Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3669

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
C-08-150089 - HA ZA 14-15
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2014:6255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwaling over waarde IGCSE-diploma. Door overlegging van een brochure en mededelingen tijdens de voorlichting heeft ISE eisers verkeerd geïnformeerd terwijl in redelijkheid kan worden aangenomen dat eisers bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet zouden hebben gesloten. Buitengerechtelijke vernietiging kan worden bevestigd. Verwijzing naar de rol zodat partijen zich kunnen uitlaten over de gevorderde terugbetaling van kosten van onderwijs en kosten van boarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/150089 / HA ZA 14-15

Vonnis van 9 juli 2014

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [plaats],

2. [eiser 2],

wonende te [plaats],

3. [eiser 3],

wonende te [plaats],

eisers,

advocaat mr. Y.A.E. Vlassenroot te Haarlem,

tegen

de stichting

STICHTING INTERNATIONALE SCHOOL EERDE,

gevestigd te Ommen,

gedaagde,

advocaat mr. A. Arslan te Zwolle.

Eisers zullen hierna gezamenlijk als [eisers] worden aangeduid. Gedaagde zal ISE genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 maart 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 mei 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

ISE is een internationaal internaat te Ommen, dat verschillende particuliere onderwijsvormen aanbiedt waaronder het IGCSE-programma (International General Certificate of Secondary Education) en het IB-programma (Internationale Baccalaueate).


2.2. Tussen partijen is eind 2010 een overeenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan [eiser 3] per 1 januari 2011 onderwijs en boarding heeft genoten. [eiser 3] heeft de opleiding medio 2012 succesvol afgerond.

2.3.

Na het behalen van zijn IGCSE-diploma heeft [eiser 3] zich in de zomer van 2012 ingeschreven bij Hogeschool Windesheim te Zwolle teneinde een HBO-opleiding te volgen. [eiser 3] is vervolgens verhuisd naar Zwolle. Na enkele weken onderwijs te hebben genoten is [eiser 3] van Windesheim verwijderd. Als reden van verwijdering werd door Hogeschool Windesheim aangevoerd dat het IGCSE-diploma niet gelijkwaardig was aan een HAVO-diploma.

2.4.

Het e-mailbericht van de heer J. Alberts van het Nuffic, International Recognition Department, van 29 april 2014 aan mr. Vlassenroot vermeldt:

In 2010 is door Nuffic de waardering van het (I)GCSE aangepast. Vóór 2010 werd het IGCSE in 6 vakken met een score van A*, A, B of C vergeleken met een havo-diploma. Vanaf 2010 werd enkel een (I)GCSE niet als voldoende vergelijkbaar met een havo-diploma beschouwd. Sinds januari 2010 hanteert de Nuffic voor een vergelijking met een havo-diploma: een IGCSE in vier vakken A*, A, B of C + General Certificate of Education (GCE) met twee vakken op advanced subsidiary (A/S) level (in 6 verschillende vakken). Hiermee liggen onze eisen t.a.v. een vergelijking met een havo-diploma lager dan de minimale eisen voor toelating tot hoger onderwijs in het Verenigd Koninkrijk. Binnen het Britse systeem volgen de examens voor het GCS A/S level normaliter 1 jaar na de examens voor het GCSE.

Deze informatie is begin 2010 via de landenmodule VK op onze website kenbaar gemaakt.


2.5. De brochure van ISE vermeldt onder meer:

IGCSE has been recognized bij many countries as equivalent to their own national examinations. The system is recognized as equivalent to the GCSE in Britain and under conditions to HAVO in the Netherlands.

2.6.

De tussen partijen gesloten overeenkomst bepaalt onder 10 e:

Voor zover “Eerde” haar aansprakelijk voor schade niet heeft uitgesloten, wordt haar aansprakelijkheid beperkt tot een maximumbedrag van € 250,-- voor iedere gebeurtenis en/of ieder geval.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert samengevat - veroordeling van ISE tot betaling van € 94.845,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

ISE voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eisers] heeft aangevoerd dat de keuze voor ISE enkel en alleen was gelegen in de mededeling van ISE dat [eiser 3] na het volgen en succesvol afronden van de opleiding zou beschikken over een diploma dat gelijkwaardig zou zijn aan een HAVO-diploma. [eisers] heeft daarbij verwezen naar de brochure van ISE, alsmede ter zitting aangevoerd dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] in de kerstvakantie van 2010 namens ISE het systeem van de internationale diploma’s hebben uitgelegd en [eisers] hebben medegedeeld dat het IGCSE-diploma onder voorwaarden gelijkwaardig was aan het HAVO-diploma. Op de vraag naar de inhoud van de voorwaarden, is door [naam 1] en [naam 2] verklaard dat [eiser 3] minimaal een C moest halen en dat hij een aantal vakken op een higher level moest doen. [eiser 3] heeft aan die voorwaarden voldaan. Voorts is met [naam 2] gesproken over het HBO. Gelet op deze uitlatingen mocht [eisers] erop vertrouwen dat [eiser 3] nadien zijn studie zou kunnen vervolgen bij een HBO-instelling. Bij een juiste voorstelling van zaken zou de overeenkomst niet zijn gesloten. ISE had dat kunnen en moeten begrijpen. Nu het diploma niet gelijkwaardig is gebleken aan een HAVO- diploma is schade geleden. [eisers] vordert vergoeding van de schade op grond van dwaling, toerekenbare tekortkoming dan wel onrechtmatige daad.

4.2.

ISE heeft verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van dwaling, toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad. Zij heeft betwist dat door [eisers] voorafgaand aan de overeenkomst is aangegeven dat het van essentieel belang was dat het diploma gelijkwaardig was aan een HAVO-diploma.

4.3.

Met betrekking tot het beroep op dwaling stelt de rechtbank het volgende vast.
Terzake de waarde van het IGCSE-diploma is niet in geschil dat het Nuffic deze begin 2010 heeft aangepast en dit bekend heeft gemaakt via haar website. Voorts kan worden vastgesteld dat - naar door [eisers] is aangevoerd en door ISE niet gemotiveerd is weersproken - dat partijen in de kerstvakantie van 2010 hebben gesproken over het IGCSE-diploma alsmede over de waarde daarvan. Als niet gemotiveerd betwist kan er van uit worden gegaan dat [eisers] aan [naam 1] en [naam 2] vragen heeft gesteld over de in de brochure genoemde voorwaarden en dat deze vragen zijn beantwoord als door [eisers] is aangegeven. Dat de genoemde voorwaarden zien op de waardering door Nuffic, zoals ISE heeft betoogd, kan zonder nadere toelichting welke evenwel ontbreekt, niet worden gevolgd. Dit blijkt ook niet uit de formulering in de brochure.

Verder kan worden vastgesteld dat [eisers] gemotiveerd heeft aangevoerd dat in gesprekken met [naam 2] is gesproken over het Hoger Beroepsonderwijs, nu dit door ISE niet gemotiveerd is weersproken.
ISE heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat het vanaf het begin de bedoeling is geweest dat [eiser 3] na het behalen van het IGCSE-diploma zou doorstromen naar het IB, maar is in gebreke gebleven deze stelling te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Dit betekent dat ISE op dit punt niet aan de stelplicht heeft voldaan en deze stelling geen nadere bespreking behoeft.


4.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ISE door overlegging van haar brochure en mededelingen tijdens de voorlichting, [eisers] verkeerd heeft geïnformeerd. Voorts kan onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid worden aangenomen dat [eisers] bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet zou hebben gesloten en dat van een situatie waarin ISE mocht menen dat de inlichting de besluitvorming van [eisers] niet beïnvloedde geen sprake was.

Als uitgangspunt kan immers worden aangenomen dat de waarde van een buitenlands diploma in Nederland voor de gemiddelde ouder van wezenlijk belang is. Dit geldt temeer als deze waarde tijdens een gesprek uitdrukkelijk aan de orde is geweest, uitdrukkelijk vragen zijn gesteld over de daarbij genoemde voorwaarden en deze vragen ook duidelijk zijn beantwoord. Van een onderwijsinstelling als ISE mag worden verwacht dat zij te allen tijde adequate informatie over haar opleiding en de waarde van een diploma verschaft. Daaraan doet niet af dat zij zelf kennelijk eerst twee jaar later bekend is geworden met het besluit van de Nuffic. Daargelaten dat deze omstandigheid voor haar risico komt, kan een overeenkomst ook ingeval van wederzijdse dwaling vernietigbaar zijn. Dat de onjuiste voorstelling van zaken bij [eisers] een rol heeft gespeeld en dat ook bij een juiste voorstelling van zaken voor ISE kenbaar was dat de omstandigheid waaromtrent werd gedwaald voor [eisers] van essentieel belang was is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voldoende gebleken. Dit leidt tot de conclusie dat de overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen.
Anders dan ISE meent is van dwaling omtrent een toekomstige omstandigheid geen sprake. Ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst had het Nuffic de waardering immers al gewijzigd.


4.5. Op grond van het voorgaande komt de overeenkomst van eind 2010 voor vernietiging in aanmerking zodat de buitengerechtelijke vernietiging per 13 maart 2013 kan worden bevestigd. Dit betekent dat het beroep van ISE op artikel 10e van de overeenkomst waarin zij haar aansprakelijkheid heeft beperkt met de overeenkomst is vervallen en geen verdere bespreking behoeft.

Het standpunt dat [eisers] niet hebben voldaan aan de schadebeperkingsplicht wordt niet gevolgd. Met [eisers] is de rechtbank van oordeel dat het voorstel van ISE in november 2012, om [eiser 3] alsnog de benodigde vakken te laten volgen, op dat moment een gepasseerd station was. [eiser 3] was toen immers al met een andere studie begonnen.

4.6.

De familie [eisers] heeft betaling gevorderd van de betaalde schoolkosten van € 55.195,00, de kosten van een jaar studievertraging (€ 18.875,00), extra studiekosten door het extra jaar (€ 12.000,00) en immateriële schade (€ 5.000,00). De kosten van het tijdelijk verblijf van [eiser 3] op Windesheim (€ 2.175,00) en de reiskosten (€ 1.600,00) heeft [eisers] niet kunnen onderbouwen. Ter zitting heeft hij verklaard deze vorderingen te laten varen.

ISE heeft betoogd dat slechts van partiële vernietiging sprake kan zijn nu het genoten onderwijs en de genoten boarding van [eiser 3] niet ongedaan kan worden gemaakt. Terzake van de gevorderde terugbetaling van de schoolkosten heeft ISE gemotiveerd aangevoerd dat een bedrag van € 23.655,00 ziet op genoten onderwijs en een bedrag van € 31.540,00 op boarding.
[eisers] heeft deze onderverdeling van schoolkosten niet weersproken zodat deze tot uitgangspunt zal worden genomen.

4.7.

Gelet op de ongedaanmakingsverplichtingen die door de vernietiging zijn ontstaan, ligt in de rede dat ISE de kosten die betrekking hebben op het genoten onderwijs ten bedrage van € 23.655,00, terug dient te betalen aan [eisers]
Met betrekking tot de kosten van boarding acht de rechtbank termen aanwezig de kosten van levensonderhoud, die [eisers] had gehad als [eiser 3] gewoon thuis zou hebben gewoond, in mindering te brengen op het bedrag van € 31.540,00. Bij begroting van de besparing zou bijvoorbeeld gebruik kunnen worden gemaakt van normbedragen als van het NIBUD. De rechtbank zal de zaak dan ook verwijzen naar de rol teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.

4.8.

De gevorderde schadevergoeding wegens studievertraging wordt afgewezen. Aangezien [eisers] ter zitting heeft verklaard dat [eiser 3] bij een juiste voorstelling van zaken waarschijnlijk zijn VWO-opleiding (die hij in 2010 in de derde klas van het gymnasium heeft onderbroken) op een andere school zou hebben voortgezet, kan niet worden geconcludeerd dat hij door de dwaling een jaar studievertraging heeft opgelopen.
In het geval hij voor het VWO-traject zou hebben gekozen zou hij immers nog 3,5 jaar bezig zijn geweest alvorens hij zou kunnen worden toegelaten tot een universiteit. Thans volgt hij een traject (IGCSE + 2 jaar IB) dat eveneens in 3,5 jaar naar een universitaire toelating leidt. Van studievertraging ten gevolge van de dwaling is derhalve geen sprake.

4.9.

De gevorderde immateriële schade tenslotte komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. [eisers] heeft onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat zich een van de gevallen als bedoeld in artikel 6:106 BW voordoet, op grond waarvan vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade toewijsbaar zou zijn. De enkele niet onderbouwde stelling dat de verwijdering van Hogeschool Windesheim psychische schade en emotionele problemen voor [eiser 3] heeft meegebracht, is daarvoor onvoldoende. Hetzelfde geldt voor het vermeende gat in zijn curriculum vitae, nu [eiser 3] normaliter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet langer over zijn studie zal doen dan leeftijdsgenoten.

4.10.

In afwachting van de akten wordt iedere beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 23 juli 2014 voor akte uitlaten door beide partijen als bedoeld in rechtsoverweging 4.7. De zaak zal vervolgens worden verwezen naar de rol van woensdag 6 augustus 2014 voor antwoordakte uitlaten door beide partijen.

verder wordt iedere beslissing aangehouden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.