Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3675

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
09-07-2014
Zaaknummer
ak_zwo_14_391
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:484, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat de omgevingsvergunning voor onder andere het aanleggen van een parkeerterrein met een verharde draaicirkel in Giethoorn (Steenwijkerland) verleend kon worden. Naar aanleiding de zitting, waarbij eisers een naar het oordeel van de rechtbank duidelijk, indringend en weinig verhullend beeld hebben geschetst van de al jarenlang door hen dagelijks ervaren geluidsoverlast en verdere hinder van het gebruik van de loswal, geeft de rechtbank de gemeente Steenwijkerland ernstig in overweging genoemde bezwaren serieus te betrekken in zijn verdere oordeelsvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 14/391

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van

[eisers]

beiden wonende te Giethoorn, eisers,

gemachtigde: mr. O.V. Wilkens,

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

verweerder,

gemeente Steenwijkerland, derde-belanghebbende.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2012 heeft verweerder aan de gemeente Steenwijkerland een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een parkeerterrein met een verharde draaicirkel, het verwijderen van de bestaande singel en het aanplanten van nieuwe beplanting en het opnieuw inrichten van het terrein op het perceel aan de [adres], kadastraal bekend [kadastrale gegevens], in Giethoorn.

Het door eisers tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van

29 maart 2013 gegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de laad- en losactiviteiten op dit perceel niet (meer) passen binnen de bestemming “Verkeersgebied” en daarom in strijd zijn met het bestemmingsplan “Giethoorn 1994”. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van deze uitspraak hebben eisers bij brief van 11 juni 2013 aan verweerder verzocht handhavend op te treden. Bij besluit van 3 september 2013 heeft verweerder dit verzoek toegewezen in die zin dat een ambtelijke waarschuwing zal worden gegeven. Tegen dit besluit is namens eisers een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 4 november 2013 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat de toewijzing van 3 september 2013 zal worden omgezet in een afwijzing van het handhavingsverzoek, omdat door het ter inzage leggen van de ontwerp-omgevingsvergunning een concreet zicht op legalisatie bestaat. Ook tegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft verweerder de bezwaren tegen beide besluiten ongegrond verklaard. Namens eisers is tegen dit besluit op 12 februari 2014 beroep ingesteld. Op 11 april 2014 heeft eiser aanvullende stukken (waaronder foto’s) aan de rechtbank toegezonden.

Naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank heeft verweerder op 11 april 2014 medegedeeld dat de ingediende zienswijzen tegen de ontwerp-omgevingsvergunning worden verwerkt en er naar wordt gestreefd dit uiterlijk 15 mei 2014 af te ronden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 april 2014. Eisers zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun gemachtigde. Eisers hebben zich laten vergezellen door M. Penning en mw. P. Olthof, bewoners van het perceel [adres] te Giethoorn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Holtjer, medewerker van de afdeling inwoners en ondernemers.

Overwegingen

1.

De ongegrondverklaring van de bezwaren tegen het besluit van 3 september 2013;

Nu verweerder bij besluit van 4 november 2013 de toewijzing van 3 september 2013 alsnog heeft omgezet in een afwijzing van het handhavingsverzoek, is de rechtbank van oordeel dat eisers geen belang meer hadden bij de behandeling van hun bezwaren, voor zover gericht tegen genoemd besluit van 3 september 2013. Verweerder heeft de bezwaren van eisers tegen dit besluit ten onrechte ontvankelijk geacht en ongegrond verklaard. Verweerder had de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep is op dit punt

gegrond en het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd. Met het oog op de finale beslechting van het geschil zal de rechtbank de bezwaren van eisers voor zover gericht tegen het besluit van 3 september 2013 alsnog niet-ontvankelijk verklaren en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen die eisers in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs hebben moeten maken, zijnde de kosten van rechtsbijstand in verband met het beroepschrift en de behandeling ter zitting (2 punten ad € 487,-- bij een zaak van gemiddelde zwaarte, wegingsfactor 1).

2.

De ongegrondverklaring van de bezwaren tegen het besluit van 4 november 2013;

2.1.

Het perceel waar dit besluit op ziet wordt al geruime tijd als loswal gebruikt. Via deze loswal worden hoofdzakelijk chalets en/of bouwmaterialen met behulp van een kraan, vrachtwagens en een ponton over de Dorpsgracht gezet om deze vervolgens naar de in de directe omgeving gelegen campings te vervoeren.

2.2.

Niet in geschil is dat de laad- en losactiviteiten in strijd zijn met de ter plaatse geldende beheersverordening (voorheen bestemmingsplan) “Giethoorn”. Verweerder was derhalve bevoegd om handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in de concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.

Nu de ontwerp-omgevingsvergunning inmiddels ter inzage heeft gelegen is verweerder van oordeel dat concreet zicht bestaat op legalisatie van het strijdige gebruik.

2.4.

De rechtbank heeft op grond van de gedingstukken vastgesteld dat verweerder op
16 oktober 2013 het ontwerpbesluit tot verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning heeft genomen en dat de ontwerp-omgevingsvergunning van 16 oktober 2013 tot en met26 november 2013 ter inzage heeft gelegen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2012 in zaak nr. 201205369/1A1) zou onder deze omstandigheden voor de conclusie dat desondanks concreet zicht op legalisering ontbreekt, eerst aanleiding kunnen bestaan indien op voorhand duidelijk zou zijn dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan niet zou kunnen worden verleend.

Tot een zo ver gaande stellige conclusie is de rechtbank in het onderhavige geval niet gekomen. Eisers hebben aangevoerd dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat nu zij op 25 november 2013 tegen de ontwerp-omgevingsvergunning een zienswijze hebben ingediend, waarbij is aangevoerd dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een niet actueel akoestisch rapport en daarnaast een tegenrapport is overgelegd, welke is opgesteld door Peutz.

De rechtbank is echter van oordeel dat daarmee niet gezegd is dat op voorhand duidelijk is dat de omgevingsvergunning voor het strijdig geachte gebruik niet verleend kan worden. Niet uitgesloten moet immers worden geacht dat verweerder de bezwaren van eisers op een voldoende adequate wijze alsnog weet te weerleggen. Inhoudelijke bespreking daarvan dient in een mogelijk hieruit voortvloeiende bezwaar- en beroepsprocedure aan de orde te komen.

2.5.

In dit kader en naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, waarbij eisers een naar het oordeel van de rechtbank duidelijk, indringend en weinig verhullend beeld hebben geschetst van de al jarenlang door hen dagelijks ervaren geluidsoverlast en verdere hinder van het gebruik van de loswal, geeft de rechtbank verweerder ernstig in overweging genoemde bezwaren serieus te betrekken in zijn verdere oordeelsvorming.

2.6.

Gelet op het vorenstaande dient wel gezegd te worden dat ten tijde van het bestreden besluit – hoewel ook door de rechtbank niet uit het oog is verloren dat de besluitvorming in casu traag verloopt - concreet zicht bestond op legalisering van het strijdige gebruik, zodat het beroep van eisers op dit punt niet slaagt en ongegrond wordt verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren gericht tegen het besluit van 3 september 2013, gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

-verklaart het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2013 niet-ontvankelijk;

-bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-verklaart het beroep overigens ongegrond;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 974,-;

-bepaalt dat verweerder aan eisers het door hun betaalde griffierecht, te weten € 165,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.G.M. van Montfort, voorzitter, mr. R.J. van Lochem en mr. J.W.M. Bunt, leden, in aanwezigheid van C. Kuiper als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2014.