Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3381

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
C-08-148080 - FA RK 13-2489
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van vader tot vaststelling omgang afgewezen nu dit in strijd met zwaarwegende belangen kinderen moet worden geacht. In deze zaak is het een gegeven dat de kinderen met ingrijpende gebeurtenissen in het verleden en ernstige conflicten tussen hun ouders zijn geconfronteerd en dat bij hen thans sterke vrees en wantrouwen ten opzichte van de vader bestaat. Vader kan zich niet inleven in situatie van de kinderen. Vader heeft gepoogd moeder te vermoorden. Hij is daarvoor veroordeeld tot 9 jaar met TBS dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/148080 / FA RK 13-2489 (amw)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 1 mei 2014

inzake

[verzoeker],

verder ook de man of de vader te noemen,

verblijvende in de PI Overijssel, locatie Zwolle,

8011 NV, Postbus 1092,

verzoeker,

advocaat: mr. K.M. Ten Voorde,

en

[belanghebbende],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende op een geheim adres,

belanghebbende,

advocaat: mr. B.A.M. Oude Breuil.

Het procesverloop

Op 27 november 2013 is ter griffie ingekomen het verzoekschrift met bijlagen van de man.

De kinderrechter heeft kennis genomen van een brief van mr. Oude Breuil d.d.

10 december 2013.

Op 3 januari 2014 is een verweerschrift ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 januari 2014. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Nadien heeft de kinderrechter kennis genomen van:

  • -

    brieven van mr. Oude Breuil d.d. 16 januari 2014 met bijlage en 28 april 2014;

  • -

    brieven van mr. Ten Voorde van 21 januari 2014 met bijlage en 16 april 2014;

  • -

    een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 4 april 2014.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

De man en de vrouw hebben een relatie gehad.

Uit deze relatie zijn geboren:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [2008];

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [2010].

Uit een eerdere relatie van de vrouw is geboren:

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [2003].

De vrouw is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

De minderjarigen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

De standpunten van partijen

De man verzoekt te bepalen dat er eenmaal per maand omgang zal plaatsvinden tussen de kinderen en hem op zondagmiddag van 13.30 uur tot 16.00 uur in de PI te Zwolle, alsmede een informatieregeling vast te stellen.

Hij stelt daartoe onder meer het volgende. Partijen hebben van maart 2007 tot augustus 2012 een relatie gehad, waaruit zijn geboren [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Daarnaast heeft de man family-life gehad met [minderjarige 3] als stiefvader. Het was voor de man niet mogelijk om de kinderen te erkennen en te worden belast met het ouderlijk gezag, omdat hij was getrouwd en gescheiden in Turkije, maar de echtscheiding nog niet in Nederland staat ingeschreven. Na beëindiging van de relatie tussen partijen is er geen zorgregeling getroffen. De man heeft de kinderen al ruim een jaar niet gezien. Hij zit nu in voorarrest in verband met aangifte door de vrouw van poging tot moord. De man ontkent hetgeen hem ten laste wordt gelegd. De man wil graag een rol blijven spelen in het leven van de kinderen en hen blijven zien. De vrouw werkt hier niet aan mee.

De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen en hem zo mogelijk uitdrukkelijk het recht op omgang te ontzeggen. De relatie tussen partijen is reeds eind 2010 beëindigd. De man heeft de vrouw tijdens en na de relatie meermalen bedreigd, lastig gevallen en mishandeld. Op 24 oktober 2012 is de man binnengedrongen in de woning van de vrouw en heeft hij haar meermalen gestoken. De vrouw is in coma geraakt en heeft enkele dagen in kritieke toestand in het ziekenhuis verbleven. Ten tijde van het binnendringen in de woning waren [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en een vriendin van de vrouw aanwezig. Zij zijn oorgetuige geweest van het vechten en schreeuwen en hebben nadien gezien dat de vrouw gewond en hevig bebloed door een ambulance is opgehaald. De kinderen zijn hierdoor beschadigd. De vrouw ziet geen rol voor de man in het leven van de kinderen. De kinderen zijn volledig afhankelijk van de vrouw. Door de vrouw op een dergelijke wijze in hun bijzijn te mishandelen is het vertrouwen van de kinderen tot nul gedaald. In de strafrechtelijke procedure zal op

29 januari 2014 een zitting plaatsvinden.

De Raad heeft ter zitting van 7 januari 2014 aangeboden onderzoek te doen, maar daarbij opgemerkt dat pas een advies kan worden gegeven als er duidelijkheid is met betrekking tot de strafzaak.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

Tijdens de mondelinge behandeling op 7 januari 2014 heeft de kinderrechter de Raad verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor omgang tussen de man en de kinderen, alsmede de vraag of er contra-indicaties zijn tegen het vaststellen van een informatieregeling. De zaak is aangehouden en verwezen naar de rol voor dagbepaling.

De Raad heeft op 4 april 2014 rapport uitgebracht en geadviseerd de verzoeken van de man af te wijzen. De Raad heeft het Justitieel Documentatie Register ten aanzien van de man opgevraagd. Uit het onderzoek van de Raad is naar voren gekomen dat het niet in het belang van de kinderen is om omgang te hebben met de man. Dit zal ernstig nadeel opleveren voor hun geestelijke ontwikkeling en hun lichamelijke veiligheid. De man is op 12 februari 2014 door deze rechtbank veroordeeld voor poging tot moord op de vrouw en heeft negen jaar met TBS dwangverpleging opgelegd gekregen. De man heeft gezegd in hoger beroep te zullen gaan. De Raad acht de man ongeschikt om omgang op een goede manier vorm te geven. De man is niet in staat in te zien wat omgang voor de kinderen kan betekenen. Door deskundigen is ten aanzien van de man de diagnose zwakbegaafdheid gesteld, alsook de diagnose van een antisociale gedragsstoornis, waarvoor hij nooit behandeling heeft gehad. De kans op recidive wordt hoog ingeschat. De man heeft tijdens het strafproces er voor gekozen niet mee te werken aan psychologisch en psychiatrisch onderzoek. Uit een tapgesprek blijkt dat de man aan zijn moeder te kennen geeft net zo lang door te zullen gaan tot de vrouw dood is. Gelet op het vorenstaande is de Raad van mening dat omgang in strijd is met de belangen van de kinderen.

Voorts is de Raad van mening dat er contra-indicaties zijn voor het vaststellen van een informatieregeling. Voor de vrouw en de kinderen is het van uiterst groot belang dat zij op een veilige en onbekende plek van de man en zijn familie wonen aangezien de rechtbank inschat dat de kans op recidive groot is.


Mr. Ten Voorde heeft de kinderrechter bij brief van 16 april 2014 bericht dat de man het advies van de Raad betreurt. Hij is van mening dat het in het belang van de kinderen is om op te groeien met hem, althans een band met hem op te bouwen. Daarnaast is hij van mening dat de kinderen een verkeerd beeld van hem hebben.

Mr. Oude Breuil heeft de kinderrechter bij brief van 28 april 2014 bericht dat de vrouw zich kan vinden in het advies van de Raad en hij verzoekt de rechtbank conform dit advies te beslissen.

De kinderechter overweegt als volgt. Artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is van toepassing, nu tussen partijen niet in geschil is dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hij, gelet op de samenwoning van partijen tot ná de geboorte van de kinderen, in een nauwe persoonlijke betrekking tot de kinderen staat.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar, tenzij de rechter het recht op omgang op grond van de in het derde lid van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden ontzegt.

Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De kinderrechter is op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen van oordeel, dat een omgangsregeling tussen de kinderen en de man op dit moment niet valt te realiseren en niet wenselijk lijkt. Hoewel voorop behoort te staan dat een niet-verzorgende ouder het recht heeft op een omgangsregeling met haar of zijn kinderen, zal het opleggen van dit wettelijk vastgelegde recht onder de gegeven omstandigheden ongetwijfeld een negatieve invloed hebben op het welzijn van de kinderen, omdat daarvoor de tijd, mede gelet op de angsten bij de kinderen en de vrouw, niet rijp is. In deze zaak is het een gegeven dat de kinderen met ingrijpende gebeurtenissen in het verleden en ernstige conflicten tussen hun ouders zijn geconfronteerd en dat bij hen thans sterke vrees en wantrouwen ten opzichte van de man bestaat die, naar het zich laat aanzien, niet zo maar kunnen worden weggenomen. De man heeft -ondanks zijn veroordeling- zijn aandeel in deze situatie uitdrukkelijk ontkend hetgeen de kinderrechter van belang acht, nu de man er daarmee blijkt van geeft zich niet te kunnen inleven in de situatie van de kinderen. Nu is de situatie van de kinderen stabiel. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat er aan de zijde van de vrouw geen enkel draagvlak bestaat voor een omgangsregeling; door de gebeurtenissen in het verleden heeft de vrouw onvoldoende vertrouwen in de man om hem in contact met de kinderen te laten komen. De kinderrechter is onder de gegeven omstandigheden van oordeel dat zwaarwegende belangen zich verzetten tegen de omgang tussen de man en de kinderen.

Voorts heeft vader niet onderbouwd dat hij nu wel in staat is om zijn negatieve gevoelens richting moeder te beheersen, doordat hij bijvoorbeeld hulp van professionele zijde heeft gezocht. De enkele stelling van vader dat hij het verleden wil laten rusten en zich niet meer interesseert in het leven van de vrouw, acht de kinderrechter gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen te mager voor het toewijzen van het verzoek.

De kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat hen de rust en stabiliteit worden gegund, die hen in de huidige gezinssituatie wordt geboden. Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling afwijzen en de man het recht op omgang ontzeggen.

Informatie

De kinderrechter is van oordeel, in het licht van de bovengenoemde omstandigheden, dat het belang van de kinderen eist dat de door de man verzochte informatie- en consultatieregeling achterwege blijft. Dit verzoek van de man wordt eveneens afgewezen.

De beslissing

De kinderrechter:

1.

Wijst af de verzoeken van de man.

2.

Ontzegt de man met ingang van heden het recht op omgang met de minderjarigen.

3.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. A.M. Witkop als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2014.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.