Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3466

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
26-06-2014
Zaaknummer
08.770015-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 22-jarige man tot een celstraf van 3,5 jaar voor het verkrachten van een toen 17-jarige jongen vlakbij het station in Zwolle. Ook moet de man een schadevergoeding betalen van 5360 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Meervoudige Kamer te Zwolle

Parketnummer: 08.770015-14 (P)

Uitspraak: 26 juni 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1992 te Mogadishu (Somalië),

wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in het detentiecentrum te Schiphol.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.S.P.M. de Kock, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. C.Y. Huang.

TENLASTELEGGING

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 07 maart 2014 in de gemeente Zwolle door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de mond en/of anus van die [slachtoffer] geduwd/gedrukt/gebracht/gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte meermalen, althans éénmaal:

-die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd en/of toegeroepen: “loop maar mee” en/of “kom maar effe” en/of “kom naast me staan” en/of “ga maar tegen de muur staan” en/of “je weet niet wie ik ben hè, ik heb drie mensen vermoord” en/of “ik vind het gemakkelijk om iemand dood te schieten of te steken” en/of “ik zal mijn pistool erbij halen, ik heb een 9 mm” en/of “trek je broek naar beneden en ga bukken” en/of “ga op je knieën zitten” en/of “pijp me” en/of “je moet diep gaan” en/of “doe je kont open” en/of “draai je om”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of het hoofd van die [slachtoffer] naar zich toe heeft getrokken en/of gedrukt en/of

-die [slachtoffer] tegen/op het (achterhoofd)hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getikt en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van wat verdachte ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het feit acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen[1].

De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 12 juni 2014 waarin hij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) Ik ben op 6 maart 2014 naar Zwolle gegaan. (…) Ik weet nog dat ik op het station was en zag dat er geen treinen meer reden. (…) Ik ben aangehouden op het station. (…) Ik heb mezelf wel herkend op de beelden en voor mezelf besloten: ik herken mezelf. (…) Toen ik de beelden had gezien viel het kwartje. Ik zag mijn kleding, mijn gezicht en mijn pet. (…) U vraagt mij of ik naast mijzelf op de beelden een jongen zag die gedwongen werd of die plezier had. Ik zag niet iemand die plezier had. (…)[2]

De aangifte van [slachtoffer] d.d. 8 maart 2014 waarin hij onder meer het volgende heeft verklaard: (…) Op donderdagavond 6 maart 2014 om 23:45.(…) Ik liep in de buurt van Dieze-west. (…) Ik kwam toen de dader tegen en die vroeg mij de weg naar het station. (…) Hij zei tegen mij dat ik mee moest komen. Zoiets als ‘kom maar ff mee’ ik vroeg waarom en hij vroeg mij nog een keer mee te komen. We kwamen bij het gebouw, als je ervoor staat, zie je rechts een inham, een donker stuk. Hier ligt nog kots van mij. Hij liep daar naar toe en zei dat ik naast hem moest komen staan. (…) Hij zei een aantal keren: ‘kom naast me staan, kom naast me staan’ op een dreigende manier. Ik kwam naast hem staan en hij zei ‘je weet niet wie ik ben hè, je weet niet wie ik ben’. Hij zei dit drie of vier keer. Daarna vertelde hij dat hij drie mensen had vermoord. Hij zei dat hij het gemakkelijk vond om iemand dood te schieten of te steken. (…) Hij zei: ‘trek je broek naar beneden, trek je broek naar beneden zeg ik toch!’ Daarna zei hij dat ik moest bukken. Toen moest ik mij omdraaien en moest ik zijn penis in mijn mond stoppen. (…) Daarna moest ik mij omdraaien en penetreerde hij mij anaal. Nadat hij mij even gepenetreerd had moest ik mij weer omdraaien. (…) Toen moest ik weer zijn penis in mijn mond doen. Als ik niet diep genoeg ging, dan gaf hij mij een tik voor mijn hoofd. Toen hij zo diep in mijn mond was geweest, moest ik kotsen hiervan. En toen moest ik mij weer omdraaien en penetreerde hij mij anaal. Hij zei de hele tijd dat ik mijn kont open moest doen. (…) Daarna liepen we weer terug naar de inham, waar ik voor de tweede keer oraal en anaal werd gepenetreerd. (…) Hij zei dit de hele tijd normaal maar als ik niet deed wat hij zei dan kwam er meer agressie in zijn toon. (…) Hij zei dat ik op mijn knieën moest gaan zitten. (…) Hij zei: ‘pijp me’. Vraag: hoe kwam het dat jij deed wat hij zei. Antwoord: omdat ik bang was. (…) Hij zei dat niet zo subtiel zoals ik dat nu zeg, maar met een hele andere intonatie. Hij zei nog een keer dat hij heel gemakkelijk mensen vermoordde en dat, als ik een kik of een gil gaf, dat hij mij dood zou schieten of neer zou steken. Ik voelde mij op dat moment bedreigd. (…) De tweede keer, zei hij mij dat ik diep moest gaan. (…) Hij zei: ‘draai je om’. (…) Ik moest van hem bukken en moest mijn hoofd zeg maar tegen de grond leggen, en als ik dat niet deed, dan werd hij boos. Hij zei ‘bukken bukken’ en als ik dat niet deed, dan kreeg ik een tik voor mijn hoofd. (…) Hij gaf tikken op mijn hoofd. (…) Voor zover ik weet met zijn vlakke hand. Ik denk dat hij mij rond de vijf keer heeft geslagen. (…) Ik wist dat hij binnengedrongen was met zijn penis want ik voelde pijn. Hij zei dat hij diep ging en dat voelde ik ook. (…) Ik heb bijvoorbeeld een hoofdwond opgelopen, door dit alles, maar ik heb dat tijdens het gebeuren helemaal niet gevoeld. (…) Ik moest mij weer omdraaien en toen moest ik hem weer pijpen en toen ging hij diep. (…) Als het voor hem niet ver genoeg was, gaf hij mij een tik tegen het hoofd. (…) Later pakte hij met zijn beide handen mijn hoofd vast. Hij drukte toen met zijn handen mijn hoofd naar hem toe, terwijl hij gelijktijdig zelf ook zijn penis verder mijn mond in duwde. (…) Hij neukte mij weer, het ging die tweede keer zoals de eerste keer.(…) Hij gaf mij echter weer een klap op mijn achterhoofd en zei daarbij: ‘bukken’.(…) We liepen toen weg van het gebouw. (…) Op de plek (…) moest ik mijn riem aan hem afgeven. (…) Op het moment dat we de hekjes zijn gepasseerd ben ik weggerend. (…) Ik ben toen naar de tuin van [getuige] gerend. (…)[3]

Het proces-verbaal informatief gesprek zeden met [slachtoffer] d.d. 13 maart 2014 waarbij hij onder meer het volgende heeft verklaard: (…) En toen moest ik tegen de muur aan gaan staan. (…) Hij zei dat hij het gemakkelijk vond om mensen neer te schieten of neer te steken. (…) Hij zei hierbij dat als ik niet mee zou werken dat hij dan zijn pistool erbij zou halen. Hij zei dat hij een geladen 9 mm had. (…)[4]

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2014 waarin verbalisant [verbalisant] onder meer het volgende heeft verklaard: (…) Ik liep naar een zij-ingang van het Rijksgebouw Diezeveste. (…) Ik zag gelijk dat hier iemand had overgegeven. (…)[5]

Het NFI-rapport van onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van de aangifte van een zedenmisdrijf in Zwolle op 7 maart 2014 waarin onder meer het volgende is gerapporteerd:

(…) DNA-onderzoek:

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek: - RABA5352NL een referentiemonster wangslijmvlies van aangever [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1995) - ZAAC3349NL#01 een bemonstering om de anus - ZAAC3349NL#02 een bemonstering om de anus (...) Resultaten, interpretatie en conclusie:

1) Van het referentiemonster van aangever [slachtoffer] RABA5352NL is een DNA-profiel

verkregen. Dit DNA-profiel en het DNA-profiel van verdachte [verdachte]

RAAK1468NL (geboren op [geboortedatum 1] 1992) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA

onderzoek.

(…) 3) Van het DNA in de bemonsteringen ZAAC3349NL#01 en #02 zijn DNA-mengprofielen verkregen van twee personen. Het DNA-profiel van aangever [slachtoffer] RABA5352NL matcht met deze DNA-mengprofielen. Vanwege deze matches en omdat het bemonsteringen betreffen van het lichaam van aangever wordt aangenomen dat een deel van het celmateriaal in deze bemonsteringen afkomstig is van aangever [slachtoffer] zelf.

Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] RMK14G8NL matcht met de verkregen DNA-mengprofielen. Dit betekent dat [verdachte] donor kan zijn van een deel van het celmateriaal in de bemonsteringen ZAAC3349NL#01 en #02 van de anus.

De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het verkregen DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering ZAAC3349NL#02 is kleiner dan één op één miljard. (…)

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2014 waarin verbalisant [verbalisant] onder meer het volgende heeft verklaard: (…) Op woensdag 16 april 2014 (…) heb ik, verbalisant, de beelden van 7 maart 2014 tussen 00:25 en 00:37:35 van de beveiligingscamera’s van de belastingdienst, welke is gevestigd aan de Burgemeester Drijbersingel 27 te Zwolle, bekeken. (…) Op camera 15, zag ik, verbalisant, dat er seksuele handelingen door twee personen werden verricht. (…) Hierbij is te zien dat de persoon met het petje de persoon met de muts vastpakt aan de achterzijde van zijn jas. De persoon wordt hierdoor kennelijk genoodzaakt om in een voorwaartse beweging te gaan lopen. (…) Ook is te zien dat de persoon, welke staat, met zijn rechterhand het hoofd van de persoon met de muts vast pakt en met de voor- en achterwaartse beweging meebeweegt. (…) Daarna is te zien dat de persoon met het petje tot twee keer toe een slaande beweging maakt in de richting van de persoon met de muts. Eerst met zijn rechterarm en daarna met zijn linkerarm. (…) Te zien is dat de persoon met de muts op, een voorwerp gelijkend op een broeksriem, uit zijn broeksband haalt en deze overhandigt aan de persoon met het petje. (…)[6]

Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 7 maart 2014 waarin verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] onder meer het volgende hebben verklaard: (…) Omstreeks 2.00 uur kregen wij (…) de melding (…) over een verkrachting (…) Wij zijn in de richting van het station gereden (…) en zagen wij bij de bushaltes een man zitten. (...) Wij zagen dat hij een riem om zijn nek en een andere riem om zijn spijkerbroek had. (..) Ik, verbalisant [verbalisant], hoorde dat wachtcommandant [verbalisant] mij vertelde dat de aangever een riem miste van het merk Gucci. (…) Wij vertelde de man dat wij zijn riemen wilden controleren. Wij zagen dat de man zijn handen opvallend over zijn riem die waardoor de riem om zijn middel niet goed zichtbaar meer was. Dit viel op omdat hij dit hiervoor niet deed. (…) Hierop vroeg ik de man zijn handen weg te doen bij de andere riem en wij, verbalisanten zagen een zilveren sluiting van twee G’s in de riem. Wij herkenden deze riem als zijnde een Gucci riem. (…)[7]

Het proces- verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d.7 maart 2014 waarin zij onder meer het volgende heeft verklaard:

(…) In de nacht van 6 op 7 maart 2014 rond 01:00 ging mijn telefoon. (…) [naam 1] vertelde mij toen [naam 2], een vriend van [slachtoffer] hun had gebeld en gezegd had dat er wat ernstigs gebeurd was. Ik ben toen naar beneden gegaan (..) en [slachtoffer] binnengelaten. [slachtoffer] was aan het huilen (…) [slachtoffer] vertelde mij dat hij verkracht was door een man. (…) [slachtoffer] vertelde dat deze man hem in een hoekje had getrokken en had gezegd dat hij een 9mm doorgeladen wapen had en dat als [slachtoffer] een kick zou geven, dat hij [slachtoffer] dan zou neerschieten. (…)[8]

Aangever [slachtoffer] heeft kort samengevat verklaard dat hij in de nacht van 7 maart 2014 door een man is verkracht, dat hij met de man naar een donker gelegen stuk moest, dat de man hem heeft bedreigd, dat hij anale en orale seks met de man heeft gehad, dat hij heeft moeten kotsen en dat de man hem meermalen tegen zijn hoofd heeft geslagen.

Verdachte is kort na de melding van verkrachting op het station aangehouden omdat hij op hoofdlijnen voldeed aan het door het slachtoffer opgegeven signalement en omdat het slachtoffer zijn Gucci-riem miste, terwijl verdachte ten tijde van de aanhouding een Gucci-riem in zijn bezit had.

Van het DNA in de bemonsteringen rond de anus van het slachtoffer zijn DNA-mengprofielen verkregen. Het DNA-profiel van het slachtoffer en het DNA-profiel van verdachte matchen met de verkregen DNA-mengprofielen. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het verkregen DNA-mengprofiel van één van de bemonsteringen is kleiner dan één op één miljard.

Op beelden van een beveiligingscamera nabij de plaats delict is door verbalisanten waargenomen dat er door twee personen seksuele handelingen zijn verricht.

Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard zichzelf te hebben herkend op de aan hem getoonde beelden tijdens het vooronderzoek. Op basis van de aangifte, het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, de bevindingen met betrekking tot de beelden van de beveiligingscamera, de herkenning van verdachte van zichzelf op die beelden en de conclusies met betrekking tot het rond de anus van het slachtoffer aangetroffen DNA-mengprofiel komt de rechtbank tot het oordeel dat het verdachte is geweest die in de vroege ochtend van 7 maart 2014 orale en anale seks heeft gehad met het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank is bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen tot het plegen en dulden van die seksuele handelingen. De verklaringen van het slachtoffer daarover worden ondersteund door de verklaring van [getuige], die heeft verklaard dat verdachte die nacht bij haar kwam en huilde en verklaarde door een man te zijn verkracht en bedreigd. Daarnaast wordt de verklaring van het slachtoffer ondersteund door het aantreffen van kots op de plaats delict. Bovendien wordt de verklaring van het slachtoffer voor wat betreft de dwang ondersteund door de bevindingen met betrekking tot de beelden van de beveiligingscamera. Op die beelden is onder meer waargenomen dat een persoon de andere persoon vastpakt aan zijn jas, waardoor die persoon kennelijk genoodzaakt is in een voorwaartse beweging te lopen en deze persoon het hoofd van de andere persoon vastpakt. Verder is waargenomen dat er slaande bewegingen worden gemaakt. Daarbij komt dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, dat hij op de beelden naast zichzelf niet een jongen zag die plezier had.

Dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich niets kan herinneren doet aan het voorgaande niets af.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen en wat hiervoor is overwogen het tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen wat verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 07 maart 2014 in de gemeente Zwolle door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de mond en anus van die [slachtoffer] geduwd en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte:

-die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “kom maar effe” en “kom naast me staan” en “ga maar tegen de muur staan” en “je weet niet wie ik ben hè, ik heb drie mensen vermoord” en “ik vind het gemakkelijk om iemand dood te schieten of te steken” en “ik zal mijn pistool erbij halen, ik heb een 9 mm” en “trek je broek naar beneden en ga bukken” en “ga op je knieën zitten” en “pijp me” en “je moet diep gaan” en “doe je kont open” en “draai je om”, en

-het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en vastgehouden en het hoofd van die [slachtoffer] naar zich toe heeft gedrukt en

-die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen en

(aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezenverklaarde levert op:

verkrachting, meermalen gepleegd

strafbaar gesteld bij artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een lagere straf op te leggen dan de officier heeft geëist omdat, gezien de jurisprudentie, voor soortgelijke feiten vaak een lagere straf is opgelegd. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat er binnen de detentiefasering gekeken moet worden naar de mogelijkheid tot hulpverlening voor zijn cliënt. De raadsman heeft verder betoogd het immateriële gedeelte van de vordering benadeelde partij te matigen tot een bedrag van € 2.500,- aangezien er nauwelijks geweld is gebruikt en er dus geen sprake is van een brute verkrachting.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de feiten en omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Verdachte heeft ‘s nachts een willekeurige jonge jongen aangesproken, bedreigd en vervolgens op een donker gelegen stuk naast een gebouw meerdere malen anaal en oraal verkracht. Verdachte heeft het slachtoffer (daarbij) tegen het hoofd geslagen en het hoofd vastgepakt. Een dergelijk delict betekent niet alleen een forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar zorgt daarnaast ook maatschappelijk voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte is hiervoor verantwoordelijk. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van verkrachting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Daarbij neemt de rechtbank in acht dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden. Het gaat om verkrachting van een willekeurig persoon, die in de nachtelijke uren is aangesproken, bedreigd en is meegevoerd naar een donkere plek. Verdachte heeft intimiderende geweldsbedreigingen geuit en ook daadwerkelijk fysiek geweld gebruikt. Het slachtoffer is meerdere malen anaal en oraal verkracht door een man, terwijl dit ook gezien de geaardheid van het slachtoffer een ernstige inbreuk op zijn integriteit oplevert. Het slachtoffer heeft ook, door de manier waarop hij verdachte oraal heeft moeten bevredigen, moeten braken. Daarnaast betrekt de rechtbank in haar oordeel dat het slachtoffer wegens zijn jonge leeftijd nog jarenlang te kampen heeft met de gevolgen van het delict. Het slachtoffer lijdt, blijkens zijn schriftelijke slachtofferverklaring, sinds het delict aan een posttraumatische stress stoornis. Verder is bij verdachte een SOA aangetoond. Er is dus sprake van besmettingsrisico voor het slachtoffer en het slachtoffer heeft voorzorgsmaatregelen moeten treffen.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan het onderzoek door psycholoog R.A. Sterk. Uit het psychiatrisch rapport d.d. 27 mei 2014 opgesteld door psychiater drs. C.J.F. Kemperman, komt onder meer naar voren dat bij verdachte sprake is van diverse psychosociale problematiek, misbruik van cannabis en afhankelijkheid van alcohol (in gedwongen remissie) gefundeerd op een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Echter, een relatie tussen stoornis en het tenlastegelegde is niet duidelijk geworden.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank heeft acht geslagen op het feit dat verdachte niet eerder veroordeeld is ter zake van een zedendelict.

Gelet op vorenstaande, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 8.860,- gevoegd in het strafproces. De immateriële schade à € 8.500,- is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de reeds geleden schade, waarbij de benadeelde partij zich kennelijk het recht voorbehoudt een ander deel van de schade buiten het strafproces te vorderen.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bewezenverklaarde feit een sterk negatieve invloed kan hebben op het (psychisch) welbevinden van een slachtoffer. De opgevoerde materiële schade ten bedrage van € 360,-, te weten de eigen bijdrage voor de psycholoog, is tegen die achtergrond aannemelijk en met de door de benadeelde partij overgelegde en ter terechtzitting mondeling toegelichte stukken voldoende onderbouwd.

De rechtbank is van oordeel dat ter vergoeding van de immateriële schade voor onderhavig delict, met alle daaruit voortvloeiende gevolgen voor het slachtoffer, een bedrag van € 5.000,- gerechtvaardigd is. De rechtbank zal de immateriële schade dan ook tot dat bedrag matigen.

Gelet op het hiervoor overwogene is de hoogte van de schade genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 5.360,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat het bewezen verklaarde feit is gepleegd tot de dag van algehele voldoening. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zal de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Als extra waarborg voor betaling van de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

Beslissing

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

De rechtbank verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde feit strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot een

gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Schadevergoeding

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres], van een bedrag van € 5.360,- (zegge: vijfduizend driehonderdzestig euro) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 maart 2014 (de dag waarop het bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd), tot de dag van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.360,-, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is.

Aldus gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mrs. F.E.J. Goffin en R.A.M. Elbers, rechters, in tegenwoordigheid van A.A. Geertsema als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2014.

Mr. Elbers en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[1] Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, onderdeel uitmakende van het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Politie Oost Nederland, District IJsselland, afdeling Zeden, onder dossiernummer PL2014019779, opgemaakt op 24 april 2014.

[2] Het proces-verbaal ter terechtzitting van 12 juni 2014.

[3] Opgemaakt op 8 maart 2014 door [verbalisant], brigadier en [verbalisant], brigadier, pag. 43 tot en met 45, 49 tot en met 53.

[4] Opgemaakt op 13 maart 2014 door [verbalisant], brigadier en [verbalisant], brigadier, pag. 36.

[5] Opgemaakt op 7 maart 2014 door [verbalisant], brigadier, pag. 108.

[6] Opgemaakt op 16 april 2014 door [verbalisant], agent, pag. 118 en 119.

[7] Opgemaakt op 7 maart 2014 door [verbalisant], aspirant en [verbalisant], brigadier, pag. 19 en 20.

[8] Opgemaakt op 7 maart 2014 door [verbalisant], brigadier en [verbalisant], medewerker, pag. 65 tot en met 67.