst pakken.

[verdachte]:

Ja maar die is niet zo hoog hoor.

Vraag:

Maar goed, u stond dan in de buurt en dan pakte u een kleerhanger.

[verdachte]:

Nou is het afgelopen en nou ga je naar boven.

Vraag:

En waar sloeg u hun.

[verdachte]:

Voor de kont.

Vraag:

Voor de kont?

[verdachte]:

Ja, zeker weten.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 mei 2012, opgenomen op pagina 181 e.v. van het dossier, inhoudende de aangifte van [naam 6] en de verklaring van [naam 5]:

“Ik, [naam 5], ben ambulant begeleider van [naam 6]. Op verzoek en op

toestemming van [naam 6] ben ik aanwezig bij deze aangifte. Ik ondersteun

[naam 6] bij liet doen van de aangifte. Tevens geef ik, [naam 5], namens

[naam 6] antwoorden op de gestelde vragen.

De kinderen van [naam 6], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], staan sinds 2002 onder

OTS. De kinderen zijn door de William Schrikker Groep (voogdij instelling) onder

gebracht bij de Loot te Nieuwleusen. De Loot valt onder de Terebint te Punthorst.

Tot en met 2010 was [verdachte] de pleegmoeder van onder andere [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] is geplaatst bij de Loot toen hij ongeveer 1 jaar was en [slachtoffer 2] toen zij

5 jaar was. Na 2010 zijn [naam 1] en [naam 2] de pleegouders van de Loot geworden (..)

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 juni 2012, opgenomen op pagina 204 e.v. van het dossier, inhoudende de verklaring van [naam 1]:

Ik ben in januari 2009 begonnen bij de Terebint (..) Er woonde toen de volgende personen:

(..) [naam 3] (nu 19 jaar) en broertje [slachtoffer 3] (nu 15 jaar), [slachtoffer 3] woont er nog.

[slachtoffer 2] (nu 16 jaar), zij is ook een pleegkind van ons.

En [slachtoffer 1] (nu 11 of 12 jaar), hij is ook een pleegkind van ons.

(..)

In oktober 2010 is [verdachte] naar Afrika gegaan voor 6 weken. In die weken zag ik dat

de kinderen anders waren. Ze lachten weer en speelden. Twee weken voordat [verdachte]

terugkwam, kwam [slachtoffer 3] bij mijn vrouw [naam 2]. Hij wou niet dat [verdachte] terug kwam.

Mijn vrouw vroeg waarom niet. [slachtoffer 3] vertelde dat [verdachte] niet zo leuk was, [verdachte]

sloeg hun altijd (..)

Maar toen kwamen [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar [naam 2] dat zij

door [verdachte] werden geslagen. Met de kleerhanger, (..) .

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 juni 2012, opgenomen op pagina 210 e.v. van het dossier, inhoudende de verklaring van [naam 2]:

V: Vanaf welke datum kwam u op de Loot?

At Vanaf juli/augustus 2010. (..)

Toen wij, [naam 1] en ik met onze kinderen in de Loot kwamen wonen, was er niemand

meer, behalve [verdachte] met haar pleegkinderen, [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3]. Wij moesten de leiding over gaan nemen. (..)

Een aantal weken later ging [verdachte] op vakantie naar Afrika. (..) Toen de kinderen er achter kwamen dat zij bijna terug zou komen van vakantie, kwam [slachtoffer 3] samen met [slachtoffer 1] bij mij. Ze moesten mij wat vertellen. [slachtoffer 3] barstte in huilen uit en zei dat hij liever niet wou dat [verdachte] terug kwam. Ik vroeg waarom niet. Hij zei dat het zo veel fijner was. Hij zei dat ze veel geslagen werden en bang voor haar waren. Ik vroeg waarom dan. Ik zei dat ze niet bang hoefden te zijn en niet naar haar kamer hoefden als zij hen riep. Hierna was [slachtoffer 3] rustig. De

volgende dag kwamen zij met z’n drieën, weer huilend. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1], [slachtoffer 2]

niet. (..)

Toen [verdachte] wegging kwamen er steeds meer dingen boven water. (..). Op een

gegeven moment stonden ze met z’n z’n drieën om mij heen en gingen ze steeds meer

vertellen. [slachtoffer 1] zei dat hij elke dag klappen kreeg van [verdachte]. Bij elke maaltijd. (..)

Toen zei [slachtoffer 3]: Maar [slachtoffer 2], toen jij een keer in de auto zat werd je toch tegen je hoofd geslagen?” Ik hoorde dat [slachtoffer 2] ja,ja,ja zei.

(..) Ook zei hij dat hij met een klerenhanger werd geslagen. Hierop zeiden de anderen dat ze

allemaal met een klerenhanger klappen kregen. [slachtoffer 3] vertelde dat als zijn moeder

hem teruggebracht had nadat hij bij zijn moeder was geweest, vertelde hij dat [verdachte]

hem dan zo uit het niets begon te meppen. Dat gebeurde vaak. [slachtoffer 3] vertelde ook dat

hij en [slachtoffer 2] een keer waren weggelopen, maar dat ze gesnapt waren door [naam 10]

[naam 10] (..) Toen moesten ze terug en kregen ze ook weer klappen van [verdachte] en werd er keihard tegen hen geschreeuwd.(..)

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 juni 2012, opgenomen op pagina 325 e.v. van het dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2], afgenomen tijdens een studioverhoor:

Op dinsdag 19 juni 2012 te 13:00 uur, hoorden wij op de locatie Koggelaan 8, 8017

JN Zwolle als getuige:

Achternaam: [slachtoffer 2]

Voornamen: [slachtoffer 2]

Geboren: [geboortedatum 3] 1996

(..)

V: Weet jij ook waarvoor jij hier gekomen bent?

A: Ja, om te praten over mijn verleden in “De Loot”, met [verdachte] enzo.

(..)

V: Vertel ons eens in jouw eigen woorden wat jij hebt meegemaakt?

A: Ja... . ze sloeg ons altijd en ze bekte altijd en schold. Mijn broertje werd wel

4 keer per dag geslagen en kreeg de schuld, ook al had hij het niet gedaan.

(..)

Of ze sloeg met (..) een kleerhanger (..).

Enne.... even denken ja, we moesten best wel vroeg naar bed en als je dan niet ging

slapen kreeg je klappen. (..)

V: (..)

Hoe lang verblijf jij al op de Loot?

A:Vanaf 2003, toen ik 7 jaar was kwam ik daar, (..)

V: Nou heeft [slachtoffer 3] ons verteld dat hij wel eens gezien heeft dat [verdachte]

jou sloeg. Hoe zit dat nou?

A: Ik ben wel vaak door [verdachte] mishandeld hoe vaak weet ik niet, maar wel iedere

week.

V: Wat heeft ze nu bij jou gedaan?

A: Met de kleerhanger (..) en met haar hand (..).

V: We gaan het nu eerst over de kleerhanger hebben okee, hoe ging dat?

A: Dan sloeg ze op je kont of op je rug.

V: Hoe voelde dat ?

A: Niet fijn dat deed zeer.

V: Heb je wel eens letsel daarvan gehad dat je een blauwe plek of een wond had?

A: Ja blauwe plekken.

V: Waar had je die dan?

A; Overal waar ze sloeg.

(..)

V: Waarom sloeg ze dan met de kleerhanger?

A: Als we iets fout hadden gedaan.

V: Waar haalde ze die dan vandaan?

A: Van de kapstok.

(..)

V:En dan vertelde je, dat je werd geslagen met de hand, waar sloeg ze dan ?

A: Overal, op je arm, (..)

V; Hoe sloeg ze dan?

A: Heel hard.

V: Wat voelde je dan?

A: Pijn,

V: Heb je daar wel eens letsel van gehad?

A: Ja, blauwe plekken.

(..)

Weet je nog wanneer de allereerste keer was, dat er werd geslagen (..),

de dingen die je verteld hebt?

A: Toen ik daar kwam wonen al, toen was ik net 7 jaar.

V: Wanneer was dan de laatste keer, weet je dat nog?

A: Kort voordat ze naar Zuid Afrika ging.

(..)

V: Je broertje werd wel 4 keer per dag geslagen hoe komt dat dan?

A: Als hij wat fout deed, dan sloeg [verdachte] hem en dan werd hij heel boos en dan

schold hij haar uit en dan ging [verdachte] nog meer slaan.

(..)

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 juni 2012, opgenomen op pagina 339 e.v. van het dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], afgenomen tijdens een studioverhoor:

Op donderdag 21 Juni 2012 hoorde verbalisant [verbalisant], gecertificeerd

zedenrechercheur van politie IJsselland, in een kindvriendelijke studio te

Nijverdal, de volgende persoon:

PERSONALIA:

ACHTERNAAM [slachtoffer 1]

Voornamen [slachtoffer 1]

geboren op [geboortedatum 2]2001

(..)

Verbalisant:

Oké, en het gaat met name over de dingen die je zelf aangaan, en later gaan we

praten over de dingen die je hebt meegemaakt met anderen. Ja? Zo wou ik het gaan

indelen. Anders wordt het zo moeilijk hé? Om alles niet door elkaar heen te halen.

Ja? Oké. Hé uh? Vertel eens uit; jezelf, wat heb jij daar meegemaakt?

[slachtoffer 1]:

Nou uh, ik werd elke dag geslagen, met kleerhanger wel (..).

Verbalisant:

Hmmm

[slachtoffer 1]:

En als we dan aan het eten waren, dan was [naam 11], die zat bij ons vandaan

ergens, die zat aan een andere tafel.

Verhalisant:

Hmmm.

[slachtoffer 1]:

En als ik een keer naar hun keek, dan werd ik gelijk geslagen. Door tante [verdachte] (..)

(..)

Verbalisant:

Want ik kan het ook verkeerd begrepen hebben. Jij hebt verteld dat je elke uh?

Wacht even hoor, elke dag geslagen werd, met kleerhanger of de mattenklopper.

[slachtoffer 1]:

Ja of gewoon met de handen.

(..)

Verbalisant

Uhm, soms werd ook uit het niets geslagen.

[slachtoffer 1]:

Dat was meestal door tante [verdachte].

Verbalisant:

Door [verdachte]?

[slachtoffer 1]

Dat was de meeste, dat kwam door tante [verdachte].

Verbalisant:

En dat was dan ‘s avonds zei je.

[slachtoffer 1]:

Ja bijna elke dag. Ja ‘s avonds kwamen ze gewoon uit het niets naar ons toe. En

overdag, was meestal wel, dan had ik iets fouts gedaan, hele kleine dingen, wat ik

fout had gedaan. We mochten niet achter de schuur komen en zo, en dan deden we dat

een keer per ongeluk wel, en dan werden we gelijk geslagen.

(..)

Verbalisant: .

Sinds wanneer zit jij bij De Loot?

[slachtoffer 1]:

Uhm.. Ja wat, nou ik heb gehoord, toen was ik 2, toen kwam ik bij De Loot. Wat ik

van [slachtoffer 2] heb gehoord hoor.

Verbalisant:

Want [slachtoffer 2] is?

[slachtoffer 1]:

Mijn zus.

(..)

(Pagina 354)

[slachtoffer 1]:

Nee. Ik weet wel wanneer het gestopt is.

Verbalisant:

En wanneer is het gestopt; dan?

[slachtoffer 1]:

2010.

Verbalisant:

Ja en hoe kwam dat?

[slachtoffer 1]:

Uh [naam 1] kwam bouwen, in het huis. Ik weet niet veel daarvan, maar kwam bouwen in

het huis. En toen hoorden wij dat hij hier kwam wonen, bij ons. Daar waren wij superblij mee.

Verbalisant:

Hmmm.

[slachtoffer 1]:

Want uh toen was opeens alles anders. En toen ging, [verdachte] die wou stoppen, ging

stoppen. En toen uh, ging tante [verdachte] ooit eens naar Zuid-Afrika.

Verbalisant:

Hmmn.

[slachtoffer 1]:

En toen bleef ze wonen bij ons. En toen zijn we naar [naam 2] en [naam 1] gegaan van,

zij heeft ons mishandeld. En toen hebben [naam 1] en [naam 2] hebben we dat allemaal

verteld, echt alles.

(..)

(Pagina 358)

Uhm, zullen we het even verdelen, anders wordt het zo door elkaar heen gehaald.

Zullen we eerst even kijken wat [verdachte] allemaal gedaan heeft? Met jou?

[slachtoffer 1]:

Ja, is goed.

Verbalisant:

Ja? Wil je die dingen benoemen die [verdachte] met jou gedaan heeft? Dan gaan we dan

praten over hoe dat dan ging.

[slachtoffer 1]:

[verdachte], die is uh, die is gewoon, die pakte altijd de kleerhanger. En die sloeg mij

dan daarmee.

(..)

(Pag 360)

Oké, gaan we het nu eerst over [verdachte] hebben, je hebt gezegd dat je met een

kleerhanger werd geslagen, waar werd je dan geslagen?

[slachtoffer 1]:

Dat, was meestal bij de kapstok en die staat bij de gang, bij de voordeur.

Verbalisant:

Hmmn, maar waar werd jij dan geraakt? O werd je niet geraakt.

[slachtoffer 1]:

Meestal hier en op mijn rug.

Verbalisant:

En dan wijs je je onderrug aan. Ja?

[slachtoffer 1]

En hier op mijn kont.

Verbalisant:

En op je billen ja, nog op een andere plaats?

[slachtoffer 1]:

Daar wel meestal.

Verbalisant:

Daar wel meestal, en waar haalde ze die kleerhanger vandaan dan?

[slachtoffer 1]:

Van de kapstok.

Verbalisant:

Van de kapstok. En wat voor kleerhanger was dat dan?

[slachtoffer 1]:

Een houten.

Verbalisant:

Een houten hmmm. En uh? Hoe voelde dat dan? Als je geslagen werd met een

kleerhanger?

[slachtoffer 1]:

Pijn, haha.

Verbalisant:

Pijn. Ja. Ja ik weet niet hoe hard dat ging, ik ben daar niet bij geweest

[slachtoffer 1]:

Ja het ging wel hard. Dat weet ik nog wel.

(..)

[slachtoffer 1]:

Ooh zo. Dat weet ik niet, ik weet wel dat ik blauwe plekken had. Dat weet ik wel.

Verbalisant:

Blauwe plekken, en waar had je die dan?

[slachtoffer 1]:

Ja meestal op de plekken waar ze sloeg.

(..)

(Pagina 378)

Verbalisant:

Hmmm. Uhm. Heb jij ook nog dingen gezien die bij anderen gebeurden?

[slachtoffer 1]:

Jawel.

Met [slachtoffer 3] heb ik wel gezien, dat tante [verdachte] hem sloeg.

Verbalisant:

Dat wie hem sloeg?

[slachtoffer 1]:

Tante [verdachte].

Verbalisant:

Tante [verdachte].

(..)

Verbalisant:

Maar je hebt verteld, ze sloeg bijna wel iedere dag.

[slachtoffer 1]:

Ja.

Verbalisant:

En uh, gold dat voor alle kinderen, of gold dat alleen voor jou? Of gold dat

voor een paar kinderen? Of hoe ging dat?

[slachtoffer 1]:

Dat weet ik niet. Ik heb er nooit echt op gelet, bij wie het allemaal gebeurde. Ik

heb alleen een paar keer gezien hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en zo. (..)

(Pagina 381)

Verbalisant:

Je hebt ook verteld, moet ik even zien.. Dat je nog een tijd alleen met tante [verdachte], jij, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] was hè?

[slachtoffer 1]:

Ja in huis.

Verbalisant:

En wanneer was dat dan?

[slachtoffer 1]:

Nadat iedereen weg is gegaan naar ik weet niet meer.

Verbalisant:

Weet je nog hoe oud je toen was.

[slachtoffer 1]

Ik kan wel schatten, maar ik weet niet hoe oud. Ik weet wel dat ik dan wel uh? Toen

uh.. Dat ik wel uh…? Uhm? Dat ik toen wel gewoon groot was, dat weet ik

wel.

Verbalisant:

Hmmm en hoe ging het toen dan?

[slachtoffer 1]:

Toen waren we alleen, dus, ze sloeg ons nog steeds.

Een proces-verbaal van aangifte d.d.4 juni 2012 , opgenomen op pagina 593 e.v. van het dossier, inhoudende de aangifte van [naam 7]:

Ik ben [naam 7] en ik doe namens mijn kleinkinderen aangifte van

mishandeling dan wel psychische mishandeling (..).

Ik wil het volgende verklaren.

Ik ben de opa van [naam 3] en van [slachtoffer 3].

[naam 3] is nu 19 jaar en [slachtoffer 3] is 15 jaar.

Momenteel woont [naam 3] bij mij en mijn vrouw en woont [slachtoffer 3] nog in “De Loot” te

Nieuwleusen en staat hij onder toezicht van [naam 1] en [naam 2]. Dit zijn

zijn pleegouders. Dit is sinds 2011. De voogd van [slachtoffer 3] is op dit moment [naam 12], zij is werkzaam bij de William Schrikker Stichting.

De biologische ouders van [slachtoffer 3] en [naam 3] zijn: [naam 13] en [naam 14]. Omdat mijn zoon 24 uur per dag medische zorg nodig heeft en zijn ex vrouw [naam 14] een verstandelijke beperking heeft, zijn hun kinderen [naam 3] en [slachtoffer 3] in 2002 onder toezicht gesteld. Zij zijn toen in 2002 geplaatst in “De Loot” dit is een gezinshuis en dit zit in Nieuwleusen. De Loot hoort bij “Terebint” welke is gevestigd in Staphorst.

Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 juni 2012, opgenomen op pagina 603 e.v. van het dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2], afgenomen tijdens een studioverhoor:

Op 6 juni 2012 te 09.40 uur, hoorden wij op de locatie Koggelaan 8, 8017 JN

Zwolle als getuige:

Achternaam : [slachtoffer 3]

Voornamen : [slachtoffer 3]

Geboren : [geboortedatum 4] 1997

Geboorteplaats : Zwolle in Nederland

Vertel jij ons eens wat mishandelen is?

A: Dat je geslagen wordt enzo.... geschopt, geslagen, uitschelden enzo....

V: Daar willen we alles over weten, vertel maar?

A: Ik ben heel vaak geslagen overal en in mijn kamer heel vaak. Ik heb ook soms

gezien dat [slachtoffer 1] het andere pleegkind, niet mijn broer veel is geslagen. Hij het

vaakst van ons allemaal. Ik bedoel dan [slachtoffer 1]. (..)

We werden ook wel (..) geslagen met de kleerhanger.

Soms als we in ons bed hadden geplast, dan werden we nog meer geslagen. We wilden

wel eens weg lopen, maar dat is mislukt.

Als ik bij mijn ouders was geweest, dan was ik weer bang om terug te gaan.

(..) En als we gingen slapen dan werden we geslagen en dan gingen ze naar de andere

kamer waar [slachtoffer 1] dan was en dan hoorde je hem huilen en dan hoorde je dat

hij ook geslagen werd. Soms zag ik het ook. Als we bij elkaar sliepen op de kamer, en als ze dan voor de deur stonden, dan werden we ook geslagen.

En dat we altijd dag in dag uit werden geslagen.

Als we terugkwamen van onze ouders dan werden we nog meer geslagen.

(..)

Als ik op de fiets zit en ik zie een auto rijden die op de auto lijkt van tante

[verdachte] dan word ik heel bang.

(..) Als ik lang op mijn kamer zit dan denk ik aan vroeger hoe het was en als [naam 3] dan binnen komt dan schrik ik en denk: ‘Zometeen komt tante [verdachte]”

(..)

Als ik bij mijn opa was om daar te logeren., dan verstopte ik me vaak als ik weer

terug moest, ik was bang om weer terug te gaan.

Ik denk vaak aan tante [verdachte], omdat ik bang ben om haar tegen te komen.., ik denk

dan aan vroeger. (..) Als iemand iets verkeerds deed dan kregen we allemaal slaag en dan moesten we naar boven en dan werden we daar nog een keer geslagen.

(..)

Ik wil nog wel zeggen dat toen [naam 2] en [naam 1] kwamen toen waren we blij dat zij

bij ons kwamen wonen.

V: Over wie praat jij ?

A: Tante [verdachte], ze heet [verdachte] en was mijn pleegmoeder.

V: Wanneer was ze jouw pleegmoeder?

A: Ik denk toen ik zo 4 of 5 jaar oud was, [verdachte] was denk ik dan ongeveer 8 jaar

mijn pleegmoeder. Ze was de oudste. (..)

(..)

(Pagina 606)

V: Je hebt verteld dat je bijna dagelijks werd mishandeld hoe ging dit?

A: Ik werd geslagen op mijn kamer, of in de keuken als we aan het eten waren, op de

gang. Ik werd overal geslagen.

V: Waarmee dan?

A: Met de hand, (..) of de kleerhanger (..).

V: Waar werd je dan geraakt?

A: Overal op mijn rug, mijn benen, mijn handen.

V: Heb je wel eens een beschadiging gehad dat je het kon zien ?

A: Ja, rode plekken of blauwe plekken...

(..)

V: Als tante [verdachte] dit deed zei ze er dan wat bij?

A: Ja, dat we naar onze kamer moesten.

(..)

V: Je hebt verteld dat je soms [slachtoffer 1] hoorde huilen en dat je dat gezien hebt

hoe ging dat?

A: Als hij in de badkamer was, werd hij geslagen of als hij in zijn kamer was dan

stond de deur open dan zag ik dat [verdachte] hem sloeg. Op zijn rug en armen. Meestal

deed ze dit met de hand. Soms had ze een klerenhanger bij zich.

V: Je hebt dit wel eens bij [slachtoffer 1] gezien, ook nog bij andere kinderen dan?

A: Bij [slachtoffer 2] wel eens maar niet bij de anderen.

(..)

V: Wat zag je bij [slachtoffer 2] dan?

A: Ik zag soms dat ze werd geslagen, maar meestal was ik boven. Ik weet dat ze

haar wel eens met de hand heeft geslagen (..)