Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3410

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
C/08/157780 / KG ZA 14-227
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Geen misbruik van bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van verstekvonnis over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/157780 / KG ZA 14-227

Vonnis in kort geding van 16 juni 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat mr. J.F. Sabaroedin te Enschede,

tegen

de stichting

WONINGSTICHTING DOMIJN,

gevestigd te Enschede,

gedaagde,

verder te noemen Domijn,

advocaat mr. A. Eksen te Deventer.

1.De procedure

1.1.

De voorzieningenrechter heeft in verband met de spoedeisendheid bij vonnis van 16 juni 2014 zonder motivering op het door [eiseres] gevorderde beslist. De motivering van de beslissing van de voorzieningenrechter volgt hieronder.

2 De feiten

2.1.

In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste producties het navolgende vast.

2.2.

Bij een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 18 februari 2014 (zaaknummer 2776912 CV EXPL 14-1467), bij verstek gewezen, heeft de kantonrechter te Enschede, samengevat weergegeven, de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het perceel met aanhorigheden, staande en gelegen te [plaats], [adres], ontbonden en is [eiseres] veroordeeld om binnen drie dagen na betekening van dat vonnis voormeld perceel met aanhorigheden te ontruimen en te verlaten. Voorts is [eiseres] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.972,67, zijnde de huurachterstand tot 1 februari 2014, inclusief buitengerechtelijke kosten, rente en btw, vermeerderd met de gevorderde rente over € 2.972,67 vanaf 27 januari 2014 tot de dag der algehele voldoening en voorts met een bedrag gelijk aan de thans geldende huurprijs, of zoveel hoger als bij een wettelijke huurverhoging zou zijn toegelaten, als huurpenningen c.q. vergoeding voor voortgezet verblijf, gerekend vanaf 1 februari 2014 tot de dag der ontruiming van voormeld perceel, een gedeelte van een maand voor een volle maand te rekenen. Verder is [eiseres] veroordeeld in de proceskosten.

2.3.

[eiseres] heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het verstekvonnis van
18 februari 2014.

2.4.

Bij exploot van 4 maart 2014 is [eiseres] in de gelegenheid gesteld om alsnog het totaalbedrag van € 4.434,-- te voldoen om zo een ontruiming te voorkomen.

2.5.

Bij exploot van 12 maart 2014 is [eiseres] de ontruiming aangezegd tegen
1 april 2014.

2.6.

Op 31 maart 2014 heeft [eiseres] een bedrag van € 1.050,-- in mindering op de huurschuld overgemaakt.

2.7.

Partijen hebben afspraken gemaakt omtrent het nakomen van de verplichtingen van [eiseres].

2.8.

Bij exploot van 27 mei 2014 heeft de deurwaarder opnieuw de ontruiming aangezegd, thans tegen 17 juni 2014.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de executie van het vonnis van 18 februari 2014 schorst, met veroordeling van Domijn in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiseres] voert daartoe - kort gezegd - aan dat zij vanaf april 2014 tot heden haar huurtermijnen heeft voldaan. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] naar de overgelegde bankafschriften van 6 maart 2014 en 6 mei 2014 en kwitanties van contante betalingen op
5 mei 2014 en 2 juni 2014. Daarnaast heeft [eiseres] op 31 maart 2014 ter aflossing van haar oude schuld een bedrag van € 1.050,-- overgemaakt. Voorts heeft zij zowel op 19 mei 2014 en 2 juni 2014 € 50,-- betaald. [eiseres] stelt zich primair op het standpunt dat zij aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan door voornoemde betalingen. Subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat, mocht er al sprake zijn van een betalingsachterstand vanaf april 2014, de betalingsachterstand zeer beperkt is. [eiseres] heeft aangeboden om in plaats van
€ 50,-- een bedrag van € 100,-- af te lossen. Domijn heeft dit verzoek afgewezen. De aanvraag voor de schuldsanering (buiten de WSNP om) is thans in behandeling. [eiseres] meent dat Domijn onrechtmatig handelt door het vonnis van 18 februari 2014 ten uitvoer te leggen nu zij er alles aan doet om haar financiële verplichtingen uit het verleden na te komen en er ten aanzien van de gemaakte afspraken primair geen sprake is van verzuim en subsidiair dat dit verzuim, gelet op de hoogte van het bedrag, niet opweegt tegen de door [eiseres] te lijden schade bij ontruiming.

3.3.

Domijn voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak en is door Domijn ook niet weersproken.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, nu het vonnis van 18 februari 2014 kracht van gewijsde heeft, Domijn een executoriale titel heeft, op grond waarvan zij in beginsel tot executie mag overgaan. De voorzieningenrechter kan slechts staking van de tenuitvoerlegging bevelen, indien hij van oordeel is dat Domijn, mede gelet op de belangen van [eiseres] die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot executie over te gaan. De voorzieningenrechter kan derhalve slechts de staking van de executie bevelen in geval van misbruik van bevoegdheid door Domijn. Dit zou het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien het te executeren vonnis op grond van ná dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [eiseres] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145).

4.3.

Gesteld noch gebleken is dat het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of dat de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk voor [eiseres] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. In hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat de Domijn anderszins misbruik maakt van haar bevoegdheid tot executie van het vonnis.

4.4.

De voorzieningenrechter volgt [eiseres] niet in haar primaire stelling dat zij vanaf april 2014 aan haar betalingsverplichtingen heeft voldaan. Uit de overgelegde stukken volgt immers dat zij in maart 2014, mei 2014 en juni 2014 een bedrag aan € 541,48 aan huur/gebruiksvergoeding heeft betaald. Dit betekent dat zij in april 2014 geen huur/gebruiksvergoeding heeft betaald. De ter zitting ingenomen stelling van [eiseres] dat een deel van het op 31 maart 2014 betaalde bedrag van in totaal € 1.050,- ziet op de huur/gebruiksvergoeding van april 2014, is betwist door Domijn. Domijn stelt in dit verband dat zij [eiseres] de ontruiming heeft aangezegd per 1 april 2014 en dat de op 31 maart 2014 verrichte betalingen van in totaal € 1.050,-- een aflossing op de (oude) huurschuld betreffen. Indien deze aflossing niet had plaatsgevonden, was de ontruiming destijds volgens Domijn niet geschorst. Gelet op deze gemotiveerde betwisting heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat zij over de maand april 2014 huur/een gebruiksvergoeding heeft betaald. Daarbij wil de voorzieningenrechter er overigens ook niet aan voorbij gaan dat in het lichaam van de dagvaarding onder punt 9 het standpunt wordt ingenomen dat het bedrag van € 1.050,-- is overgemaakt ter aflossing van de oude schuld, hetgeen niet strookt met de op zitting ingenomen stelling. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken niet dat [eiseres] in april 2014 het overeengekomen aflossingsbedrag van € 50,-- heeft betaald. Mede gelet op het vorenoverwogene slaagt de subsidiaire stelling van [eiseres] evenmin, nu niet kan worden gezegd dat sprake is van een zeer beperkte achterstand.

4.5.

Ter zitting heeft [eiseres] betoogd dat er tussen partijen een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen. Domijn betwist dit en stelt dat zij er steeds bovenop heeft gezeten en dat zij [eiseres] diverse keren heeft aangeschreven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het tijdsverloop en de handelwijze van Domijn geen aanleiding geven voor de conclusie dat Domijn heeft stilgezeten. In aanmerking genomen dat steeds van een betalingsachterstand sprake is geweest en dat meermalen de ontruiming is aangezegd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres] in redelijkheid heeft moeten begrijpen dat Domijn handelde uit coulance en dat zij niet heeft willen afzien van haar recht tot executie van het ontruimingsvonnis en geen nieuwe huurovereenkomst heeft willen sluiten.

4.6.

Gelet op het vorenstaande is Domijn bevoegd het vonnis van 18 februari 2014 ten uitvoer te leggen. De vordering van [eiseres] zal daarom worden afgewezen.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten worden aan de zijde van Domijn begroot op € 608,-- aan verschotten en € 527,-- aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 16 juni 2014 de vordering afgewezen en eiseres ([eiseres]) veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde (Domijn) tot op dat moment begroot op € 608,-- aan verschotten en € 527,-- aan salaris van de advocaat.

Deze motivering is op 19 juni 2014 gegeven door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en is door hem en de griffier ondertekend.