Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3678

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
08/900011-11 en 08/955579-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte wegens verduistering, witwassen en het opzettelijk nalaten tijdig benodigde gegevens te verstrekken ter vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/900011-11 en 08/955579-13

Datum vonnis: 4 juli 2014

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 mei 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. de Jong en van hetgeen door de verdachte en haar raadsvrouw mevr. mr. D. Greven, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer: 08/900011-11

feit 1A: in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009, al dan niet samen met een ander, een groot aantal personen heeft opgelicht;

feit 1B: in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009, al dan niet samen met een ander, geldbedragen van een groot aantal personen heeft verduisterd;

feit 2A: feitelijk leiding of opdracht heeft gegeven aan/tot het door [bedrijf 1] BV in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009, al dan niet samen met een ander, oplichten van een groot aantal personen;

feit 2B: feitelijk leiding of opdracht heeft gegeven aan/tot het door [bedrijf 1] BV in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009, al dan niet samen met een ander, verduisteren van geldbedragen van een groot aantal personen;

feit 3A: al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 2], en al dan niet samen met een ander, in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 geldbedragen van een aantal personen heeft witgewassen;

feit 3B: in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009, al dan niet samen met een ander, geldbedragen van een ander aantal personen heeft witgewassen;

feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

Parketnummer: 08/955579-13

feit 1: heeft nagelaten gegevens te verstrekken die van belang waren voor het vaststellen van haar recht op een werkloosheidsuitkering;

feit 2: valsheid in geschrifte heeft gepleegd door een aanvraag voor een uitkering in het kader van de werkloosheidswet en een aanvraag tot overname van betalingsverplichtingen in het kader van een faillissement valselijk in te vullen, dan wel het CWI (Centrum voor Werk en Inkomen) en het UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen) heeft opgelicht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

Parketnummer: 08/900011-11

1. A.

zij, al dan niet handelende onder de naam [bedrijf 2], in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Saasveld en/of Dedemsvaart en/of Balkbrug en/of Holtheme en/of Haarlo en/of Kloosterhaar en/of Hoge Hexel (gemeente Wierden) en/of Goor, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels een groot aantal personen, waaronder:

• dhr. [slachtoffer 1], voor een totaalbedrag van 70.000 euro (A21), en/of

• dhr. [slachtoffer 2] en mw. [slachtoffer 3], een totaalbedrag van 50.000 euro (A15), en/of

• Mw. [slachtoffer 4], een totaalbedrag van 66.000 euro (A26), en/of

• Dhr. [slachtoffer 5] en mw. [slachtoffer 6], een totaalbedrag van 75.000 euro (A10),

en/of

• Dhr. [slachtoffer 7], een totaalbedrag van 160.000 euro (in 2 gedeelten) (A8), en/of

• Mw. [slachtoffer 8], een totaalbedrag van 100.000 euro (A22), en/of

• Mw. [slachtoffer 9] en dhr. [slachtoffer 10], een totaalbedrag 80.000 euro (A16),

heeft bewogen tot:

de afgifte van hierbovengenoemde geldbedragen, hebbende zij, verdachte, en/of haar mededaders met vorenomschreven oogmerk telkens - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

* aan een of meer van voornoemde personen, het navolgende voorgespiegeld,

- dat financieel voordeel behaald zou kunnen worden door het (over)sluiten van een hypothecaire geldlening waarbij de overwaarde van een (bestaand(e)) woning in geld zou worden omgezet;

- dat daarna die (aldus) ter beschikking gekomen geldbedragen aan het bedrijf [bedrijf 2] dienen te worden uitgeleend, althans ter beschikking gesteld, waarna deze door [bedrijf 2] zouden worden belegd, althans geïnvesteerd obligaties betreffende (bouw)projecten, althans onroerend goed op de Malediven en/of Portugal en/of Frankrijk en/of in Putten (Nederland) en/of in een boot/cruiseschip op de Malediven, althans een goed;

- dat die beleggingen/investering een zodanig hoog rendement ( 10%, 12% of 13% procent of daaromtrent) zou gaan opleveren dat de maandlast voor de ter beschikking steller van het geld aanmerkelijk zou worden verlaagd;

waardoor voornoemde aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte."

EN/OF

1. B)

zij, al dan niet handelende onder de naam [bedrijf 2], in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Saasveld en/of Dedemsvaart en/of Balkbrug en/of Holtheme en/of Haarlo en/of Kloosterhaar en/of Hoge Hexel (gemeente Wierden) en/of Goor, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk meerdere geldbedragen van om en nabij 601.000 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een groot aantal personen, waaronder de navolgende aangevers: dhr. [slachtoffer 1] en/of dhr. [slachtoffer 2] en mw. [slachtoffer 3] en/of Mw. [slachtoffer 4] en/of Dhr. [slachtoffer 5] en mw. [slachtoffer 6] en/of Dhr. [slachtoffer 7] en/of Mw. [slachtoffer 8] en/of Mw. [slachtoffer 9] en dhr. [slachtoffer 10], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke hoeveelheid geld verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich hadden, namelijk ter voldoening van een dienstverlenings- / bemiddelingsovereenkomst en/of beheersactiviteiten als financieel tussenpersoon/ adviesbureau namens [bedrijf 2], zich wederrechtelijk heeft of hebben toegeëigend.

2. A)

[bedrijf 1] BV in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Lemele en/of Nijverdal en/of Heeten en/of Rijssen en/of Zutphen en/of Goor en/of Balkbrug en/of Lichtenvoorde en/of Winterswijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door een of meer listige

kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels een groot aantal personen, waaronder:

• Dhr. [slachtoffer 11], een totaalbedrag van 345.000 euro (A5), en/of

• Dhr. [slachtoffer 12], een totaalbedrag van 300.000 euro (A6), en/of

• Mw. [slachtoffer 13], een totaalbedrag van 70.000 euro (A7), en/of

• Mw. [slachtoffer 14], een totaalbedrag van 60.000 euro (A 11), en/of

• Dhr. [slachtoffer 15], een totaalbedrag van 65.000 euro (A20), en/of

• Dhr. [slachtoffer 16], een totaalbedrag van 90.000 euro (A23),

heeft bewogen tot:

- de afgifte van hierbovengenoemde geldbedragen,

hebbende [bedrijf 1] BV en/of haar mededader(s )met vorenomschreven oogmerk telkens - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

* aan een of meer van voornoemde personen, het navolgende voorgespiegeld:

- dat financieel voordeel behaald zou kunnen worden door het (over)sluiten van een hypothecaire geldlening waarbij de overwaarde van een (bestaand(e)) woning in geld zou worden omgezet;

- dat daarna die (aldus) ter beschikking gekomen geldbedragen aan het bedrijf [bedrijf 1] BV dienen te worden uitgeleend middels obligatieovereenkomsten, althans ter beschikking gesteld, waarna deze door [bedrijf 1] BV zouden worden belegd, althans geïnvesteerd in obligaties betreffende (bouw)projecten en/of vakantieressorts, althans onroerend goed op de Malediven en/of Portugal en/of Frankrijk en/of vastgoedprojecten in Europa en/of in een boot/cruiseschip op de Malediven, althans een goed;

- dat die beleggingen/investering een zodanig hoog rendement ( 10%, 12% of 13% procent of daaromtrent) zou gaan opleveren dat de maandlast voor de ter beschikking steller van het geld aanmerkelijk zou worden verlaagd;

waardoor voornoemde aangevers werden bewogen tot bovenomschreven afgifte."

tot welk feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

EN/OF

2. B)

[bedrijf 1] BV in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Lemele en/of Nijverdal en/of Heeten en/of Rijssen en/of Zutphen en/of Goor en/of Balkbrug en/of Lichtenvoorde en/of Winterswijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen althans eenmaal, opzettelijk meerdere geldbedragen van om en nabij 940.000 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een groot aantal personen, waaronder de navolgende aangevers: dhr. [slachtoffer 11] en/of dhr. [slachtoffer 12] en/of mw. [slachtoffer 13] en/of mw. [slachtoffer 14] en/of dhr. [slachtoffer 15] , in elk geval aan een ander dan aan [bedrijf 1] BV en/of zijn mededader(s), welke hoeveelheid geld [bedrijf 1] BV en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich hadden, namelijk ter voldoening van een dienstverlenings- / bemiddelingsovereenkomst en/of beheersactiviteiten als financieel tussenpersoon/ adviesbureau namens [bedrijf 1] BV, zich wederrechtelijk heeft of hebben toegeëigend.

tot welk feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

3. A.

zij, al dan niet handelende onder de naam [bedrijf 2], in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Balkbrug en/of Goor en/of Nijverdal, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), en wel:

•een geldbedrag van 66.000 euro van mw. [slachtoffer 4] (A26), en/of

•een geldbedrag van 75.000 euro van dhr. [slachtoffer 5] en mw. [slachtoffer 6] (A10), en/of

•een geldbedrag van 160.000 van dhr. [slachtoffer 7] (A8), en/of

•een geldbedrag van 100.000 van mw. [slachtoffer 8] (A22), en/of

•een geldbedrag van 80.000 van mw. [slachtoffer 9] en dhr. [slachtoffer 10] (A16) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/althans van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

EN/OF

3. B.

zij in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Balkbrug en/of Goor en/of Nijverdal en/of Lichtenvoorde en/of Winterswijk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en), en wel:

•een geldbedrag van 345.000 euro van dhr. [slachtoffer 11] (A5), en/of

•een geldbedrag van 300.000 van dhr. [slachtoffer 12] (A6), en/of

•een geldbedrag van 70.000 euro van mw. [slachtoffer 13] (A7), en/of

•een geldbedrag van 60.000 euro van mw. [slachtoffer 14] (A11), en/of

•een geldbedrag van 65.000 euro van dhr. [slachtoffer 15] (A20), en/of

•een geldbedrag van 90.000 eruo van dhr. [slachtoffer 16] (A23),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/althans van die/dat voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwij1 zij en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in

de gemeente(n) Balkbrug en/of Goor en/of Nijverdal en/of Lichtenvoorde en/of Winterswijk en/of (elders) in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit verdachte en/of mw. [verdachte] en/of dhr. [medeverdachte 1] en/of dhr. [medeverdachte 2] en/of de eenmanszaak [bedrijf 2] en/of de rechtspersoon [bedrijf 1] BV, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder

-oplichting,

- verduistering,

-(gewoonte) witwassen.

Parketnummer: 08/955579-13

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot

en met 24 februari 2013 te Nijverdal in de gemeente Hellendoorn en/of te Goor

in de gemeente Hof van Twente, in elk geval in Nederland, in strijd met een

haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten

de inlichtingenverplichting op grond van artikel 25 van de Werkloosheidswet

opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks

terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander,

terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die

gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders

recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar verdachtes recht op

een uitkering krachtens de Werkloosheidswet dan wel voor de hoogte of de duur

van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte (telkens)

aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet opgeven/gemeld:

- dat er geen gezagsverhouding was tussen haar en haar werkgever

dhr. [medeverdachte 3] (van [bedrijf 2]) en/of haar betrokkenheid bij

[bedrijf 2])

- ( alle) verrichte werkzaamheden en/of (alle) ontvangen inkomsten (bij/van

[bedrijf 3] B.V. en/of [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 4]

[bedrijf 4] B.V.;

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 26 mei 2009 tot en

met 3 augustus 2009 te Nijverdal in de gemeente Hellendoorn, in elk geval in

Nederland, meermalen, althans éénmaal (telkens) een geschrift, (elk) zijnde

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten

(telkens) een formulier van het Centrum voor werk en inkomen (volledig

aanvraag WW) en/of van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(UWV)(aanvraag overname betalingsverplichtingen, waarop (onder meer) de

volgende vraag/vragen moesten worden beantwoord:

a. a) "naam werkgever" (formulier aanvraag WW en aanvraag overname

betalingsverplichting) en/of

b) "wanneer trad u bij deze werkgever in dienst?"(aanvraag WW en

aanvraag overname betalingsverplichting) en/of

c) "is er een familierelatie tussen u en uw (voormalig) werkgever?"

(formulier aanvraag WW) en/of

d) "verricht u nog ander werk?" (aanvraag WW en/of aanvraag overname

betalingsverplichting) en/of

e) "laatste daadwerkelijk gewerkte dag "(aanvraag WW en aanvraag overname

betalingsverplichting) en/of

f) "tot welke datum werd u loon doorbetaald?" (aanvraag overname

betalingsverplichting) en/of

g) "welke loonelementen zijn op u van toepassing en vordert u?" (aanvraag

overname betalingsverplichting) en/of

h) "vanaf welke maand heeft u vakantiegeld te vorderen?" (aanvraag overname

betalingsverplichting)

althans (een) vraag/vragen van soortgelijke aard en/of strekking - valselijk

heeft opgemaakt en/of vervalst, immers heeft verdachte valselijk:

a. a) als antwoord op de vraag "naam werkgever" vermeld: [bedrijf 2]

en/of

b) als antwoord op de vraag "wanneer trad u bij deze werkgever in dienst?"

vermeld: 1 augustus 2007

c) als antwoord op de vraag "is er een familierelatie tussen u en uw

werkgever?" vermeld: nee

d) als antwoord op de vraag "verricht u nog ander werk?" vermeld: nee en/of

e) als antwoord op de vraag "laatste daadwerkelijk gewerkte dag"?" vermeld:

1 juni 2009

f) als antwoord op de vraag "tot welke datum werd u loon doorbetaald?"

vermeld: 30 april 2009 en/of

g) als antwoord op de vraag "welke loonelementen zijn op u van toepassing en

vordert u?" vermeld: maand mei en afrekening vakantiegeld en/of

h) als antwoord op de vraag "vanaf welke maand heeft u vakantiegeld te

vorderen?" vermeld: 1 juli 2008

terwijl [bedrijf 2] geen werkgever was van haar, verdachte, danwel

was zij, verdachte niet in loondienst bij genoemde werkgever, danwel was zij,

verdachte, geen werknemer van genoemde werkgever

en/of dat/die formulier(en) ondertekend, zulks met het oogmerk om dat/die

geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot

en met 15 mei 2011 te Nijverdal in de gemeente Hellendoorn en/of te Goor,

gemeente Hof van Twente, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van

een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door

een samenweefsel van verdichtsels, het Centrum voor werk en inkomen en/of het

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft bewogen tot de afgifte van

van in totaal 83.360,03 euro, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid op een formulier

van het Centrum voor werk en inkomen, te weten een Aanvraag WW (volledige

aanvraag) en/of op een formulier van het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen (Aanvraag overname betalingsverplichtingen) en dat

door haar, verdachte was ondertekend en gedagtekend 26 mei 2009 en/of

3 augustus 2009, vermeld dan wel heeft laten vermelden dat de laatste

werkgever van haar, verdachte, was [bedrijf 2] en/of dat zij,

verdachte als commercieel directeur/allround medewerker en/of dat zij,

verdachte tot en met 29 april 2009 (volledig) werkte voor [bedrijf 2]

[bedrijf 2] en/of de hoedanigheid van werknemer aangenomen, terwijl [bedrijf 2]

[bedrijf 2] geen werkgever van haar, verdachte was, danwel was zij, verdachte,

niet loondienst bij voornoemde werkgever, dan wel was zij verdachte, geen

werknemer van voornoemde werkgever waardoor het Centrum voor werk en inkomen

en/of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder de feiten 1A, 2A, 3 en 4 van parketnummer 08/900011-11 en het onder de feiten 1 en 2 primair van parketnummer 08/955579-13 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard en dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 1/2 jaar, met aftrek van de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht.

Ten aanzien van de door de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 5]/[slachtoffer 6], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8], [slachtoffer 10], [slachtoffer 11], [slachtoffer 12], [slachtoffer 13], [slachtoffer 14], [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] ingediende vorderingen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze worden toegewezen met oplegging van de zogenaamde Terwee maatregel. De overige ingediende vorderingen dienen volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat deze niet in de tenlastelegging zijn opgenomen.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Parketnummer 08/900011-11: de standpunten van de officier van justitie en de

verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder de feiten 1A en 2A ten laste gelegde oplichting, alsmede het onder feit 3 (witwassen) en feit 4 (criminele organisatie) ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Samengevat heeft de officier van justitie daartoe gesteld dat uit de diverse aangiftes blijkt dat de aangevers is voorgespiegeld dat de door hen ingelegde geldbedragen door [bedrijf 2] en [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1]) zouden worden geïnvesteerd in een project op de Malediven dan wel in onroerend goed in Europa en dat deze investeringen een rendement zouden opleveren van 10 tot 13% per jaar, terwijl in het geheel geen sprake was van concrete investeringsplannen dan wel daadwerkelijke investeringen. Verdachte heeft samen met haar medeverdachten leiding gegeven aan [bedrijf 1]. De opgehaalde gelden zijn grotendeels gebruikt voor het betalen van de salarissen en managementvergoedingen voor de verdachten en daarnaast voor door de verdachten gemaakte onkosten en voor de betaling van aan andere investeerders beloofde rente.

Het standpunt van de verdediging

Feiten 1A, 1B, 2A en 2B

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van al deze feiten moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft niet het oogmerk gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen en er is evenmin sprake geweest van wederrechtelijk toe-eigening. Verdachte was werkneemster bij [bedrijf 2] en heeft bij [bedrijf 1] gewoon haar werkzaamheden voortgezet. Verdachte had geen enkel inzicht in de financiën en wist niet dat de medeverdachten zich schuldig maakten aan oplichting en/of verduistering.

Feit 3A en 3B

Ten aanzien van witwassen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat de bedragen die bedoeld waren voor investeringen zijn aangewend voor het betalen van salarissen en het aangaan van leningen niet maakt dat er sprake is van witwassen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet wist dat de geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf. Ook van dit feit dient verdachte dus vrijgesproken te worden.

Feit 4

Ook van het vierde feit moet verdachte vrijgesproken worden. Niet alleen ontbreekt de opzet,

maar de eventuele aanwezigheid van voorwaardelijk opzet kan bij deelneming aan een criminele organisatie niet tot bewezenverklaring leiden.

5.2

Parketnummer 08/900011-11: de bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1

Feiten 1A, 1B, 2A en 2B

Feitelijke gang van zaken

Verdachte [verdachte] is per 1 augustus 2007 in dienst getreden bij [bedrijf 2]. De bedrijfsomschrijving van deze eenmanszaak van medeverdachte [medeverdachte 3] betrof volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel: een assurantiekantoor op het gebied van financieringen, hypotheken en verzekeringen.

Op 22 oktober 2007 heeft verdachte [bedrijf 3] BV opgericht. Zij was enig aandeelhouder en bestuurder van deze BV. Op 29 november 2007 is vervolgens [bedrijf 1] opgericht. De bedrijfsomschrijving van [bedrijf 1] luidde: de aan- en verkoop en exploitatie van onroerend goed. [bedrijf 3] BV was vanaf 29 november 2007 voor 20% aandeelhouder van [bedrijf 1]. De overige aandelen waren verdeeld over [bedrijf 5] BV (eigenaar: medeverdachte [medeverdachte 3]), [bedrijf 6] BV (eigenaar: medeverdachte [medeverdachte 1]) en [bedrijf 7] BV (eigenaar: medeverdachte [medeverdachte 2]), ieder eveneens voor 20%, en daarnaast [getuige 1] en [getuige 2], ieder voor 10%. In augustus 2008 hebben [getuige 1] en [getuige 2] hun aandelen overgedragen aan de overige aandeelhouders, waardoor [bedrijf 3] BV voor 25% aandeelhouder werd van [bedrijf 1].

[bedrijf 1] is op 8 september 2009 failliet verklaard.

Verdachte bezocht al vóór haar indiensttreding bij [bedrijf 2], veelal samen met medeverdachte [medeverdachte 3], cliënten van [bedrijf 2]. Bij die cliënten was sprake van een overwaarde van de woning ten opzichte van de lopende hypothecaire lening. Tijdens de gesprekken werd de cliënten gewezen op de mogelijkheid om hun woonlasten aanzienlijk te verlagen door het aangaan van een nieuwe hypothecaire lening ter grootte van de werkelijke waarde van de woning op dat moment. De vrijgekomen overwaarde van de woning zou dan via [bedrijf 2] of via het later opgerichte [bedrijf 1] geïnvesteerd worden in een cruiseschip of een vakantieresort op de Malediven, of in onroerend goed in Frankrijk en Duitsland. De cliënten werd daarbij voorgehouden dat zij jaarlijks op hun investeringen een rentevergoeding van 10%, 11%, 12% en in één geval zelfs 13% zouden ontvangen.

Rolverdeling binnen [bedrijf 2]

Uit een onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) bij [bedrijf 2] en uit verklaringen van diverse werknemers van [bedrijf 2] leidt de rechtbank af dat verdachte na haar indiensttreding bij [bedrijf 2] tezamen met medeverdachte [medeverdachte 3] de directie van het bedrijf vormde. Weliswaar was [medeverdachte 3] de eigenaar van het bedrijf, maar feitelijk bepaalde verdachte samen met [medeverdachte 3] het beleid binnen [bedrijf 2].

Rolverdeling binnen [bedrijf 1]

Verdachte [verdachte] vormde samen met haar medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de directie van [bedrijf 1]. Er was sprake van een werkverdeling, die inhield dat verdachte en [medeverdachte 3] verantwoordelijk waren voor de buitendienst (het binnenhalen van investeerders) en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de verantwoordelijkheid hadden voor de binnendienst (de administratie, inclusief het opstellen van de overeenkomsten met de investeerders). Er vond regelmatig directieoverleg plaats, waarbij de dagelijkse gang van zaken besproken werd en beleidsbeslissingen genomen werden.

Aanwending van de geïnvesteerde gelden

Uit de door de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] afgelegde verklaringen is de rechtbank gebleken dat verdachte en haar drie medeverdachten weliswaar het idee hadden opgevat om

– via [bedrijf 1] – te investeren in projecten op de Malediven, maar dat het nimmer tot een concrete investering in en exploitatie van een project op de Malediven is gekomen. [getuige 1] en [getuige 2] waren belast met het aandragen van mogelijke investeringsprojecten, maar de door hen aangedragen projecten werden telkens afgewezen door verdachte en haar medeverdachten.

Uit een onderzoek door de politie naar de bankrekeningen op naam van [bedrijf 2], [bedrijf 1], de personal holdings van verdachte [verdachte] en haar medeverdachten en de privé bankrekeningen van verdachte [verdachte] en haar medeverdachten leidt de rechtbank voorts af dat:

- [bedrijf 2] en [bedrijf 1] in de tenlastegelegde periode geen enkel onroerend goed hebben aangekocht en evenmin anderszins hebben geïnvesteerd in onroerend goed projecten, waar dan ook ter wereld;

- de ingelegde gelden gebruikt zijn om hoge kosten aan bedrijfsvoering van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] te voldoen;

- daarnaast de rekeningen van de personal holdings en de privé rekeningen van verdachte en haar medeverdachten in de tenlastegelegde periode gevoed zijn met bedragen afkomstig van [bedrijf 2] BV en [bedrijf 1];

- deze geldbedragen voor een substantieel deel zijn aangewend voor privé-uitgaven van verdachte.

Tevens blijkt uit het dossier dat de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) onderzoek heeft verricht bij [bedrijf 2] en [bedrijf 1] en daarbij het volgende heeft vastgesteld:

- [bedrijf 1] heeft in het geheel geen boekhouding bijgehouden;

- met betrekking tot de investeringen van [bedrijf 1] was geen business- of investeringsplan aanwezig;

- na het stopzetten van mogelijke investeringen op de Malediven zou er een project gestart zijn in Frankrijk, maar er waren geen stukken aanwezig inhoudende enige onderbouwing van investeringen in Frankrijk;

- door de obligatiehouders in [bedrijf 1] is in totaal € 2.030.000,-- ingelegd, waarvan € 570.000,-- is aangewend voor betaling van provisie, managementvergoedingen en salaris van de bestuurders die tevens aandeelhouder zijn, € 652.000,-- is aangewend voor overige kosten en betaling van de maandelijkse rente aan de obligatiehouders en € 808.000,00 is uitgeleend aan [bedrijf 8] ([bedrijf 8]) en [bedrijf 9] ([bedrijf 9]);

- met betrekking tot de aan [bedrijf 8] en [bedrijf 9] verstrekte leningen is niet gebleken van afspraken omtrent rente, aflossingen en zekerheden;

- [bedrijf 1] heeft haar beleggers geen essentiële informatie verstrekt op grond waarvan zij een geïnformeerd besluit kunnen nemen over de uitoefening van hun contractuele rechten.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 1A en 2A

De rechtbank heeft in het dossier geen overtuigend bewijs aangetroffen op grond waarvan

zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat bij verdachte en haar medeverdachten van meet af aan het oogmerk heeft bestaan om de door de investeerders ingelegde gelden niet te investeren in een resort of een cruiseschip op de Malediven, maar ten eigen bate aan te wenden. Niet bewezen kan daarom worden dat het voorspiegelen van dergelijke investeringen aan de investeerders, zoals ten laste is gelegd, valselijk is geweest.

Daarnaast kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat verdachte en haar medeverdachten bij het aangaan van de investeringsovereenkomsten met de in de tenlastelegging genoemde personen nimmer de intentie hebben gehad om de ingelegde gelden terug te betalen. De onder 1A en 2A ten laste gelegde oplichting acht de rechtbank om die reden niet bewezen en verdachte wordt van deze feiten vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de feiten 1B en 2B

Onder feit 1B is aan verdachte ten laste gelegd dat zij, samen met haar medeverdachte(n), de geldbedragen die zij als tussenpersoon namens [bedrijf 2] van de verschillende investeerders heeft ontvangen, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Onder feit 2B is ten laste gelegd dat [bedrijf 1] de geldbedragen die deze BV als financieel tussenpersoon van de verschillende investeerders heeft ontvangen, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, terwijl verdachte daaraan, samen met haar medeverdachte(n), feitelijk leiding heeft gegeven, dan wel dat verdachte daartoe opdracht heeft gegeven.

De rechtbank merkt in dit verband op dat van toe-eigenen zoals ten laste is gelegd sprake is indien een persoon zonder daartoe gemachtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van zodanig beschikken kan – afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval – onder meer sprake zijn indien aan een ander dan verdachte toebehorende gelden aan verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt1.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de geldbedragen die door de verschillende aangevers ter beschikking zijn gesteld aan [bedrijf 2] en aan [bedrijf 1], teneinde deze te beleggen in een resort of een cruiseschip op de Malediven of in onroerend goed in Europa,

gedurende de tenlastegelegde periode nimmer zijn aangewend voor welk investeringsproject dan ook. In plaats van de ingelegde gelden te investeren in winstgevende projecten, en zo de betaling van de toegezegde rente en de terugbetaling van de ingelegde hoofdsommen mogelijk te maken, zijn de bedragen grotendeels gebruikt voor de financiering van de bedrijfsvoering van [bedrijf 2] en van [bedrijf 1], alsmede managementvergoedingen en salarissen van verdachte en haar medeverdachten.

Verdachte en haar medeverdachten hebben in strijd met hetgeen aan de aangevers is voorgehouden en/of tegen de met die aangevers gemaakte afspraken in, de ingelegde gelden beheerd en voor andere doeleinden aangewend. Door deze andere aanwending hebben de verdachten de teruggave – met de toegezegde rentevergoeding – van de ingelegde geldbedragen door hun eigen handelwijze onmogelijk gemaakt of aanmerkelijk bemoeilijkt.

Verdachte hebben aldus zonder daartoe gemachtigd te zijn als heer en meester beschikt over de ingelegde gelden en zich die gelden toegeëigend.

Het onder de feiten 1B en 2B tenlastegelegde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

5.2.2

Feiten 3A en 3B

De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte [verdachte] en haar medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geldbedragen van investeerders in [bedrijf 2] en [bedrijf 1] hebben verduisterd. De rechtbank leidt voorts uit een onderzoek van de AFM bij [bedrijf 2]/[bedrijf 1] en uit het politieonderzoek naar de mutaties op de bankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] af dat verdachte [verdachte] en haar medeverdachten deze geldbedragen hebben overgedragen, omgezet en van deze geldbedragen gebruik hebben gemaakt. Immers, uit genoemde onderzoeken blijkt dat door investeerders ingelegde gelden zijn overgemaakt naar de personal holdings van [verdachte] en [medeverdachte 3] en naar hun privérekeningen en gebruikt zijn voor de bedrijfsvoering van [bedrijf 2]. Daarnaast is het bij [bedrijf 1] ingelegde geld van investeerders grotendeels opgegaan aan salarissen, beheerskosten, provisies, dienstreizen en bedrijfsvoering. Uit de genoemde onderzoeken is tevens gebleken dat nergens enig bezit is aangekocht, dan wel is geïnvesteerd in onroerend goed projecten. Niet door [bedrijf 2] en niet door [bedrijf 1].

Het onder feit 3A en feit 3B tenlastegelegde acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5.2.3

Feit 4

De rechtbank merkt in dit verband op dat volgens bestendige jurisprudentie onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Het oogmerk van die organisatie moet bestaan in het plegen van misdrijven.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat tussen verdachte [verdachte] en haar medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de tenlastegelegde periode een samenwerkingsverband heeft bestaan. De rechtbank is echter van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat het oogmerk, te weten het naaste doel, van dat samenwerkingsverband bestond in het plegen van misdrijven.

Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het onder feit 4 tenlastegelegde.

5.3

Parketnummer 08/955579-13: de standpunten van de officier van justitie en de

verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is. Er was geen sprake van een gezagsverhouding tussen verdachte en [medeverdachte 3] en er was dus ook geen sprake van een dienstbetrekking. Daarnaast heeft verdachte niet aangegeven dat ze werkzaamheden verrichtte voor en inkomsten had uit [bedrijf 3] BV, [bedrijf 1] en [bedrijf 4] BV.

Het standpunt van de verdediging

De tenlastelegging is gebaseerd op de aanwezigheid van een gefingeerd dienstverband tussen

verdachte en [bedrijf 2]. Weliswaar was er geen duidelijke hiërarchie tussen verdachte en [medeverdachte 3], maar het was [medeverdachte 3] die alles bepaalde en zich bezighield met de financiën. Van een gefingeerd dienstverband is geen sprake geweest.

Met betrekking tot het onder feit 1 tweede gedachtestreepje ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat er door verdachte geen werkzaamheden zijn verricht.

De verdediging is dan ook van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde.

5.4

Parketnummer 08/955579-13: de bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.4.1

Feit 1 eerste gedachtestreepje en feit 2 primair en subsidiair

De rechtbank overweegt met betrekking de onder feit 1, eerste gedachtestreepje genoemde gezagsverhouding tussen verdachte en [medeverdachte 3] en de onder feit 2 primair en subsidiair genoemde loondienst van verdachte bij [bedrijf 2] het volgende.

Verdachte wordt onder feit 1, eerste gedachtestreepje, verweten dat zij geen melding heeft gemaakt bij het UWV van het feit dat er tussen haar en [bedrijf 2] in de ten laste gelegde periodes geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Er zou namelijk geen sprake zijn geweest van een gezagsverhouding tussen verdachte en [medeverdachte 3].

Daarnaast wordt verdachte onder feit 2 primair en subsidiair verweten dat zij bij het CWI en het UWV valselijk heeft aangegeven dat zij in loondienst was bij [bedrijf 2].

Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank aanwijzingen – in de vorm van meerdere getuigenverklaringen – dat verdachte in de loop van de tijd binnen [bedrijf 2] een steeds dominantere rol is gaan spelen. Echter, nog daargelaten of die dominantere rol tot gevolg heeft gehad dat er geen sprake (meer) was van een gezagsverhouding tussen verdachte en [medeverdachte 3], is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte met opzet een dienstbetrekking gefingeerd heeft en achterwege heeft gelaten om de informatie daaromtrent aan het CWI en het UWV door te geven. Er is evenmin sprake van voldoende bewijs dat verdachte bij het invullen van de aanvraagformulieren het oogmerk van misleiding van het CWI en het UVW heeft gehad, of dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen ten koste van het CWI en het UWV door deze instanties opzettelijk incorrecte informatie te verstrekken.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van hetgeen haar onder het feit 1, eerste gedachtestreepje en feit 2 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

5.4.2

Feit 1 tweede gedachtestreepje

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Arbeid die in dienstbetrekking wordt verricht leidt tot verzekering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Ingevolge artikel 25 van de WW is een werknemer verplicht aan het UWV op verzoek van het UWV of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat verdachte op 1 augustus 2007 in dienst is getreden bij [bedrijf 2]. De arbeidsovereenkomst is per 1 juni 2009 beëindigd, waarna verdachte een uitkering krachtens de WW is toegekend.

Op 22 oktober 2007 heeft verdachte [bedrijf 3] BV opgericht. [bedrijf 3] BV was voor 25% aandeelhouder van [bedrijf 1]. De werkzaamheden van verdachte voor [bedrijf 3] BV bestonden uit het bemiddelen bij hypotheken (namens [bedrijf 2]) en uit het verwerven van gelden ten behoeve van de door [bedrijf 1] te verrichten investeringen. [bedrijf 3] ontving van [bedrijf 2] provisie en van [bedrijf 1] een managementfee. Vanuit [bedrijf 1] ontving verdachte als aandeelhouder ook een vergoeding. Verdachte heeft het UWV niet van deze werkzaamheden en inkomsten op de hoogte gesteld. Naar het oordeel heeft verdachte daarmee de op haar krachtens artikel 25 WW rustende verplichting geschonden. Verdachte had redelijkerwijs moeten vermoeden dat de gegevens van belang waren voor de vaststelling van haar recht op een uitkering krachtens de WW.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen aan verdachte onder feit 1, tweede gedachtestreepje ten laste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen is.

5.5

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 08/900011-11, feiten 1A, 2A en 4 en onder parketnummer 08/955579-13, feit 2 is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder parketnummer 08/900011-11, feiten 1B, 2B, 3A en 3B en parketnummer 08/955579-13 feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer: 08/900011-11

1. B.

zij, handelend onder de naam [bedrijf 2], in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een hoeveelheid geld, toebehorende aan een aantal personen, waaronder de navolgende aangevers: dhr. [slachtoffer 1] en dhr. [slachtoffer 2] en mw. J.C. [slachtoffer 2]-Haar en Mw. [slachtoffer 4] en Dhr. [slachtoffer 5] en mw. [slachtoffer 6] en/of Dhr. [slachtoffer 7] en Mw. [slachtoffer 8] en Mw. [slachtoffer 9] en dhr. [slachtoffer 10], welke hoeveelheid geld verdachte en haar mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, namelijk ter voldoening van beheersactiviteiten als financieel tussenpersoon/adviesbureau, zich wederrechtelijk hebben toegeëigend;

2. B.

[bedrijf 1] BV in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Nederland,

meermalen opzettelijk een hoeveelheid geld, toebehorende aan een aantal personen, waaronder de navolgende aangevers: dhr. [slachtoffer 11] en dhr. [slachtoffer 12] en mw. [slachtoffer 13] en mw. [slachtoffer 14] en dhr. [slachtoffer 15], welke hoeveelheid geld [bedrijf 1] BV anders dan door misdrijf onder zich had, namelijk ter voldoening van beheersactiviteiten als financieel tussenpersoon, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend,

aan welke verboden gedraging zij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, feitelijk leiding heeft gegeven;

3. A.

zij in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag:

• van mw. [slachtoffer 4], en

• van dhr. [slachtoffer 5] en mw. [slachtoffer 6], en

• van dhr. [slachtoffer 7], en

• van mw. [slachtoffer 8], en

• van mw. [slachtoffer 9] en dhr. [slachtoffer 10]

heeft overgedragen en omgezet en van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en haar mededader telkens wisten dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

EN

3. B.

zij in de periode van 1 juli 2007 tot en met juni 2009 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag:

• van dhr. [slachtoffer 11], en

• van dhr. [slachtoffer 12], en

• van mw. [slachtoffer 13], en

• van mw. [slachtoffer 14], en

• van dhr. [slachtoffer 15], en

• van dhr. [slachtoffer 16],

heeft overgedragen en omgezet en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en haar mededaders telkens wisten dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

Parketnummer: 08/955579-13

1.

zij in de periode van 1 juni 2009 tot en met 24 februari 2013 in Nederland,

in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 25 van de Werkloosheidswet opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander,

terwijl verdachte redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten haar, verdachtes, recht op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft zij, verdachte, aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen niet opgeven/gemeld:

- verrichte werkzaamheden en ontvangen inkomsten bij/van [bedrijf 3] BV en [bedrijf 1] BV.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 08/900011-11, feiten 1B, 2B, 3A en 3B en onder parketnummer 08/955579-13 feit 1 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De rechtbank overweegt met betrekking het onder feit 3A en feit 3B van parketnummer 08/900011-11 bewezenverklaarde als volgt.

Door het bewezenverklaarde overdragen, omzetten en gebruiken van de door de investeerders in [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ingelegde gelden hebben verdachte [verdachte] en haar medeverdachten onmiddellijk van misdrijf afkomstige gelden weer in het reguliere betalingsverkeer gebracht. Daardoor is naar het oordeel van de rechtbank de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde aangetast. De strafbaarstelling van witwassen dient volgens de wetsgeschiedenis nu juist ter bescherming van die integriteit en de rechtbank is dan ook van oordeel dat het bewezenverklaarde overdragen, omzetten en gebruikmaken gekwalificeerd moeten worden als witwassen.

De onder parketnummer 08/900011-11 bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar gesteld bij de artikelen 321 en 420 bis Sr. Het onder parketnummer 08/955579-13 bewezenverklaarde feit is strafbaar gesteld bij artikel 227b Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 B

het misdrijf: medeplegen van verduistering;

feit 2 B

het misdrijf: verduistering, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

feiten 3A en 3B:

telkens het misdrijf: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Parketnummer 08/955579-13

feit 1 tweede gedachtestreepje:

het misdrijf: in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming/de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft samen met haar medeverdachte [medeverdachte 3], namens het assurantiekantoor van die [medeverdachte 3], en als bestuurder van de haar in mede-eigendom toebehorende [bedrijf 1] BV, meerdere malen cliënten bewogen tot het oversluiten van de hypotheek op hun woning tegen de werkelijk waarde, waardoor de overwaarde van die woning ten opzichte van de lopende hypotheek vrijkwam. Vervolgens werden de cliënten overgehaald om die overwaarde door tussenkomst van verdachte te investeren tegen hoge rentepercentages (tot 12% en 13%). Verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van de vertrouwensrelatie die zij die in de loop der jaren met sommige cliënten had opgebouwd. Deze cliënten hadden dan ook een groot vertrouwen in verdachte. Het ingelegde geld is grotendeels opgegaan aan kosten, provisies, salarissen, managementvergoedingen en rentebetalingen. De rechtbank leidt uit het dossier af dat het met deze uitgaven gemoeide bedrag ongeveer € 1.200.000,-- bedraagt. Als gevolg van verdachtes handelswijze zijn een aantal klanten in grote financiële problemen gekomen. Zij zullen nog jarenlang de rente over de verhoogde hypotheek moeten betalen, zonder dat daar rente-inkomsten van de investeringen tegenover staan. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij misbruik heeft gemaakt van het in haar gestelde vertrouwen.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de gelden die met de hiervoor weergegeven handelswijze zijn verkregen.

Tot slot heeft zij zich schuldig gemaakt aan het niet opgeven van gegevens welke van belang waren voor de vaststelling van haar werkloosheidsuitkering.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij op geen enkele wijze blijk heeft gegeven het laakbare van haar handelen in te zien.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de door het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) vastgestelde oriëntatiepunten, die voor een zaak als onderhavige waarbij sprake is van een benadelings-bedrag van € 1.000.000,-- en hoger, een straf aangeven van 24 maanden gevangenisstraf tot het wettelijk maximum aan gevangenisstraf.

De rechtbank heeft kennis genomen van het omtrent verdachte door drs. S. Labrijns, GZ-psycholoog, uitgebrachte rapport d.d. 7 mei 2012 waarin deze tot de conclusie komt dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid. Drs. Labrijns heeft echter, gezien de ontkennende houding van verdachte, geen uitspraak gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte.


Tot slot laat de rechtbank in het voordeel van verdachte meewegen dat zij niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. De rechtbank ziet daarbij reden, teneinde verdachte een waarschuwing mee te geven, een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partijen

1. [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], wonende te [woonplaats], [adres];

2. [slachtoffer 7], wonende te [woonplaats], [adres];

3. [benadeelde 1] en [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], [adres];

4. [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres];

5. [slachtoffer 12], wonende te [woonplaats], [adres];

6. [slachtoffer 14], wonende te [woonplaats], [adres];

7. [slachtoffer 13], wonende te [woonplaats], [adres];

8. [benadeelde 4], wonende te [woonplaats], [adres];

9. [slachtoffer 15], wonende [woonplaats], [adres];

10. [slachtoffer 11], wonende te [woonplaats], [adres];

11. [benadeelde 5], wonende [woonplaats], [adres];

12. [benadeelde 6], wonende te [woonplaats], [adres];

13. [benadeelde 7], wonende te [woonplaats], [adres];

14. [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], [adres];

15. [benadeelde 8], wonende te [woonplaats], [adres];

16. [benadeelde 9], wonende te [woonplaats], [adres];

17. [slachtoffer 10], wonende te [woonplaats], [adres];

18. [slachtoffer 8], wonende te [woonplaats], [adres];

19. [benadeelde 10], wonende [woonplaats], [adres];

20. [benadeelde 11], wonende te [woonplaats], [adres];

21. [benadeelde 12], wonende te [woonplaats], [adres];

22. [benadeelde 13] en [benadeelde 13], wonende te [woonplaats], [adres];

23. [slachtoffer 16] en [benadeelde 14], wonende te [woonplaats], [adres];

hebben zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partijen gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij:

1. [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] vorderen veroordeling van verdachte tot betaling van

€ 95.000,00 (vijfennegentigduizend euro) alsmede de wettelijke rente vanaf 5 september 2012. Deze schade bestaat uit de volgende post:

- geldleningsovereenkomst € 95.000,00.

2. [slachtoffer 7] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 230.909,75 (tweehonderdendertigduizend en negenhonderdennegen euro en vijfenzeventig eurocent) alsmede de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- lening plus misgelopen rente € 197.600,00

- lening plus misgelopen rente € 33.300,00

- reiskosten € 9,75.

3. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] vorderen veroordeling van de verdachte tot betaling van

€ 53.534,93 (drieënvijftigduizend en vijfhonderdvierendertig euro en drieënnegentig eurocent). Deze schade bestaat uit de volgende post:

- materiële schade € 53.534,93.

4. [benadeelde 3] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 66.826,00 (zesenzestigduizend en achthonderdenzesentwintig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- lening € 50.000,00

- gederfde rente € 16.000,00

- immateriële schade € 750,00

- kosten rechtsbijstand € 76,00.

5. [slachtoffer 12] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 531.826,00 (vijfhonderd eenendertig duizend en achthonderdenzesentwintig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- lening I € 300.000,00

- lening II € 100.000,00

- gederfde rente € 131.000,00

- immateriële schade € 750,00

- kosten rechtsbijstand € 76,00.

6. [slachtoffer 14] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 71.460,00 (eenenzeventigduizend vierhonderdenzestig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- materiele schade € 71.210,00

- immateriële schade € 250,00.

7. [slachtoffer 13] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 72.100,00 (tweeënzeventigduizend eenhonderd euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- obligatielening € 70.000,00

- bemiddelingskosten € 2.100,00.

8. [benadeelde 4] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 141.680,00 (honderd eenenveertigduizend zeshonderdentachtig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- obligatiewaarde € 92.000,00

- 54 maanden rente € 49.680,00.

9. [slachtoffer 15] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 92.240,00 (tweeënnegentigduizend tweehonderdenveertig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- obligatielening € 92.240,00

- misgelopen rente € 17.550,00

- betaalde rente € 9.690,00.

10. [slachtoffer 11] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling € 364.462,50 (driehonderdvierenzestigduizend vierhonderd en tweeënzestig euro en vijftig eurocent). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- hypotheek/obligatielening € 349.662,50

- geldlening € 14.500,00

- immateriële schade € 250,00.

11. [benadeelde 5] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 130.352,21 (honderddertigduizend driehonderd en tweeënvijftig euro en eenentwintig eurocent). Deze schade bestaat uit de volgende post:

- restschuld € 130.352,21.

12. [benadeelde 6] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 154.650,00 (honderdvierenvijftigduizend zeshonderdenvijftig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- hoofdsom geleend geld € 150.000,00

- misgelopen rente € 4.650,00.

13. [benadeelde 7] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 384.456,39 (driehonderdvierentachtigduizend vierhonderdzesenvijftig euro en negenendertig eurocent). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

Reiskosten gesprek curator € 66,50

Rechtshulp € 13.238,94

Notariskosten € 4.150,95

Obligatie [bedrijf 1] € 110.000,00

Rente € 4.000,00

Betalingsachterstand BOS € 253.000,00.

14. [slachtoffer 2] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 59.875,00 (negenenvijftigduizend achthonderdvijfenzeventig euro eurocent). Deze schade bestaat uit de volgende post:

- nieuwe hypotheek € 59.875,00.

15. [benadeelde 8] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 97.080,78 (zevenennegentigduizend en tachtig euro en achtenzeventig eurocent). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- [bedrijf 1] € 47.247,65

- [bedrijf 4] € 47.499,70

- advocaatkosten € 2.249,71

- verlofuren € 81,72.

16. [benadeelde 9] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 116.200,00 (honderdzestienduizend en tweehonderd euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- inleg obligatielening € 70.000,00

- niet uitbetaalde rente € 46.200,00.

17. [slachtoffer 10] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 152.914,00 (honderd tweeënvijftigduizend en negenhonderd en veertien euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- geldleningsovereenkomst € 80.000,00

- misgelopen rente € 51.504,00

- notariskosten € 6.318,00

- BLG hypotheken € 15.092,00.

18. [slachtoffer 8] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 100.000,00 (honderdduizend euro). Deze schade bestaat uit de volgende post:

- geldleningsovereenkomst € 100.000,00.

19. [benadeelde 10] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 119.241,13 (honderdnegentienduizend tweehonderd en eenenveertig euro en dertien eurocent). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- geldleningsovereenkomst € 80.000,00

- nota [naam] 2-9-2011 € 87,47

- nota [naam] 13-7-2011 € 142,80

- periodieke rekening [naam] € 72,48

- notariskosten € 1.338,38

- misgelopen rente € 37.600,00.

20. [benadeelde 11] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 121.550,00 (eenhonderd eenentwintigduizend en vijfhonderd en vijftig euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- geldleningsovereenkomst [medeverdachte 3] € 85.000,00

- gederfde rente € 36.550,00.

21. [benadeelde 12] vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 20.400,00 (twintigduizend en vierhonderd euro). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- investering [bedrijf 4] € 20.400,00.

22. [benadeelde 13] en [benadeelde 13] vorderen veroordeling van de verdachte tot betaling van € 151.354,84 (honderd een en vijftig driehonderd vierenvijftig euro en vierentachtig eurocent). Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- geldleningsovereenkomst [medeverdachte 3] € 150.000,00

- rente juli 2009 € 1.354,84.

23. [slachtoffer 16] en [benadeelde 14] vorderen veroordeling van de verdachte tot betaling van

€ 197.550,00 (honderdzevenennegentigduizend zevenhonderdenvijftig euro) Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- geldsommen; € 173.750,00

- eenmalige kosten € 9.000,00

- jaarlijkse kosten € 14.800,00.

Ook hebben de benadeelde partijen gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank stelt vast dat een aantal van de benadeelde partijen niet genoemd worden in de tenlastelegging. Reeds om deze reden dienen de vorderingen van deze partijen niet-ontvankelijk verklaard te worden, en kunnen deze partijen hun vorderingen slechts in zoverre aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank is voorts van oordeel dat zonder nader onderzoek ten aanzien van de wel in de tenlastelegging genoemde benadeelde partijen niet vastgesteld kan worden welk deel van het gevorderde bedrag in de bewezenverklaarde periode verduisterd en vervolgens witgewassen is. Het alsnog laten uitvoeren van dit onderzoek levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de rechtbank ook deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren, en ook voor deze partijen geldt dat zij hun vordering in zoverre slechts kunnen aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast

berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 47 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder, parketnummer 08/900011-11, feit 1A, feit 2A en feit 4 en onder parketnummer 08/955579-13 feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 08/900011-11, feiten 1B, 2B, 3A en 3B en parketnummer 08/955579-13 feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 08/900011-11, feiten 1B, 2B, 3A en 3B en parketnummer 08/955579-13 feit 1 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer 08/900011-11:

feit 1B: het misdrijf: medeplegen van verduistering;

feit 2B: het misdrijf: verduistering, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

feit 3A en 3B: telkens het misdrijf: medeplegen van witwassen;

parketnummer: 08/955579-13:

feit 1: het misdrijf: in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming/de hoogte of de duur van een verstrekking of tegemoetkoming;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder parketnummer 08/900011-11, feiten 1B, 2B, 3A en 3B en parketnummer 08/955579-13 feit 1 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partijen:

1. [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], wonende te [woonplaats], [adres];

2. [slachtoffer 7], wonende te [woonplaats], [adres];

3. [benadeelde 1] en [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], [adres];

4. [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], [adres];

5. [slachtoffer 12], wonende te [woonplaats], [adres];

6. [slachtoffer 14], wonende te [woonplaats], [adres];

7. [slachtoffer 13], wonende te [woonplaats], [adres];

8. [benadeelde 4], wonende te [woonplaats], [adres];

9. [slachtoffer 15], wonende [woonplaats], [adres];

10. [slachtoffer 11], wonende te [woonplaats], [adres];

11. [benadeelde 5], wonende [woonplaats], [adres];

12. [benadeelde 6], wonende te [woonplaats], [adres];

13. [benadeelde 7], wonende te [woonplaats], [adres];

14. [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], [adres];

15. [benadeelde 8], wonende te [woonplaats], [adres];

16. [benadeelde 9], wonende te [woonplaats], [adres];

17. [slachtoffer 10], wonende te [woonplaats], [adres];

18. [slachtoffer 8], wonende te [woonplaats], [adres];

19. [benadeelde 10], wonende [woonplaats], [adres];

20. [benadeelde 11], wonende te [woonplaats], [adres];

21. [benadeelde 12], wonende te [woonplaats], [adres];

22. [benadeelde 13] en [benadeelde 13], wonende te [woonplaats], [adres];

23. [slachtoffer 16] en [benadeelde 14], wonende te [woonplaats], [adres];

niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2014.

Mr. Wentink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Hoge Raad 11 december 2012, LJN BX3620.