Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3399

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-05-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
C/08/148877 / FA RK 13-2620
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindbeschikking. Doorhaling gelast in gezagsregister van aantekening dat beide ouders met het gezag zijn belast. Uit deskundigenrapport blijkt dat handtekening onder gezamenlijke aanvraag tot verkrijging van gezamenlijk gezag niet van moeder afkomstig is maar een nabootsing betreft. De moeder heeft aldus geen toestemming gegeven voor indiening van het verzoek tot gezamenlijke gezagsuitoefening.

Voor tussenbeschikking zie ECLI:NL:RBOVE:2014:3398

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Team jeugdrecht

zaaknummer: C/08/148877 / FA RK 13-2620 (LH)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 7 mei 2014

inzake

[verzoekster],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoekster,

advocaat: mr. B. Bentem,

en

[belanghebbende],

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. J. Sleeswijk Visser.

Het procesverloop

Op 14 januari 2014 heeft de kinderrechter in deze zaak een tussenbeschikking gegeven.

Op 12 maart 2014 is een deskundigenrapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, opgesteld door drs. P.L. Zevenbergen, ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De zaak is voortgezet behandeld ter zitting van 7 april 2014. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw vergezeld door mr. Bentem en de man vergezeld door mr. Sleeswijk Visser. De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door de heer B. Giesen. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 januari 2014 is

drs. P.L. Zevenbergen, verbonden aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, benoemd als handschriftdeskundige waarbij is bevolen onderzoek te doen naar de vraag of de handtekening in het verzoekschrift uitoefening gezamenlijk gezag d.d. 21 februari 2013 afkomstig is van de moeder. De inhoud van deze beschikking geldt als hier herhaald en ingelast.

Uit het deskundigenrapport van drs. P.L. Zevenbergen, dat op 12 maart 2014 ter griffie is ingekomen, blijkt de volgende conclusie:

‘Op basis van het mij ter beschikking gestelde materiaal, afgezet tegen de definiëring van het begrip “echte handtekening” uit de bijlage 3, is de betwiste handtekening naar mijn opvatting geen echte handtekening van [verzoekster], maar een nabootsing daarvan. Indicatoren, die op het tegendeel zouden kunnen duiden, heb ik niet aangetroffen.’

Hieruit volgt naar het oordeel van de kinderrechter dat de vrouw geen toestemming heeft verleend voor indiening van het verzoek tot gezamenlijke uitoefening van het gezag. Er was dan ook geen sprake van een gezamenlijk verzoek als bedoeld in artikel 1:252 Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter is van oordeel dat aan de aantekening in het gezagsregister een gebrek kleeft en ten onrechte is opgenomen. De stelling van de man dat de handtekening van [verzoekster] onder het gezagsformulier niet door hem is geplaatst, doet daaraan niet af. Feit blijft dat de vrouw geen instemming heeft verleend voor de aantekening in het gezagsregister. De man stelt verder dat in het onderzoek niet is vergeleken met een “echte handtekening” conform bijlage 3 van het rapport, bijvoorbeeld de handtekening op het paspoort van de vrouw of een handtekening van haar op een notariële akte. Dit is door de vrouw gemotiveerd weersproken. Ter onderbouwing heeft de vrouw een kopie van een email ingediend die naar de deskundige is gezonden, waaruit volgt dat als bijlage onder andere een kopie van het identiteitsbewijs is meegestuurd. Hiermee heeft de vrouw voldoende aangetoond dat door de deskundige wel is vergeleken met een “echte handtekening”, zoals omschreven in bijlage 3 bij het deskundigenrapport. De kinderrechter gaat dan ook voorbij aan de stelling van de man dat de rapportage van de deskundige niet kan leiden tot een doorhaling van de aantekening in het gezagsregister.

De vraag is vervolgens op welke wijze het gebrek aan de aantekening in het gezagsregister dient te worden hersteld. Uit het systeem van de wet volgt dat een dergelijke aantekening niet kan worden vernietigd, maar slechts kan worden doorgehaald. De rechtbank verwijst hiervoor naar artikel 1:253p lid 3 BW. De aard van het gezagsregister brengt mee dat derden ervan uit mogen gaan dat de aantekeningen in dit register hetzij op een rechterlijke uitspraak met betrekking tot gezag berusten hetzij zijn opgenomen op verzoek van beide ouders die gezamenlijk met het gezag over hun kind(eren) willen worden belast. Het betreft een openbaar register dat door derden kan worden geraadpleegd. Het is dan ook van belang dat de historische gang van zaken uit het gezagsregister blijkt. Te meer nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat er tussen partijen nimmer gezamenlijk gezag heeft bestaan, terwijl derden hier op basis van het gezagsregister wel van uit mochten gaan. De rechtbank zal daarom de griffier gelasten in het gezagsregister een aantekening toe te voegen en wel dat bij de onderhavige beschikking doorhaling is gelast van de aantekening van 27 februari 2013, waarbij op verzoek van beide ouders gezamenlijk gezag tot stand is gekomen.

De kinderrechter ziet aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten, waaronder de kosten van het deskundigenonderzoek. Nu vaststaat dat de handtekening op het gezagsformulier, overeenkomstig de stelling van de vrouw, niet van de vrouw afkomstig is, dient de vrouw als de in het gelijk gestelde partij niet in de kosten bij te dragen. Ondanks het feit dat door het deskundigenonderzoek niet is komen vast te staan van wie de handtekening wel afkomstig is, dient dit naar het oordeel van de kinderrechter voor rekening en risico van de man te komen. De man heeft het initiatief genomen tot indiening van het verzoek tot gezamenlijke gezagsuitoefening en het lag op zijn weg om te onderzoeken of de handtekening van de vrouw voor dat verzoek daadwerkelijk van haar afkomstig was. De proceskosten van de vrouw worden tot op heden begroot op:

- betaald vast recht € 75,--

- salaris advocaat € 904,--

Totaal € 979,--

De kosten van het deskundigenonderzoek bedragen € 1.935,--, inclusief BTW. De man zal van de rechtbank een nota voor deze kosten toegestuurd krijgen.

Nu de man geen zelfstandig verzoek heeft ingediend om hem naast de vrouw met het gezag over de [minderjarige] te belasten, kan de kinderrechter hierover geen beslissing nemen. Wel heeft de man een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ingediend (bekend onder zaaknummer C/08/149777 / FA RK 13-2834). In die zaak is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht onderzoek te doen en de rechtbank te rapporteren en adviseren over de mogelijkheden voor omgang tussen vader en [minderjarige]. Het raadsrapport is op 23 april 2014 ter griffie ingekomen. De omgangszaak met zaaknummer C/08/149777 / FA RK 13-2834 zal daarom worden verwezen naar de rol van woensdag 14 mei 2014 voor dagbepaling voortzetting behandeling.

De beslissing

De kinderrechter:

1.

Gelast de griffier in het gezagsregister met betrekking tot [minderjarige], geboren op 6 december 2012 te [geboorteplaats], de navolgende aantekening toe te voegen:

“De kinderrechter gelast doorhaling van de op 27 februari 2013 geplaatste aantekening:

“De griffier van de rechtbank stelt vast dat verzoekers hebben voldaan aan de voorwaarden om de aantekening tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over voornoemde minderjarige in het gezagsregister te verkrijgen.””;

2.

Veroordeelt de man in de proceskosten, zijnde een totaalbedrag van € 2.914,--,

- te voldoen aan de vrouw een bedrag van € 979,-- voor vast recht en salaris advocaat;

- te voldoen aan de griffier van deze rechtbank een bedrag van € 1.935,-- voor kosten van het deskundigenonderzoek.

3.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2014 in tegenwoordigheid van G.H. Mensink-Heuver, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.