Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3547

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
C/08/98757 / HA ZA 08-1191
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Merkenrecht. Normaal gebruik.

De rechtbank stelt voorop dat gelet op het arrest van het HvJEG van 11 maart 2003 (Ansul / Ajax) en de beschikking van het HvJEG van 27 januari 2004 (La Mer Technology Inc. / Labaratoires Goemar SA) van normaal gebruik van een merk sprake is wanneer het merk, overeenkomstig zijn voornaamste functie, dat wil zeggen het waarborgen van de identiteit van de oorsprong van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, wordt gebruikt teneinde voor deze waren of diensten een afzet te vinden of te behouden, met uitsluiting van symbolisch gebruik dat er enkel toe strekt, de aan het merk verbonden rechten te behouden.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het recht van gedaagde op het Beneluxwoordmerk PRIMAVITA niet is komen te vervallen vanwege non-usus in de zin van artikel 2.26 lid 2 sub a BVIE. De vorderingen van eiseres zullen dan ook worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
IER 2015/45 met annotatie van A.M.E. Verschuur
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/98757 / HA ZA 08-1191

datum vonnis: 25 juni 2014 (jk)

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de vennootschap naar Duits recht

Prima Vita GmbH,

gevestigd te Heimertingen/Allegäu, Duitsland,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

verder te noemen Prima Vita,

advocaat: mr. M.W. Rijsdijk te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Triscom B.V.,

gevestigd te Holten,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

verder te noemen Triscom,

advocaat: mr. M.A.S.M. van Leent te Enschede.

In conventie en (voorwaardelijke) reconventie:

Het procesverloop

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- dagvaarding, inclusief producties;

- conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie;

- akte tot overlegging stukken;

- conclusie van repliek in conventie, tevens houdende wijziging en vermeerdering van eis in conventie en conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie en wijziging en vermeerdering van eis;

- conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie;

- akte uitlating producties zijdens Triscom;

- de op 14 maart 2014 door Prima Vita en Triscom ingediende producties;

- het pleidooi ter zitting van 18 maart 2014 waarbij de advocaten van partijen zich hebben bediend van een pleitnota.

1.2 Ter pleidooi heeft Triscom ter onderbouwing van haar standpunten enkele producten, voorzien van het door haar gebruikte verpakkingsmateriaal meegenomen. De rechtbank heeft echter besloten na kort beraad om het tonen van deze producten niet toe te staan gelet op het stadium waarin de procedure zich bevond.

1.3 Na wisseling van deze stukken en het pleidooi heeft de rechtbank vonnis bepaald.

De feiten

In conventie en (voorwaardelijke) reconventie:

2.1. De volgende feiten kunnen als vaststaand worden aangenomen.

2.2. Triscom drijft sinds 1994 een onderneming dat zich blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel bezig houdt met het produceren, verkopen en distribueren van voedingspreparaten en -supplementen voor eindgebruikers, alsmede halffabricaten voor de voedingsmiddelenindustrie.

2.3. Triscom heeft op 30 november 1994 het Benelux woordmerk ‘PRIMAVITA’ (registratienummer 0559137) gedeponeerd, welk merk op 1 juni 1995 is ingeschreven voor de waren in de klassen 5, 29, 30 en 31.

2.4. PrimaVita heeft in 2000 de naam PrimaVita GmbH als naam van haar onderneming ingeschreven. PrimaVita is volledig aandeelhouder van de onderneming GranoVita GmbH.

2.5. Triscom heeft op 10 oktober 1997 haar Benelux merk ook als internationaal merk geregistreerd. GranoVita heeft oppositie gevoerd tegen deze inschrijving wat betreft het Duitse grondgebied.

2.6. Triscom heeft vrijwillig afstand gedaan van een gedeelte van de klasse 29 wat betreft het deel “geconserveerde, gedroogde en gekookte vruchten en groenten; geleien, jams, vruchtensausen”, 30 en 31. Aldus luidt de huidige omschrijving van de klassen, waarvoor Triscom het merk PRIMAVITA heeft geregistreerd:

Klasse 5: Diëtische substanties voor medisch gebruik, voedingsmiddelen voor baby’s.

Klasse 29: Melk en melkproducten.

3 De vorderingen

In conventie:

3.1.

In aanvulling op voormelde vaststaande feiten heeft PrimaVita het volgende gesteld.

3.2.

Triscom heeft gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaren, zonder geldige reden geen normaal gebruik (verder ook: non usus) gemaakt van het merk PRIMAVITA binnen het Benelux gebied voor de waren en diensten in klasse 29 en voor “diëtische substanties voor medisch gebruik” in klasse 5, zodat PrimaVita ingevolge artikel 2.27 jo 2.26 lid 2 van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (hierna: ‘BVIE’) de vervallenverklaring van het merk kan vorderen voor voornoemde waren en diensten.

3.3.

PrimaVita voert de handelsnaam PrimaVita en wenst onder deze naam producten te verhandelen en is dientengevolge belanghebbende in de zin van artikel 2.27 BVIE.

3.4.

Ter zake van het niet-gebruik van het merk Primavita heeft PrimaVita een tweetal onderzoeksrapporten overgelegd, waaruit het vermoeden van niet normaal gebruik genoegzaam blijkt, zodat Triscom dient te worden belast met het positief bewijs van merkgebruik.

3.5.

Uit de door PrimaVita overgelegde onderzoeksrapporten blijkt dat van gebruik buiten babyvoeding niet is gebleken. Triscom dient aan de hand van concrete, objectieve gegevens bewijs te leveren van een daadwerkelijk en afdoend merkgebruik op de betrokken markt. Hierin is Triscom niet geslaagd.

3.6.

Niet is gebleken dat Triscom producten verhandelt die op voorschrift van bijvoorbeeld artsen zou hebben plaatsgevonden, zodat geen sprake is van producten die vallen onder de classificatie “diëtische substanties voor medisch gebruik”. Daarenboven geldt dat de door Triscom verhandelde producten slechts onder de classificatie babyvoeding vallen. Uit het IP Translator arrest (HvJEU 19 juni 2012, IER 2013, 28, C-307/10, ECLI:EU:C:2012:361) volgt immers dat de gekozen omschrijving van waren of diensten van een merk voldoende duidelijk en nauwkeurig moet zijn. De inschrijving voor klasse 29 ‘melk en melkproducten’ is dan ook veel te ruim en verdient, zeker gezien de hoeveelheid aan mogelijke producten die dit betreft, nadere specificatie om bescherming te kunnen bieden. Zowel naar beoordeling van het WIPO als het BBIE valt ‘powdered milk’ als door Triscom wordt gebruikt, onder de classificatie ‘voedingsmiddelen voor baby’s’ nu deze voor baby’s en kinderen zijn bestemd.

3.7.

PrimaVita stelt voorts dat de Handhavingsrichtlijn niet van toepassing is op een nietigheidsprocedure gelet op het bepaalde in de zaak Bericap-Plastinnova (HvJ EU

15 november 2012, zaak C-180/11,11, ECLI:EU:C:2012:717), zodat in het verlengde daarvan geldt dat artikel 1019h Rv ook niet van toepassing is op het onderhavige geschil.

3.8.

Op grond van het voorgaande vordert PrimaVita, na eiswijzigingen, om bij vonnis en uitvoerbaar bij voorraad:

Het recht op het merk PRIMAVITA voortvloeiend uit inschrijvingsnummer 0559137 vervallen te verklaren ten aanzien van de waren en diensten in de klasse 29 en voor “diëtische substanties voor medisch gebruik” in klasse 5, en doorhaling van de inschrijving van dit merk voor voornoemde waren- en dienstenklassen in het merkenregister te bevelen,

alsmede te verklaren voor recht dat PrimaVita niet onrechtmatig handelt jegens Triscom door op haar producten met uitzondering van babyvoeding haar handelsnaam PrimaVita te vermelden naast een merk ter aanduiding dat het product vervaardigd is door PrimaVita en

met veroordeling van Triscom in de volledige proceskosten van het geding als bedoeld in artikel 1019h Rv.

Standpunt Triscom

3.9.

Triscom brengt haar producten op de markt door verkoop aan verschillende distributeurs, zowel gevestigd in binnen- als met name ook buitenland.

3.10.

Ten aanzien van het criterium voor “normaal gebruik” stelt Triscom dat de intentie van de merkhouders van doorslaggevend belang is, en dat onder gebruik tevens wordt verstaan het aanbrengen van het merk of waren op de verpakking ervan, uitsluitend met het oog op uitvoer. Er geldt voorts geen minimum regel, er moet slechts sprake zijn van een reëel commercieel doel.

3.11.

Triscom stelt voorts dat niet zij, maar PrimaVita conform artikel 2.26 lid 2 sub a BVIE dient te bewijzen dat Triscom haar merk niet normaal zou hebben gebruikt. PrimaVita heeft in dat kader slechts volstaan met het indienen van twee discutabele onderzoeksrapporten gelet op de onbekende herkomst en gehanteerde onderzoeksmethoden of parameters. Daarenboven blijkt ook niet uit de rapportages dat onderzoek is gedaan naar export

(-producten). PrimaVita heeft daarmee niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast, om welke reden de vorderingen reeds dienen te worden afgewezen.

3.12.

Geheel onverplicht heeft Triscom bovendien bewijs geleverd van normaal gebruik in de relevante periode, waarbij zij zich met name tot distributeurs in binnen- en buitenland richt. Triscom is een kleine speler in de markt en het is dan ook niet vreemd dat zij zich heeft beperkt tot levering aan een select gezelschap (tien) distributeurs. Triscom heeft facturen overgelegd waaruit blijkt dat zij in de klassen waarvoor zij PRIMAVITA heeft geregistreerd 37 keer heeft geleverd voor een totaalbedrag van € 976.407,-.

In (voorwaardelijke) reconventie:

3.13.

In reconventie heeft Triscom het volgende gesteld.

3.14.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat Triscom als merkhouder kan verzoeken inbreuk op haar merk te verbieden. Dat verbod strekt zich dan mede uit over gebruik zonder geldige reden van dat teken, indien door dat gebruik ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk (artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE), met andere woorden: ook handelsnaamgebruik kan inbreuk op een merkenrecht inhouden. Zulks volgt ook uit de Handelsnaamwet (artikel 5) zelf. Nu de handelsnaam PrimaVita het merk van Triscom bevat is het voeren van die handelsnaam verboden.

3.15.

Gelet op de initiatie van de onderhavige procedure en de ambitieuze plannen van PrimaVita om haar producten onder de jongere handelsnaam PrimaVita af te gaan zetten in de Benelux heeft Triscom, met een ouder merkrecht, recht en belang bij bescherming tegen deze dreigende inbreuk van PrimaVita.

Op grond van deze stellingen vordert Triscom om:

voor zover Triscom in het gelijk wordt gesteld in dier voege dat haar merk normaal is gebruikt, en derhalve als geldig merk dient te worden beschouwd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. PrimaVita te verbieden inbreuk te maken op het Beneluxmerk (inschrijvingsnummer: 0559137) van Triscom, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

II. PrimaVita te veroordelen in de kosten van reconventie conform artikel 1019h Rv, alsmede tot de wettelijke vertragingsrente indien zij niet betaalt binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis.

4 De beoordeling

In conventie:

4.1.

In deze procedure staat de beantwoording van de vraag centraal of Triscom haar merk PRIMAVITA in de periode van 3 juni 2003 tot 3 juni 2008 (hierna: de relevante periode) normaal heeft gebruikt. Tussen partijen is echter niet in geschil dat Triscom haar merk PRIMAVITA heeft gebruikt ten aanzien van de waren en diensten in klasse 5, voedingsmiddelen voor baby’s.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat gelet op het arrest van het HvJEG van 11 maart 2003, NJ 2004, 339, C-40/01, ECLI:EU:C:2003:145 (Ansul/Ajax) en de beschikking van het HvJEG van 27 januari 2004, NJ 2007, 280, C-259/02, ECLI:EU:C:2004:50 (La Mer Technology Inc./Laboratoires Goemar SA) van normaal gebruik van een merk sprake is wanneer het merk, overeenkomstig zijn voornaamste functie, dat wil zeggen het waarborgen van de identiteit van de oorsprong van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, wordt gebruikt teneinde voor deze waren of diensten een afzet te vinden of te behouden, met uitsluiting van symbolisch gebruik dat er enkel toe strekt, de aan het merk verbonden rechten te behouden. Bij de beoordeling of van het merk een normaal gebruik is gemaakt, moet rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de commerciële exploitatie ervan reëel is, in het bijzonder de gebruiken die in de betrokken economische sector gerechtvaardigd worden geacht om voor de door het merk beschermde waren of diensten marktaandelen te behouden of te verkrijgen, de aard van die waren of diensten, de kenmerken van de markt en de omvang en de frequentie van het gebruik van het merk. Wanneer het gebruik een werkelijk commercieel doel dient, kan zelfs een gering gebruik van het merk volstaan voor het bewijs van een normaal gebruik.

4.3.

Volgens de normale regels voor bewijslastverdeling is PrimaVita als eisende partij belast met het bewijs van het niet-gebruik van het merk. De enkele stelling van PrimaVita dat het merk PRIMAVITA door Triscom in de relevante periode niet normaal is gebruikt, heeft niet tot gevolg dat Triscom zal dienen te bewijzen dat zij het merk wel heeft gebruikt. De bewijslast kan echter worden verschoven indien de eisende partij een dusdanig begin van bewijs heeft geleverd dat er een vermoeden is ontstaan van non-usus. In dat geval kan de rechtbank, met toepassing van artikel 2.26 lid 2 sub a BVIE, ervoor kiezen om de bewijslast dat het merk wel is gebruikt bij gedaagde te leggen. Gelet op hetgeen hierna volgt, ziet de rechtbank hiertoe geen aanleiding.

4.4.

PrimaVita heeft ter nadere onderbouwing van haar stelling onder meer aangevoerd dat Triscom haar geen bewijs heeft kunnen tonen van gebruik van het merk en dat de conclusie van het door haar overgelegde en in haar opdracht uitgevoerde onderzoeksrapport van 17 april 2008 luidt dat Triscom het merk PRIMAVITA in de Benelux niet voor andere voedingsmiddelen dan babyvoeding heeft gebruikt. PrimaVita heeft nadien nog een onderzoeksrapport overgelegd, daterend van 25 februari 2013, waarin dezelfde conclusie wordt getrokken. Kort gezegd volgt uit genoemde rapportages dat slechts sprake is van “beperkt” gebruik van “enkel” babyvoeding en geen andere voedingsmiddelen.

4.5.

Triscom heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoud van deze rapportages, gelet op het feit dat niet uit de onderzoeken is af te leiden welk bureau het onderzoek heeft uitgevoerd en welke parameters zijn gebruikt en of het onderzoek betrekking heeft op de relevante periode. Wanneer alleen onderzoek in Nederland is gedaan zal de uitkomst ook niet spectaculair zijn nu Triscom zich met name richt op buitenlandse distributeurs.

4.6.

De rechtbank onderschrijft voornoemd standpunt van Triscom. De enkele mededeling van PrimaVita ter pleidooi dat het gerenommeerde en onafhankelijke onderzoeksbureau Compumark de eerste overgelegde onderzoeksrapportage heeft opgesteld is onvoldoende om het ondeugdelijke karakter van de beide door PrimaVita overgelegde onderzoeksrapportages te helen. Nu Triscom reeds bij conclusie van antwoord uitvoerig is ingegaan op het ondeugdelijke karakter, had het op de weg van PrimaVita gelegen om hierover in een eerder stadium nadere helderheid te verschaffen dan wel een nieuwe deugdelijke onderzoeksrapportage te overleggen teneinde Triscom in staat te stellen zich hiertegen te verweren. Dit heeft zij nagelaten. Gelet op het hierna volgende zal zij daartoe ook niet meer in de gelegenheid worden gesteld.

4.7.

Daarbij komt dat Triscom stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij in de relevante periode voor een totaalbedrag van € 976.407,-- exclusief BTW aan producten heeft verkocht die vallen onder de door haar geregistreerde klassen. De door haar verhandelde producten zijn dan ook aan te merken als een reële commerciële exploitatie van haar merk.

4.8.

PrimaVita heeft voorts onvoldoende gemotiveerd weersproken dat Triscom de door haar verhandelde producten in Nederland heeft voorzien van haar merk PRIMAVITA, alsmede dat Triscom haar producten in de relevante periode aan drie distributeurs in Nederland verhandelde en aan zeven buitenlandse distributeurs. Triscom heeft als bewijs van gebruik tevens printscreens van haar website in het geding gebracht waarop de door haar verhandelde producten afgebeeld staan, voorzien van het PRIMAVITA merk. De rechtbank is aldus van oordeel dat sprake is van een reële commerciële exploitatie van het merk PRIMAVITA door Triscom.

4.9.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het recht van Triscom op het Beneluxwoordmerk PRIMAVITA niet is komen te vervallen vanwege non-usus in de zin van artikel 2.26 lid 2 sub a BVIE. De vorderingen van PrimaVita zullen dan ook worden afgewezen. De overige stellingen van partijen behoeven derhalve geen bespreking meer.

In (voorwaardelijke) reconventie:

4.10.

Nu de vorderingen van PrimaVita worden afgewezen, is de voorwaarde vervuld en zal de rechtbank de reconventionele vordering behandelen.

4.11.

Triscom heeft betoogd dat artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE haar als merkgerechtigde de mogelijkheid biedt om op te treden tegen het gebruik van de handelsnaam PrimaVita. Ingevolge dit artikel kan de merkhouder op grond van zijn uitsluitend recht iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken verbieden wanneer dat teken gebruikt wordt anders dan ter onderscheiding van waren of diensten, indien door gebruik, zonder geldige reden, van dat teken ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.

4.12.

Niet in geschil is dat beide tekens (merk en handelsnaam) overeenstemmen. PrimaVita heeft slechts aangevoerd dat zij niet in de Benelux onder de handelsnaam PrimaVita actief is, en dat zij ook geen noodzaak ziet tot het opleggen van een verbod gekoppeld aan een dwangsom nu zij de onderhavige procedure juist is gestart teneinde duidelijkheid te verkrijgen omtrent de beschermingsomvang van het merk van Triscom.

PrimaVita heeft echter, zoals Triscom terecht heeft betoogd, reeds voor het entameren van onderhavige procedure haar voornemen uitgesproken om het Gemeenschapsmerk PRIMAVITA te registreren en te gebruiken binnen de Europese Unie, alsmede bij dagvaarding de wens uitgesproken onder de handelsnaam PrimaVita producten te willen verhandelen. Gelet op de door PrimaVita overgelegde beslissing van 27 februari 2014 Office for Harmonization in het International Market (Cancellation Division) heeft PrimaVita het gemeenschapsmerk PRIMAVITA ook daadwerkelijk geregistreerd, zodat het hiervoor genoemde voornemen is verwezenlijkt. Triscom heeft derhalve recht en belang bij het verbod zoals gevorderd. Wel is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde dwangsom dient te worden gematigd en gemaximeerd.

De proceskosten in conventie en in reconventie:



4.13. PrimaVita zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Ten aanzien van de hoogte van die kosten overweegt de rechtbank als volgt.

4.14.

Triscom heeft met een beroep op artikel 1019h Rv veroordeling van PrimaVita gevorderd tot vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten, die blijkens de door Triscom overgelegde facturen en specificaties in totaal een bedrag van € 55.256,37 (inclusief BTW) belopen. Artikel 1019h Rv is de implementatie van artikel 14 van Richtlijn 2004/48/EG van

29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deze richtlijn neemt als uitgangspunt dat de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. De termen 'redelijk en evenredig' en 'billijkheid' geven hierbij aan dat de veroordeling in de proceskosten enerzijds afhankelijk is van de complexiteit van de vordering en anderzijds van de mate van verwijtbaarheid van de inbreuk. Voorts dienen de gevorderde kosten tijdig te worden opgegeven en gespecificeerd zodat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren (HR 30 mei 2008, ECLI:NL: HR:2008: BC2153, NJ 2008,556).

Het betoog dat het 1019h Rv-regime in deze zaak niet van toepassing zou zijn, faalt. Nog daargelaten of een zuivere nietigheidsactie niet zou worden geregeerd door genoemd regime, geldt in ieder geval in deze zaak dat Triscom zich gelet op de uitlatingen van PrimaVita en de door haar ingestelde vorderingen genoodzaakt heeft gezien om een reconventionele handhavingsvordering in te stellen, zodat gelet op de uitspraak van het Hof Den Haag van

26 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ1902 (Danisco/Novozymes) het 1019h-regime wel van toepassing is. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er voldoende samenhang en verwevenheid bestaat tussen beide procedures dat er geen reden is voor een afzonderlijke kostenveroordeling.

4.15.

Om te beoordelen wat onder redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten moet worden verstaan, wordt aansluiting gezocht bij de ‘Indicatietarieven in IE-zaken’. Volgens deze tarieven zijn in eenvoudige bodemprocedures met repliek en dupliek en/of pleidooi kosten ter hoogte van maximaal € 10.000,- redelijk en evenredig te noemen. In de onderhavige zaak moet worden geoordeeld dat de vordering niet als gecompliceerd kan worden aangemerkt, nu de intellectuele eigendomsrechtelijke aspecten van deze zaak van (zeer) eenvoudige aard zijn. Het bedrag dat door de advocaat van Triscom aan kosten wordt gevorderd, komt gelet op de hiervoor genoemde indicatie, te hoog voor. De door Triscom gevorderde kosten worden tot een bedrag van € 10.000,- redelijk en evenredig geoordeeld en toegewezen. De kosten aan de zijde van Triscom worden derhalve begroot op totaal

€ 10.254,-, bestaande uit:

- vast recht € 254,-

- salaris advocaat € 10.000,-.

4.16.

Triscom vordert wettelijke rente over de proceskosten. PrimaVita is echter pas wettelijke rente verschuldigd over de proceskosten vanaf datum verzuim. De rechtbank zal een termijn van 14 dagen na betekening bepalen voor betaling van de proceskosten en beslissen dat de wettelijke rente over de proceskosten pas is verschuldigd wanneer betaling binnen deze termijn uitblijft.

5 De beslissing

De rechtbank:

In conventie:

Wijst af het gevorderde.

In reconventie:

Verbiedt PrimaVita inbreuk te maken op het Beneluxmerk (inschrijvingsnummer: 0559137) van Triscom;

Veroordeelt PrimaVita tot betaling aan Triscom van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding van het onder II. genoemde verbod, te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt, met een maximum van € 100.000,-;

In conventie en in reconventie:

Veroordeelt PrimaVita in de proceskosten. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op € 10.254,-, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Van der Veer, Lorist en Willemse, en op woensdag 25 juni 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.