Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3366

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
C/08/138642 / ES RK 13-847
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de vrouw om de echtscheiding niet uit te spreken zolang partijen geen billijke pensioenvoorziening hebben getroffen, wordt afgewezen. De rechtbank laat vermeerdering van het verzoek van de zijde van de vrouw buiten beschouwing nu het verzoek niet door de advocaat is ingediend en de vrouw in persoon geen rechtshandeling kan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/138642 / ES RK 13-847 (hmj)

beschikking van 8 april 2014.

In de zaak van:

[verzoeker],

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. E.H.M. Geerts te Vriezenveen,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

voorheen als advocaat: mr. G.J. Ligtenberg te Wierden,

thans in persoon procederend.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 29 mei 2013;

  • -

    het exploot van betekening van 7 juni 2013;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 25 september 2013;

  • -

    het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op 18 december 2013.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 30 oktober 2013 een brief van mr. Geerts van 29 oktober 2013 met bijlage;

- op 8 november 2013 een brief van mr. Geerts van 7 november 2013 met bijlage;

- op 28 januari 2014 een brief van de vrouw van 27 januari 2014.

De minderjarigen hebben hun mening aan de rechter kenbaar gemaakt bij op 18 juni 2013 binnengekomen brieven.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 februari 2014. Ter zitting zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Geerts en de vrouw. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen “de Raad”, is verschenen mevrouw Jongman. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 24 februari 2014 een brief van de vrouw van 24 februari 2014;

- op 25 februari 2014 een brief van mr. Geerts van 21 februari 2014 met bijlagen;

- op 21 maart 2014 een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d.

20 maart 2014.

De feiten

Partijen zijn op 21 december 1995 te Ootmarsum met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Partijen zijn ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [1997],

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [1998],

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [2000].

Het verzoek

De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

  2. te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de onderhavige beschikking;

  3. een beslissing te geven omtrent de kosten van de procedure.

De man stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1.

het verzoek van de man om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken af te wijzen tenzij een billijke voorziening wordt getroffen voor de gevolgen van de echtscheiding ten aanzien van het verloren gaan van de aanspraak door de vrouw op het door de man opgebouwde nabestaandenpensioen.

2.

het verzoek van de man om het door hem overgelegde ouderschapsplan onderdeel te laten uitmaken van de beschikking af te wijzen.

Zij verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

3.

te bepalen dat de minderjarige kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;

4.

te bepalen dat partijen het gezamenlijk gezag zullen voortzetten;

5.

te bepalen dat er een omgang/zorgregeling tussen de minderjarige kinderen en de man zal gelden, waarbij de man eenmaal in de twee weken gedurende een dagdeel op de zaterdag of de zondag omgang heeft met de minderjarige kinderen van partijen.

6.

te bepalen dat de vrouw zal bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met € 8.225,= per maand.

7.

te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met € 415,= per kind per maand.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

De man kan zich verenigen met de verzoeken omschreven onder 3. en 4. De man kan zich niet verenigen met de verzoeken onder 5., 6. en 7. Hij persisteert voor het overige.

De beoordeling

Ontvankelijkheid

Bij de betekening van het verzoekschrift zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen. De in artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd, met uitzondering van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan.

De man heeft op 29 mei 2013 een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. Dit verzoek bevat een eenzijdig door hem opgesteld ouderschapsplan ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen. Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Rv dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Ondanks het feit dat de man een eenzijdig ouderschapsplan heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat hij kan worden ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding, nu partijen van mening verschillen omtrent de voor de minderjarige kinderen te treffen regelingen. Partijen hebben dusdanig uiteenlopende standpunten dat van hen redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij alsnog een ouderschapsplan overleggen. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank beslissingen nemen over de verzochte nevenvoorzieningen die het meest in het belang van de minderjarigen worden geacht en daarmee, bij gebreke van een ouderschapsplan, conform artikel 815 lid 6 Rv in een ouderschapsregeling voorzien.

Nu er geen, door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd zal de rechtbank het verzoek van de man te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking afwijzen.

Ten aanzien van de echtscheiding

De man stelt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht op grond waarvan de man de rechtbank verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

De vrouw is eveneens van mening dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft echter een pensioenverweer gevoerd. De vrouw stelt dat zij door de echtscheiding niet meer zal worden aangemerkt als nabestaande van de man. De man heeft in de besloten vennootschap [X]. en/of [Y]nabestaandenpensioen opgebouwd waar de vrouw, ten gevolge van de echtscheiding geen aanspraak meer op maakt. Door de echtscheiding gaan dan ook bestaande vooruitzichten op een uitkering op nabestaandenpensioen verloren, dan wel worden deze ernstig verminderd. De vrouw heeft de rechtbank verzocht de echtscheiding niet uit te spreken dan voordat partijen daartoe een billijke regeling hebben getroffen.

Ter zitting heeft de man naar voren gebracht dat beide partijen werkzaam zijn geweest bij de Belastingdienst waar een regulier ouderdomspensioen is opgebouwd. De vrouw heeft hier iets meer opgebouwd dan de man.

Daarnaast is er binnen [X]. in eigen beheer pensioen opgebouwd. Beide partijen bezitten de helft van de aandelen van [X]. De man is directeur. De vrouw heeft ongeveer € 10.000,= aan pensioen opgebouwd en de man een bedrag van ongeveer € 180.000,=. De vrouw heeft deze bedragen niet betwist.

De vrouw stelt dat op het moment dat de echtscheiding wordt uitgesproken zij geen nabestaande meer is maar dat de nieuwe partner van de man dat is. Als de man dan komt te overlijden voor de boedelscheiding is afgerond dan heeft zij geen recht op het pensioen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:153 lid 1 BW kan, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen, die, gelet op de omstandigheden van het geval ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 1:153 BW blijkt dat dit artikel niet ziet op uitkeringen uit hoofde van een ouderdomspensioen, maar uitsluitend op uitkeringen uit hoofde van een nabestaandenpensioen en daarmee vergelijkbare uitkeringen, zoals die krachtens levensverzekering.

Uit de door de man overgelegde pensioenbrieven blijkt dat er een pensioenvoorziening is getroffen in het geval van echtscheiding. Daarnaast blijkt dat zowel de man als de vrouw beiden de helft van de aandelen van [X]. houden, waarin in eigen beheer pensioen is opgebouwd.

Voorts blijkt uit de door partijen verstrekte gegevens dat het totale vermogen van beide partijen ongeveer vijf miljoen euro bedraagt en dat er drie miljoen euro aan liquide middelen is te verdelen. De vrouw kan na de verdeling/verrekening over de helft van dit vermogen beschikken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank het beroep van de vrouw op het zogenaamde pensioenverweer ongegrond. Immers, nu de vrouw meer dan voldoende eigen middelen heeft om een pensioenvoorziening te treffen is voldaan aan de grond in het tweede lid van artikel 1:153 BW, te weten dat redelijkerwijs te verwachten is dat de vrouw zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen. Aldus wordt het pensioenverweer van de vrouw verworpen en wordt het verzoek van de man tot echtscheiding toegewezen.

Ten aanzien van het ouderlijk gezag

De rechtbank overweegt dat hoofdregel is dat ouders na de scheiding het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen, zodat het verzoek dit te bepalen wordt afgewezen. Uit de uitoefening van het gezamenlijk gezag vloeit voort dat personen die beroepshalve bij de minderjarigen betrokken zijn volgens de wet verplicht zijn om aan beide ouders dezelfde informatie te verstrekken.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats

Partijen zijn het er over eens dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw. Niet gebleken is dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet, zodat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.

Ten aanzien van de verdeling zorg- en opvoedingstaken

Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Ter zitting is gebleken dat de rechtbank thans nog geen beslissing op dit punt kan geven en dat een onderzoek door de Raad noodzakelijk is. De rechtbank heeft de Raad ter zitting reeds verzocht een onderzoek in te (doen) stellen naar en de rechtbank te rapporteren en te adviseren over de voor de minderjarigen meest wenselijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

Inmiddels heeft de Raad aan de rechtbank gerapporteerd. Kort gezegd stelt de Raad dat op dit moment nog niet te zeggen is hoe de omgangsregeling tussen [minderjarige 3], [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en de man er qua aard, duur en frequentie uit kan zien. Er speelt op dit moment nog zoveel dat het hoofd geboden moet worden dat dit eerst in een positieve ontwikkeling moet komen voordat een vaste omgangsregeling definitief vastgelegd kan worden. De Raad is wel van mening dat de huidige laagfrequente omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 3] en [minderjarige 1] een goede stap is. Het verdere verloop en eventuele wijzigingen hierin dienen onder regie van de aan te stellen gezinsvoogd en in afstemming met de betrokken hulpverlening te worden vormgegeven.

De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het advies van de Raad. Indien en voor zover beide partijen hiermee kunnen instemmen zal de zaak voorlopig door de rechtbank kunnen worden aangehouden. Indien en voor zover partijen hiermee niet kunnen instemmen zal een mondelinge behandeling worden gepland om over het advies van de Raad te spreken. De rechtbank verwijst de zaak voor uitlating naar de rol van 24 april 2014.

Ten aanzien van de kinderalimentatie

De behoefte

De vrouw stelt dat de behoefte van de minderjarige kinderen in totaal € 1.465,= per maand bedraagt, afgerond € 488,= per kind per maand. De man betwist deze behoefte niet.

Ter zitting heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat de behoefte van de minderjarige [minderjarige 1] verhoogd dient te worden met reiskosten. In verband met haar ziekte kan ze niet fietsen en dient de vrouw haar te halen en brengen van school en van en naar vriendinnen. De vrouw verzoekt de rechtbank dan ook om de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen op € 2.000,= vast te stellen.

De man betwist de door de vrouw gestelde verhoogde behoefte van de minderjarige [minderjarige 1]. Hij stelt dat in de tabellen al is voorzien in deze extra kosten.

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft ter zitting verzocht om een bijdrage van € 2.000,= in plaats van de in eerste instantie door haar verzochte bijdrage van € 415,= per kind per maand. Dit is een vermeerdering van het verzoek. Deze vermeerdering van verzoek laat de rechtbank buiten beschouwing, nu deze vermeerdering niet door een advocaat is gedaan en de vrouw in persoon geen proceshandelingen kan verrichten.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de vrouw de door haar gestelde verhoging van de behoefte van [minderjarige 1], gelet op de betwisting door de man, ook niet voldoende heeft onderbouwd.

De rechtbank stelt de behoefte van de minderjarige kinderen dan ook vast op € 1.465,= per maand, zijnde € 488,= per kind per maand. Er is geen recht op een kindgebondenbudget, zodat het aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen € 488,= bedraagt.

Partijen dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de kosten van de minderjarige kinderen.

De draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van de navolgende gegevens. De man en de vrouw zijn beide 50% aandeelhouder van [X]. [X]. houdt op haar beurt 100% van de aandelen in [Y]

De man stelt zijn salaris uit voornoemde B.V. op € 22.000,=. De vrouw stelt het salaris op een bedrag ad € 43.000,=.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde salarisstroken van de eerste drie kwartalen van 2013 volgt dat de man per kwartaal een salaris genoot van € 9.722,= bruto. De rechtbank zal hiervan uitgaan. Dat de man heeft gesteld dat het salaris in het derde en vierde kwartaal niet is uitgekeerd, doet hieraan niet af. Een en ander volgt niet uit de door de man overgelegde stukken, noch volgt uit de stukken dat de man zijn salaris heeft verlaagd en dat de fiscus met deze verlaging heeft ingestemd.

Voorts drijft de man een eenmanszaak onder de naam [Z]. Uit de overgelegde jaarstukken volgt dat de winst uit onderneming in 2010 € 49.009,= bedroeg, in 2011 € 45.173,= en in 2012 € 35.722,=. De gemiddelde winst uit onderneming over de afgelopen drie jaar bedroeg derhalve € 43.301,= per jaar.

De vrouw heeft gesteld dat de gemiddelde winst uit onderneming op grond van de overgelegde IB-aangifte € 79.345,= bedraagt (in 2010 € 74.009,=, 2011 € 75.173,= en 2012 € 88.853,=).

De rechtbank kan de door de vrouw gestelde gegevens niet herleiden uit de overgelegde stukken. Uit de IB-aangifte volgt in 2010 een saldo fiscale winstberekening van € 75.937,= en een belastbare winst uit onderneming van € 55.717,=. Uit de IB-aangifte 2011 volgt een saldo fiscale winstberekening van € 76.306,=, een fiscale winst uit onderneming van € 67.677,= en een belastbare winst uit onderneming van € 55.506,=.

De rechtbank gaat – overeenkomstig het Rapport Expertgroep alimentatienormen – uit van de gemiddelde winst uit onderneming die volgt uit de jaarstukken, nu dit de bedrijfseconomische winst betreft en hieruit kan worden afgeleid welk bedrag de man aan de onderneming kan onttrekken. In de draagkrachtberekening zal de rechtbank – net als de man – rekenen met een bedrag ad € 43.301,= aan winst uit onderneming.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB Winstvrijstelling, de arbeidskorting en de algemene heffingskorting.

Tot slot houdt de rechtbank rekening met een vermogen van € 1.500.000,=, waaruit de man naar eigen zeggen 6% rendement kan behalen.

Het netto besteedbare inkomen (NBI) van de man bedraagt derhalve € 10.537,= per maand. De man heeft geen beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets. De rechtbank stelt de draagkracht van de man vast aan de hand van de formule 70% x [NBI- (0,3 NBI + 860)]. Voor zover aftrek bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, zal de rechtbank de draagkracht van de man met dit bedrag verhogen.

Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 4.561,= per maand te vermeerderen met het fiscale voordeel. Deze draagkracht dient te worden aangewend voor drie kinderen. De man kan dus volledig voorzien in de behoefte van de minderjarigen.

De draagkracht van de vrouw

De vrouw stelt dat zij geen draagkracht heeft bij te dragen in de kosten van de kinderen.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van de navolgende gegevens. De man en de vrouw zijn beide 50% aandeelhouder van [X]. [X]. houdt op haar beurt 100% van de aandelen in [Y]

De vrouw dreef een eenmanszaak onder de naam [A]. De vrouw heeft de portefeuille van de eenmanszaak per 1 januari 2014 overgedragen. Er vinden vanaf dat moment – naar zeggen van de vrouw – geen activiteiten meer plaats in [A]. Wel heeft de vrouw bij de overname van de portefeuille een afspraak gemaakt over nog te ontvangen provisies. De vrouw heeft deze inkomsten thans op nihil gesteld. De man betwist dat de vrouw geen verdiencapaciteit heeft. Zij heeft – ook na een haar overkomen ongeval – gewerkt en de man ziet niet waarom zij thans niet in staat is eigen inkomsten te genieten.

De rechtbank overweegt als volgt. De portefeuille van de eenmanszaak is per 1 januari 2014 overgedragen en thans is onduidelijk welke inkomsten de vrouw hieruit nog zal genieten. De vrouw heeft haar standpunt dat zij geen verdiencapaciteit heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De vrouw stelt in het verleden een ongeval te hebben gehad en hiervoor eenmalig een uitkering te hebben genoten. De uitkering had – naar zeggen van de vrouw – betrekking op immateriële schadevergoeding en het verlies aan verdiencapaciteit. De vrouw heeft nagelaten stukken in het geding te brengen waaruit volgt wanneer de ongevalsuitkering is gedaan en waarop deze betrekking heeft. Dit komt voor rekening en risico van de vrouw. Zij heeft haar stellingen ter zake onvoldoende onderbouwd. Voorts heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd waarom zij thans – gelet op haar persoonlijke omstandigheden en gelet op de zorg voor de kinderen – niet meer in staat zou zijn om inkomsten te genereren. Partijen zijn al geruime tijd uit elkaar en ook de gezondheidsproblemen van [minderjarige 1] spelen – helaas – al langere tijd. Dat de vrouw arbeidsongeschikt is, heeft zij in het kader van deze procedure onvoldoende onderbouwd. Bovendien is voldoende komen vast te staan dat de vrouw over een aanzienlijk vermogen beschikt van minimaal € 1.500.000,=. Ook over het vermogen is de rechtbank niet volledig geïnformeerd. Partijen twisten over het werkelijke rendement dat partijen met hun vermogen zouden kunnen genereren. De man stelt dit op 6% en de vrouw op 2%.

De rechtbank is – gelet op het hiervoor overwogene – van oordeel dat de vrouw in staat is om ook een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te leveren.

Nu – bij gebrek aan voldoende financiële gegevens –een exacte draagkrachtberekening niet kan worden opgesteld, acht de rechtbank het redelijk dat de man 60% van de kosten van de kinderen voor zijn rekening neemt en de vrouw 40%, mede nu de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en met name [minderjarige 1] extra zorg en aandacht nodig heeft.

De behoefte van de kinderen aan een bijdrage bedroeg € 488,= per kind per maand, zodat de vrouw in staat moet worden geacht om een bedrag van € 195,= per kind per maand hierin bij te dragen. Het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen is dan € 293,= per kind per maand.

De zorgkorting

Ter zitting hebben partijen verklaard dat in samenspraak met Balanz een voorlopige omgangsregeling tot stand is gekomen, die er uit bestaat dat [minderjarige 3] om de week een weekend bij de man verblijft van zaterdag tot zondag en [minderjarige 1] in dat weekend een dagdeel. Met [minderjarige 2] is nog geen omgangsregeling tot stand gekomen. Er lopen gesprekken en de man wil de omgang op dit moment niet afdwingen.

De man heeft dan ook aanspraak op een zorgkorting voor [minderjarige 1] en [minderjarige 3]. De rechtbank volgt wat betreft de hoogte van die zorgkorting de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Uitgaande van voormelde regeling geldt een zorgkortingspercentage van 15%. Nu de behoefte van [minderjarige 1] respectievelijk [minderjarige 3] € 488,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 73,= per maand.

Aldus gerekend resteert een door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor [minderjarige 1] van € 220,= (€ 293,= minus de zorgkorting van € 73,=) per maand, voor [minderjarige 2] € 293,= per maand en voor [minderjarige 3] € 220,= per maand. Voormelde bijdragen acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Ten aanzien van de ingangsdatum

De vrouw heeft verzocht de vast te stellen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van de datum indiening verzoekschrift door de man (29 mei 2013) vast te stellen. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit verzoek zal toewijzen.

Ten aanzien van de partneralimentatie

Partijen zijn het erover eens dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op een bedrag van € 10.015,= kan worden vastgesteld.

De man betwist echter de behoeftigheid van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Hij stelt dat de vrouw zeer wel in staat is om eigen inkomsten te generen en dat zij dit ook altijd heeft gedaan. Bovendien beschikken partijen over een aanzienlijk vermogen waarvan de vrouw goed kan leven.

De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij stelt arbeidsongeschikt te zijn en roofbouw op haar lijf te hebben gepleegd. Bovendien heeft de vrouw de portefeuille van haar eenmanszaak verkocht, zodat zij ook uit haar eenmanszaak geen inkomsten meer geniet.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Zij heeft in het kader van deze procedure onvoldoende onderbouwd dat zij niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De verkoop van de portefeuille komt voor rekening en risico van de vrouw. Bovendien beschikt de vrouw over een aanzienlijk vermogen. Het had op de weg van de vrouw gelegen haar standpunten ter zake nader te onderbouwen en meer inzicht te geven in haar financiële situatie.

De rechtbank zal het verzoek om partneralimentatie dan ook afwijzen.

De beslissing

De rechtbank:

1.

Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [1995] te [plaats] gehuwd.

2.

Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn.

3.

Bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [1997], met ingang van 29 mei 2013 op een bedrag van € 220,= (zegge: tweehonderd twintig EURO) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [1998], met ingang van 29 mei 2013 op een bedrag van € 293,= (zegge: tweehonderd drieënnegentig EURO) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,

[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [2000] met ingang van 29 mei 2013 op een bedrag van € 220,= (zegge: tweehonderd twintig EURO) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.

Verklaart de onderdelen 2. en 3. uitvoerbaar bij voorraad.

5.

Wijst het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud af.

6.

Verwijst de zaak naar de rol van 24 april 2014 voor uitlating over het al dan niet plannen van een mondelinge behandeling om over het advies van de Raad voor de Kinderbescherming ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te spreken.

7.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Jongebreur, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die Raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.