Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3530

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
C/08/151009 HA ZA 14-46
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Misbruik van (proces)recht. Onjuiste faillissementsaanvraag als pressiemiddel.

Met het inzetten van een faillissementsaanvraag als pressiemiddel en/of als manier om eventuele aanspraken op het UWV veilig te stellen – terwijl een vonnis gereed ligt ter executie en gedaagde op geen enkele wijze aannemelijk heeft weten te maken dat een tenuitvoerlegging van dat vonnis op enige wijze bemoeilijkt zou zijn – heeft zij een zorgvuldigheidsnorm overschreden. Bovendien is aannemelijk geworden dat de faillissementsaanvraag was gebaseerd op onjuiste feiten.

Met verwijzing naar de schadebeperkingsplicht van eiseres, concludeert de rechtbank tot afwijzing van de gevorderde schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/448
AR-Updates.nl 2014-0580
OR-Updates.nl 2014-0267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/151009 HA ZA 14-46

datum vonnis: 18 juni 2014 (am(o)

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiseres],

handelend onder de naam Belana Financial Management,

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

verder te noemen: Belana,

advocaat: mr. G. Yousef te Enschede,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

verder te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. M.A. Buld te Hengelo (O).


1. Het procesverloop


1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de navolgende stukken:


de dagvaarding d.d. 20 januari 2014, met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met bijlagen;

- het proces-verbaal dat is opgesteld naar aanleiding van de comparitie welke heeft plaatsgevonden op 19 mei 2014;

- de brief d.d. 21 mei 2014 waarbij [gedaagde] beter leesbare exemplaren heeft overgelegd van op 14 mei 2014 ingebrachte producties.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten.

2.2.

Belana is een onderneming waarvan de activiteiten (mede) bestaan uit het voeren van een administratiekantoor, het leveren van juridische ondersteuning en het bieden van Bewind en Inkomensbeheer.

[gedaagde] is enige tijd op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst geweest van deze onderneming.

2.3.

Op 5 juni 2013 heeft [gedaagde] het faillissement van Belana aangevraagd. Aan deze aanvraag legde [gedaagde] mede ten grondslag haar bij vonnis van de Rechtbank Overijssel d.d. 23 mei 2013 in kort geding toegewezen vordering tot (door)betaling van (achterstallig) loon.

2.4.

Belana heeft een van haar cliënten ingelicht over de op handen zijnde faillissementszitting. De betreffende cliënt heeft zich teruggetrokken uit de samenwerking met Belana. Een tweede cliënt van Belana heeft de samenwerking met Belana eveneens beëindigd.

2.5.

Op 25 juni heeft [gedaagde] het faillissementsverzoek ingetrokken.

2.6.

Op 8 januari 2014 is ten verzoeke van Belana conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van [gedaagde] bij de ABN Amro Bank.

3 Het geschil in conventie

De vordering

3.1.

Eiseres vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. Voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig jegens Belana heeft gehandeld door een faillissementsverzoek in te dienen;

[gedaagde] veroordeelt om binnen 3 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan Belana betaald te hebben € 70.327,38, te vermeerderen met de wettelijke rente per 22 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

althans een zodanige beslissing neemt als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2.

Eiseres legt aan haar vorderingen het navolgende ten grondslag.

3.3.

[gedaagde] heeft het faillissementsverzoek gebruikt als dwangmiddel voor betaling van haar loonvordering. Er is sprake van misbruik van procesrecht nu [gedaagde] haar faillissementsaanvraag heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende.

Van een steunvordering is namelijk op geen enkel moment gedurende het geschil tussen partijen sprake geweest. De wetenschap van [gedaagde] dat haar verzoek kansloos was, blijkt ook uit het feit dat [gedaagde] het faillissementsverzoek heeft moeten intrekken.

Bovendien was [gedaagde] werkzaam op de administratie van Belana en deed daar de boekhouding. Zij had inzage in de financiële situatie van Belana en kon constateren dat er op geen enkel moment rekeningen van derden onbetaald bleven.

Van het verkeren in een toestand van opgehouden zijn te betalen is op geen enkel moment sprake geweest.

3.4.

Een tweede grond op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van procesrecht, betreft het feit dat zij in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een faillissementsverzoek. Dit gelet op de onevenredigheid tussen het belang van

[gedaagde] – mede in het licht van de onderhandelingen tussen partijen – en het belang van Belana bij behoud van een goede reputatie en het mogen blijven uitvoeren van haar diensten als bewindvoerder.

Hoewel Belana de loonvordering niet betwist, is zij van mening dat gelet op de onderhandeling met het oog op een integrale afdoening van de arbeidsrelatie tussen partijen, een dwangmiddel niet had mogen worden toegepast.

Bovendien had [gedaagde] nog altijd de mogelijkheid van executie van het voormelde vonnis d.d. 23 mei 2013 met behulp van een deurwaarder.

Zij had aldus in redelijkheid niet tot de aanvraag mogen komen gelet op de onderhandelingen en, subsidiair, de minder ingrijpende wijze van incasso welke zij tot haar beschikking had.

3.5.

Het misbruik van procesrecht levert een onrechtmatige daad op, waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Belana heeft door de onrechtmatige daad van [gedaagde] schade geleden nu twee klanten zich hebben teruggetrokken vanwege de faillissementsaanvraag. Was de zakelijke relatie tussen Belana en de beide klanten niet beëindigd, dan had Belana een bedrag van in totaal € 70.327,38 kunnen factureren. Er is sprake van causaal verband nu Belana deze schade niet had geleden, als [gedaagde] de kansloze faillissementsaanvraag niet had gedaan. [gedaagde] is dan ook aansprakelijk voor de door Belana geleden schade ter hoogte van

€ 70.327,38.

Het verweer

3.6.

[gedaagde] betwist de vordering van eiseres en voert daartoe het volgende aan.

3.7.

[gedaagde] had voldoende belang bij de faillissementsaanvraag, nu Belana langdurig in gebreke bleef met het voldoen van de loonvordering van [gedaagde]. Gelet op de tussen partijen aanhangige procedures – een verzoekschriftprocedure ex artikel 7:658 BW, een kort geding procedure en een hoger beroep – heeft [gedaagde] de faillissementszitting willen doen aanhouden om enige tijd te kunnen nadenken over de verdere gang van zaken. Nadat het verzoek tot aanhouding werd afgewezen, heeft [gedaagde] de aanvraag ingetrokken, nu zij het risico liep dat haar verzoek tot faillietverklaring, gelet op het nog aanhangig zijn van voormelde procedures, zou worden afgewezen.

3.8.

Subsidiair voert [gedaagde] aan dat geen sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de door Belana gestelde schade. Belana heeft immers zelf één van haar cliënten ingelicht over de faillissementsaanvraag.

3.9.

Meer subsidiair staat volgens [gedaagde] de omvang van de schade niet vast.

4 Het geschil in reconventie

De vordering

4.1

In reconventie verzoekt [gedaagde] de rechtbank bij vonnis – voor zover mogelijk –uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat Belana aansprakelijk is voor de schade welke

[gedaagde] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag en Belana te veroordelen deze schade te vergoeden aan [gedaagde];

de schade van [gedaagde] te begroten op € 105,-;

Belana te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het te dezen wijzen vonnis aan [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag in hoofdsom groot € 300,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de vordering in reconventie tot aan de dag der algehele voldoening;

voor het geval dat in conventie ten laste van [gedaagde] enig bedrag wordt toegewezen:

te verklaren voor recht dat het toegewezen bedrag in reconventie ten laste van Belana wordt verrekend/gecompenseerd met het ten laste van [gedaagde] in conventie toegewezen bedrag;

alles met veroordeling van Belana in de kosten van dit geding.

4.2.

[gedaagde] legt aan deze vorderingen in reconventie ten grondslag dat Belana onrechtmatig beslag heeft gelegd op de bankrekening van [gedaagde]. Gebleken is immers dat het door Belana ingeroepen recht ondeugdelijk is. Belana dient dan ook de kosten ad € 105,- te vergoeden welke de bank bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht voor de behandeling van het beslag.

4.3.

Voorts is Belana tot op heden in gebreke gebleven met betaling van € 300,- aan achterstallig loon. Belana heeft dit totaalbedrag aan loon ingehouden onder vermelding van “betaald voorschot” op de respectievelijke loonstroken. De voormelde € 300,- zijn echter nimmer bij wijze van voorschot of op andere wijze aan [gedaagde] voldaan.

Het verweer


4.4. Belana betwist de onrechtmatigheid van het beslag middels verwijzing naar haar uiteenzetting van de gronden (in dit vonnis weergegeven in r.o. 3.3-3.5) voor onrechtmatigheid van de door [gedaagde] geïnitieerde faillissementsprocedure.

4.5.

Dat Belana nog € 300,- aan loon zou zijn verschuldigd aan [gedaagde] is onjuist. In januari 2013 heeft Belana een contante betaling van € 150,00 verricht aan [gedaagde]. De overige € 150,- zijn verrekend met de door Belana geleden schade als gevolg van diefstal dan wel verduistering door [gedaagde] van een kasetui. Daarnaast geldt dat [gedaagde] een aantal uren teveel aan verlof heeft opgenomen, welk aantal uren overeenkomt met een bedrag van

€ 142,90.

5 De beoordeling

In conventie

Onrechtmatigheid

5.1.

Vooropgesteld moet worden dat een processuele bevoegdheid zoals het indienen van een faillissementsverzoek kan worden misbruikt door haar uit te oefenen wanneer zodanige onevenredigheid bestaat tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, dat men naar redelijkheid daartoe niet had kunnen komen.

5.2.

Van misbruik van recht kan eveneens sprake zijn wanneer een vordering is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan de indiener de onjuistheid kende dan wel had behoren te kennen of wanneer de vordering is gebaseerd op stellingen waarvan de indiener op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van [gedaagde] gelegen haar bij voormeld vonnis d.d. 23 mei 2013 toegewezen loonvordering te incasseren door – wat er zij van de vraag of partijen al of niet in onderhandeling waren over een integrale afdoening naar aanleiding van het arbeidsgeschil – executiebeslag te doen leggen door een deurwaarder.

Met het inzetten van een faillissementsaanvraag als pressiemiddel en/of als manier om eventuele aanspraken op het UWV veilig te stellen – terwijl een vonnis gereed ligt ter executie en [gedaagde] op geen enkele wijze aannemelijk heeft weten te maken dat een tenuitvoerlegging van dat vonnis op enige wijze bemoeilijkt zou zijn – heeft [gedaagde] een zorgvuldigheidsnorm overschreden, welke overschrijding haar kan worden toegerekend.


5.4. Bovendien is aannemelijk geworden dat de faillissementsaanvraag was gebaseerd op onjuiste feiten. Het had in dit verband op de weg van [gedaagde] gelegen bekend te maken welke crediteur een steunvordering had, zoals is vereist in het kader van de voor een faillissement geldende eis van pluraliteit van schuldeisers. Nu zij dit tot op de comparitie in de onderhavige procedure heeft nagelaten, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een tweede grond op basis waarvan tot misbruik van recht moet worden geoordeeld.

5.5.

In een geval van misbruik van (proces)recht is sprake van strijd ex artikel 6:162 BW met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, met andere woorden, schending van een zorgvuldigheidsnorm. Indien ook aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, is degene die misbruik van bevoegdheid maakt, schadeplichtig jegens zijn wederpartij.

Causaal verband: condicio sine qua non (artikel 6:162 BW) en omvang (6:98 BW)

5.6.

Aannemelijk moet worden geacht dat met de faillissementsaanvraag door [gedaagde] sprake is geweest van een voorwaarde zonder welke van de gestelde schade geen sprake zou zijn geweest. Het zogenaamde condicio sine qua non-verband wordt aldus aanwezig geoordeeld.

5.7.

Bij de vraag naar toerekening ex artikel 6:98 BW van enige schade aan [gedaagde] – dat wil zeggen bij de bepaling van de omvang van de schadevergoedingsverbintenis – heeft Belana volgens de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd dat de door haar gestelde schade in redelijkheid aan [gedaagde] zou moeten worden toegerekend.

5.8.

Op grond van artikel 6:98 BW komt immers slechts voor vergoeding in aanmerking de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid, van in dit geval [gedaagde], berust, dat zij haar mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. In dit verband kan mede in aanmerking worden genomen de mate waarin de schade naar ervaringsregels redelijkerwijze was te verwachten (voorzienbaarheid), de mate waarin [gedaagde] verwijtbaar moet worden geacht, de aard van de gedraging en van de daardoor geschonden (zorgvuldigheids)normen.

5.9.

Hoewel in het onderhavige geschil sprake is geweest van een schuldaansprakelijkheid

ex artikel 6:162 BW, acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat [gedaagde] niet had hoeven te verwachten dat Belana zich geroepen voelde haar cliënt van informatie te voorzien met betrekking tot de (niet openbare) faillissementsprocedure, welke procedure zou hebben plaatsgevonden zonder dat anderen dan partijen daarvan op de hoogte hadden hoeven zijn en welke procedure naar de overtuiging van Belana volstrekt kansloos was.

Niet alleen had [gedaagde] deze bekendmaking door Belana jegens haar cliënt niet hoeven voorzien – reeds waardoor de gestelde schade naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid grotendeels niet kan worden toegerekend aan [gedaagde] – maar moet Belana ex artikel 6:101 BW, door het initiatief te hebben genomen tot bekendmaking van de aanhangige faillissementsprocedure, worden geacht een omstandigheid in het leven te hebben geroepen welke aanleiding geeft een (eventueel) resterende vergoedingsplicht aan de zijde van [gedaagde] te verminderen met honderd procent. Met de mededeling door Belana aan haar cliënt dat een faillissementsprocedure aanhangig was, heeft zij immers niet alleen een onmisbare voorwaarde geschapen voor het intreden van de gestelde schade, welke voorwaarde haar kan worden toegerekend, maar is sprake van een hoofdoorzaak welke moet worden geacht de gestelde schade voor rekening van Belana te doen komen.

5.10.

De vordering van Belana tot vergoeding van de door haar gestelde schade zal dan ook – wat er zij van de omvang daarvan – worden afgewezen.

5.11.

De rechtbank overweegt tot slot dat de door Belana gevorderde verklaring voor recht weliswaar bij gebrek aan belang in conventie zou moeten worden afgewezen, doch wijst dit deel van de vordering toe met het oog op haar belang bij voormelde verklaring in verweer op de eis in reconventie, welke hierna zal worden beoordeeld.

5.12.

In de omstandigheid dat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.

In reconventie

De beslagkosten

5.13.

Hoewel de vordering van Belana tot vergoeding van de door haar gestelde schade door de rechtbank is afgewezen, beoordeelt de rechtbank het door Belana gelegde beslag niet onrechtmatig, nu het door [gedaagde] ingediende faillissementsverzoek onrechtmatig is geweest. De vordering tot vergoeding van de kosten welke door de bank bij [gedaagde] in rekening zijn gebracht, zal om die reden worden afgewezen.

De loonvordering

5.14.

Met de e-mail d.d. 29 januari 2013, waarin [gedaagde] aangeeft hogere maandlasten te hebben dan dat zij inkomsten geniet, gelezen in samenhang met de productie waarin melding wordt gemaakt van een kasstorting ad € 150,-, is sprake van een zodanige betwisting van de stellingen van [gedaagde], dat in beginsel aanleiding bestaat Belana toe te laten tot het bewijs dat genoemd bedrag daadwerkelijk ten bate is gekomen van [gedaagde].

5.15.

Met betrekking tot de overige gevorderde € 150,00 geldt eveneens dat Belana in beginsel zou moeten worden toegelaten tot het bewijs van de gestelde diefstal dan wel verduistering naar aanleiding waarvan zij heeft gemeend de schade te mogen verrekenen met het salaris van [gedaagde], dan wel tot het bewijs van het gestelde teveel aan opgenomen verlof.

5.16.

De rechtbank overweegt echter dat het geschil tussen partijen een meer billijke wending verdient dan een of meer bewijsopdrachten voor Belana. Gelet op het belang van de loonvordering in reconventie, afgezet tegen het oordeel van de rechtbank in conventie waarmee de rechtbank invulling heeft gegeven aan de open normen van artikel 6:98 BW en artikel 6:101 BW, is de rechtbank van oordeel dat met een afwijzing van de (loon)vordering in reconventie het geschil tussen partijen finaal en rechtvaardig kan en moet worden beslecht.

5.17.

Gelet op bovenstaande overwegingen, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren.

6 De beslissing

De rechtbank:

In conventie:


I. Verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Belana door een faillissementsverzoek in te dienen.

II. Wijst af het meer of anders gevorderde.

III. Compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In reconventie:


I. Wijst de vorderingen af.

II. Compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, rechter, en op 18 juni 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.