Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3362

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
C/08/139957 / ES RK 13-1144 en C/08/148026 / ES RK 13-2465
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats vamn het ene kind bij de man en van het andere kind bij vrouw, nu dit een evident financieel voordeel oplevert. Op de draagkracht van de man wordt de behoefte van het kind dat bij hem verblijft in mindering gebracht. Resterende draagkracht wordt (na vergelijking) aangewend voor betaling van kinderalimentatie voor het kind dat bij de vrouw verblijft.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/148 met annotatie van T.C.P. Christoph

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummers: C/08/139957 / ES RK 13-1144 en C/08/148026 / ES RK 13-2465

beschikking van 1 april 2014.

In de zaak van:

[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoekster,

advocaat: mr. B.A.M. Oude Breuil te Enschede,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. L. van Straten te Hengelo (O).

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 25 juni 2013;

  • -

    het exploot van betekening van 9 juli 2013, ontvangen op 17 juli 2013;

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 25 september 2013;

  • -

    het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, binnengekomen op

22 oktober 2013.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 20 november 2013 een brief van mr. Oude Breuil;

- op 10 februari 2014 een brief van mr. Van Straten van 7 februari 2014 met bijlagen;

- op 10 februari 2014 een faxbrief van mr. Van Straten met bijlagen.

De rechtbank heeft het echtscheidingsverzoek afgesplitst van de door de man verzochte verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de afgesplitste zaak het zaaknummer C/08/148026 / ES RK 13-2465 gegeven.

Beide zaken zijn behandeld ter zitting van 18 februari 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen “de Raad”, is verschenen de heer J.J. de Vries. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

Partijen zijn op [2004] te [plaats] met elkaar gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Partijen zijn ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

[minderjarige 1], geboren te [plaats] op [2007],

[minderjarige 2], geboren te [plaats] op [2009].

Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

  2. te verstaan dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag zullen voortzetten over hun minderjarige kinderen;

  3. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met € 250,- per kind per maand;

  4. te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de onderhavige beschikking;

  5. te bepalen dat partijen dienen over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap van goederen waarin zij zijn gehuwd, met benoeming van een notaris en onzijdig persoon als volgens de wet;

De vrouw stelt, naast hetgeen hiervoor als vaststaand is weergegeven, dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en dat het verzoek omtrent het gezag en de zorg- en opvoedingstaken in het belang is van de kinderen.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De man verzoekt de rechtbank het verzochte onder c af te wijzen, aangezien hij onvoldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te voldoen. Hij verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat de [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de man en de [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw;

  2. te bepalen dat er een zorg- en contactregeling zal zijn tussen de man en de kinderen, inhoudende dat zij in de even weken bij de man verblijven en in de oneven weken bij de vrouw, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

  3. de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de man, subsidiair partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet.

Het verweer op het zelfstandig verzoek

Naar de mening van de vrouw dienen de zelfstandige verzoeken te worden afgewezen. Zij persisteert voor het overige.

Op de stellingen van partijen zal – voor zover relevant – onderstaand worden ingegaan.

De beoordeling

Bij de betekening van het verzoekschrift zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen. De in artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd, met uitzondering van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het door haar in het geding gebrachte ouderschapsplan onderdeel zal uitmaken van deze beschikking.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stemt niet in met de door de vrouw voorgestelde regeling ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de zorg- en contactregeling alsmede met betrekking tot de verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat het verzoekschrift niet het vereiste ouderschapsplan bevat, is voldoende gebleken dat van partijen redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij alsnog een ouderschapsplan overleggen. De rechtbank zal derhalve niet bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking en een beslissing geven over de hoofdverblijfplaats, de zorg- en contactregeling en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek.

Inzake zaaknummer C/08/139957 / ES RK 13-1144

Ten aanzien van de echtscheiding

Nu de vrouw stelt en de man erkent dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast. Het verzoek tot echtscheiding kan daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van het gezag

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om te verstaan dat het gezag over de kinderen na de echtscheiding gezamenlijk door partijen wordt uitgeoefend afwijzen, nu dit rechtsreeks uit de wet voortvloeit en partijen hierbij geen belang hebben.

De rechtbank overweegt dat hoofdregel is dat ouders na de scheiding het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. Hieruit vloeit voort dat personen die beroepshalve bij de minderjarigen betrokken zijn volgens de wet verplicht zijn om aan beide ouders dezelfde informatie te verstrekken.

Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Ter zitting is gebleken dat partijen sinds het uiteengaan de zorg- en opvoedingstaken hebben verdeeld, aldus dat de kinderen afwisselend een week bij de man en bij de vrouw verblijven. Aangezien de wisselmomenten belastend zijn voor de kinderen, vanwege de spanningen tussen de ouders, is er voor gekozen de wisseling op maandagmorgen te laten plaatsvinden, waarbij de kinderen door de ene ouder naar school worden gebracht en door de andere ouder uit school worden opgehaald.

De vrouw wenst tot een andere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te komen. Zij stelt dat de periode van een week te lang is dat de kinderen haar of de man niet zien en zij verzoekt de weken te verdelen zodat de kinderen van zaterdag tot en met dinsdag, respectievelijk van zondag tot en met dinsdag bij de man zijn en de overige dagen bij de vrouw.

De man verweert zich hiertegen. De regeling van een hele week bij de een en vervolgens een week bij de ander bevalt hem goed. Hij wil het aantal wisselmomenten graag beperken. De man vindt het storend dat de vrouw de kinderen op de woensdagmiddag dat zij bij de man verblijven bij zich heeft.

Partijen zijn het erover eens dat de communicatie tussen hen beiden verbetering behoeft. De kinderen zijn gebaat bij een constructieve wijze van met elkaar omgaan door beide ouders. Tot op heden zijn partijen er niet in geslaagd dit te bereiken. Ter zitting hebben partijen zich bereid verklaard het zgn. BRAM-project in te gaan, waarbij zij zich tot het maatschappelijk werk zullen wenden om te bezien wat er nodig is om hun onderlinge verstandhouding te verbeteren. De rechtbank zal, in afwachting van de uitkomsten van dit traject, de beslissing omtrent de zorg- en contactregeling aanhouden voor een periode van drie maanden. De rechtbank verzoekt nu reeds de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek te doen inzake het omgangsrecht van de niet dagelijks verzorgende ouder en de kinderen en omtrent dat onderzoek rapport uit te brengen en de rechter te adviseren over de te nemen beslissing, indien en zodra aan de Raad uit mededeling van het Algemeen Maatschappelijk Werk of

(een van) de advocaten blijkt dat, ondanks de aangeboden hulp en begeleiding, een omgangsregeling in onderling overleg niet tot de mogelijkheden behoort.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats

Partijen zijn verdeeld over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw gesteld dat zij vreest dat de man zal gaan verhuizen en het kind dat op zijn adres staat ingeschreven zonder haar instemming zal meenemen. Bovendien heeft de vrouw het gevoel dat de kinderen uit elkaar worden gehaald, wanneer zij niet dezelfde (formele) hoofdverblijfplaats zouden hebben.

De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te verdelen aangevoerd dat dit een financieel voordeel oplevert, dat aan de kinderen ten goede komt, omdat zijn draagkracht daardoor toeneemt.

De rechtbank overweegt als volgt. In de situatie waarin de kinderen een groter deel van de tijd bij de ene ouder doorbrengen ten opzichte van de andere ouder, ligt het voor de hand de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij die ouder te bepalen waar de kinderen de meeste tijd verblijven. Deze ouder zal immers ook het merendeel van de kosten voor de kinderen dragen en derhalve komen aan deze ouder dan de financiële en fiscale tegemoetkomingen toe, die verbonden zijn aan de hoofdverblijfplaats van de kinderen, zoals de kinderbijslag en de alleenstaande oudertoeslag.

In het geval er een co-ouderschapsregeling is, waarbij beide ouders een evenredig deel van de tijd de zorg voor de kinderen hebben, is het niet eenduidig bij welke ouder de hoofdverblijfplaats dient te worden bepaald. De keuze voor de ene of de andere ouder zal dan vaak samenhangen met afspraken tussen de ouders over de verdeling van kosten voor de kinderen. In onderhavige zaak, waarbij er twee kinderen zijn en beide ouders een gelijkwaardig aandeel in de zorg hebben, levert een verdeling van de hoofdverblijfplaatsen een evident financieel voordeel op, aangezien in die situatie beide ouders in aanmerking komen voor alleenstaande ouderkorting. Dit voordeel komt aan de kinderen ten goede, nu de man (zo wordt hieronder uiteengezet) zonder dit fiscaal voordeel onvoldoende draagkracht heeft om in de volledige behoefte van de kinderen te voorzien en deze heffingskorting zijn draagkracht vergroot. De rechtbank oordeelt derhalve dat het in het belang van de kinderen is om te bepalen dat [minderjarige 2] (formeel) haar hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben en [minderjarige 1] (formeel) bij de vrouw. In de berekening van de draagkracht van de man ter bepaling van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank hiermee rekenen.

Ter zitting heeft de man nadrukkelijk laten weten geen plannen te hebben om buiten de regio van [plaats] te gaan verhuizen. De man neemt de gezamenlijke woning van partijen over en de man begrijpt dat een verhuizing buiten de regio de overeengekomen co-ouderschapsregeling in gevaar zal brengen. De rechtbank merkt op dat voor een verhuizing waarbij de kinderen worden betrokken, voorafgaande instemming van de andere gezaghebbende ouder benodigd is, zodat de vrees van de vrouw dienaangaande ongegrond is.

Ten aanzien van de behoefte van de minderjarigen

De man betwist niet dat behoefte bestaat aan de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 250,- per kind per maand.

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de relatie dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen.

Partijen zijn het erover eens dat het gezamenlijk netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk € 3.698,- per maand bedroeg. Partijen konden tijdens het huwelijk geen aanspraak maken op het kindgebonden budget, zodat geen verhoging van het netto gezinsinkomen behoeft plaats te vinden.

Op basis van de tabel 2014 en voormeld netto gezinsinkomen berekent de rechtbank de behoefte van de minderjarigen aan een bijdrage van hun ouders op € 428,- per kind per maand. Deze behoefte vermindert de rechtbank vervolgens met het kindgebonden budget waarop de ouder bij wie het kind na het uiteengaan van partijen verblijft aanspraak kan maken. Zoals hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om te bepalen dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijf bij de man zal hebben en [minderjarige 1] bij de vrouw. Op basis van de op de website van de belastingdienst voorkomende “Proefberekening toeslagen” becijfert de rechtbank het kindgebonden budget waar de vrouw recht op heeft na uiteengaan op € 84,- per maand en het kindgebonden budget waar de man recht op heeft na het uiteengaan op € 38,- per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen komt daarmee in totaal op € 734,- per maand.

De man stelt voorts dat de vrouw ook dient bij te dragen in de behoefte van de minderjarigen. De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

Ten aanzien van de draagkracht van de man

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens, die tussen partijen niet in geschil zijn.

Het inkomen van de man bedraagt € 3.408,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft - naast het kindgebonden budget - recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 2.733,- per maand.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 860)]. Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 737,- per maand. Omdat de man aanspraak kan maken op fiscaal voordeel in verband met te betalen kinderalimentatie, verhoogt de rechtbank de berekende draagkracht met een fiscaal voordeel van € 35,- per maand. De draagkracht van de man komt daarmee op € 772,- per maand.

Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens, die tussen partijen niet in geschil zijn.

Het inkomen van de vrouw bedraagt € 1.304,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt zij een dertiende maand van € 977,- bruto per jaar en een bijdrage in de levensloopregeling van € 125,- per jaar.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De vrouw heeft - naast het kindgebonden budget - recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 1.384,- per maand.

De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van de formule 70% x

[NBI – (0,3 NBI + 860)]. Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de vrouw op € 76,- per maand.

Ten aanzien van de draagkrachtvergelijking

Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen € 848,- (€ 772,- + € 76,-) per maand bedraagt en deze hoger is dan het eigen aandeel in de kosten, dat is vastgesteld op € 734,- per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de behoefte van de kinderen te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

De rechtbank houdt er rekening mee dat de man in de volledige behoefte van [minderjarige 2] van

€ 390,- per maand voorziet. Van zijn draagkracht van € 772,- resteert alsdan nog een bedrag van € 382,- dat kan worden aangewend om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien, terwijl de vrouw een draagkracht heeft van € 38,- om in de behoefte te voorzien. Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 1] vastgesteld op een (afgerond) bedrag ad € 313,- per maand (€ 382,- : € 420,- x € 344,-).

Zoals hiervoor is overwogen heeft [minderjarige 2] haar hoofdverblijf bij de man en [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij de vrouw. Beide kinderen verblijven gedurende de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw. De man heeft dan ook aanspraak op een zorgkorting. De rechtbank volgt wat betreft de hoogte van die zorgkorting de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Uitgaande van voormelde regeling geldt een zorgkortingspercentage van 35%. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van dit percentage en gaat ervan uit dat de ‘vaste lasten’ van elk kind, zoals schoolgeld en contributies, door de ouder worden gedragen waar het kind is ingeschreven. Nu de behoefte na aftrek van het kindgebonden budget voor [minderjarige 1] € 344,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 120,- per maand. Aangezien de totale draagkracht van de ouders de behoefte van de kinderen overstijgt, kan de zorgkorting volledig worden verzilverd.

Aldus gerekend resteert een door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor [minderjarige 1] van € 193,- (€ 313,- minus de zorgkorting van € 120,-) per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Inzake zaaknummer C/08/148026 / ES RK 13-2465

Ten aanzien van de verdeling

Aangezien de man heeft verzocht om de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap te gelasten en de vrouw hier geen verweer tegen heeft gevoerd, zal de rechtbank hiertoe overgaan. Ten aanzien van elk boedelbestanddeel zal afzonderlijk worden opgenomen wat tussen partijen hieromtrent is overeengekomen, danwel wat de beslissing van de rechtbank op dit punt is.

1 Echtelijke woning

Partijen zijn het erover eens dat de echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] te [plaats], aan de man zal worden toebedeeld. De waarde die partijen aan dit boedelbestanddeel toekennen, bedraagt € 170.000,-. De kosten die zijn gemoeid met de notariële overdracht van het onroerend goed, de (taxatie)kosten van de makelaar, alsmede met betrekking tot het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, zullen door partijen bij helfte worden gedragen.

2. De hypothecaire geldlening bij Reaal, kenmerk [xxxx], ad € 166.400,-- verbonden aan de echtelijke woning, zal door de man worden overgenomen. Partijen zullen zich inspannen om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze geldlening te laten ontslaan.

3 Polis Reaal

Aan de hypothecaire geldlening is een tweetal polissen verbonden bij Reaal, waarvan er één op naam van de man is gesteld en één op naam van de vrouw. Beide polissen zullen aan de man worden toegescheiden. De polissen hebben allebei een waarde van € 21.315,-, in totaal derhalve € 42.630,-.

4 Auto

Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man de Opel Zafira, die hij inmiddels heeft ingeruild, krijgt toebedeeld en de vrouw de Volkswagen Kever, zonder dat over en weer verrekening plaatsvindt.

5 Inboedel

Partijen hebben de inboedelgoederen feitelijk verdeeld. Ieder der partijen behoudt wat hij/zij thans onder zich heeft. Ter zake behoeft geen nadere verrekening plaats te vinden.

6 Bankrekeningen

Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de Robeco-rekening toegescheiden krijgt en de man de Zilvervloot-rekening, zonder nadere verrekening. Partijen zijn het eveneens eens dat zij ieder de op hun naam gestelde SNS-bankrekening toegescheiden krijgen, zonder verrekening. De SNS-bankrekening met rekeningnummer [xxxx] wordt aan de vrouw toebedeeld, onder de verplichting het saldo van € 8.500,- met de man te verdelen.

7 Polis Amersfoortse

De waarde van deze polis per peildatum is door partijen opgevraagd, maar thans nog onbekend. Partijen zijn het eens dat de waarde per 25 juni 2013 verdeeld dient te worden. De polis zal aan de man worden toegescheiden.

8 Kinderopvangtoeslag

Partijen hebben in het verleden teveel kinderopvangtoeslag ontvangen. De belastingdienst vordert een bedrag van € 1.111,- terug. De vrouw heeft een betalingsregeling met de belastingdienst getroffen om tot terugbetaling over te gaan. De man stelt dat hij niet in deze schuld hoeft te delen, omdat de ouders van de vrouw als gastouder fungeerden. Het bedrag dat partijen aan kinderopvang aan de ouders van de vrouw betaalden, werd door hen weer teruggestort en dit vormde extra inkomsten voor de vrouw. De rechtbank oordeelt dat het hier een gemeenschapsschuld betreft, die door partijen gezamenlijk dient te worden gedragen. Het geld is op een gezamenlijke bankrekening van partijen gestort en door partijen aan de gezamenlijke huishouding besteed. De man dient dan ook aan de vrouw de helft van het bedrag te voldoen.

9 Verrekenposten

Tussen partijen dient nog verrekening plaats te vinden voor de door de man ten behoeve van de vrouw betaalde premie zorgverzekering over de periode juli tot en met september 2013. Het gaat hier om een bedrag van € 320,86.

Overige verzoeken ter zake verrekenposten die eerder in de procedure naar voren zijn gebracht, zijn ter zitting ingetrokken

Concluderend kan worden vastgesteld dat aan de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap die tussen partijen verrekend dienen te worden de volgende waarde kan worden toegekend:

  • -

    Woning € 170.000,-

  • -

    Reaal polissen € 42.630,-

  • -

    Hypotheek € 166.400,- -/-

  • -

    Banksaldo € 8.500,-

  • -

    Schuld fiscus € 1.111,- -/-

  • -

    Polis Amersfoortse P.M.

In totaal : € 53.619,- + P.M.

Aan beide partijen komt de helft hiervan toe, derhalve € 26.809,50 + P.M.. De waarde van de bestanddelen die aan de man worden toebedeeld bedraagt in totaal € 46.230,-, zodat in deze verdeling de man overbedeeld wordt voor een bedrag van € 19.420,50. Hierop strekt in mindering de verrekenpost die de vrouw aan hem dient te vergoeden van € 320,86, zodat de man een bedrag van € 19.099,64 aan de vrouw dient te voldoen, alsmede de helft van de waarde van de polis bij de Amersfoortse per peildatum.

De beslissing

De rechtbank:

Inzake zaaknummer C/08/139957 / ES RK 13-1144

1. Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [2004] te [plaats] gehuwd.

2. Bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige:

[minderjarige 1], geboren te [plaats] op [2007] bij de vrouw zal zijn en van [minderjarige 2], geboren op [2009] te [plaats] bij de man.

3. Bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind:

[minderjarige 1], geboren te [plaats] op [2007], met ingang van heden vast op een bedrag van € 193,- (zegge: honderd drieënnegentig EURO) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4. Verwijst de zaak naar de rol van woensdag 25 juni 2014 voor uitlating partijen, waarbij partijen berichten of zij een nieuwe behandeling of een beschikking wensen.

5. Verklaart de onderdelen 2 en 3 uitvoerbaar bij voorraad.

6. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Inzake zaaknummer C/08/148026 / ES RK 13-2465

I. Verdeelt de gemeenschap van goederen van partijen als volgt:

Deelt aan de man toe:

  • -

    de echtelijke woning staande en gelegen te [plaats] aan de [adres], waarde € 170.000,--;

  • -

    de aan de echtelijke woning gekoppelde hypothecaire lening en de twee polissen levensverzekeringen bij Reaal, totale waarde € 42.630,--;

  • -

    de Opel Zafira

  • -

    de inboedelgoederen die de man thans bezit;

  • -

    de Zilvervloot-rekening;

  • -

    de SNS-bankrekening met nummer [xxxx];

  • -

    de polis bij de Amersfoortse.

Deelt aan de vrouw toe:

  • -

    de volkswagen Kever

  • -

    de inboedelgoederen die de vrouw thans bezit;

  • -

    de Robeco-rekening;

  • -

    de SNS-bankrekeningen met nummers [xxxx] en [xxxx];

  • -

    de schuld aan de Belastingdienst ad € 1.111,--.

II. Bepaalt dat de man als eigen schuld voldoet de hypothecaire geldlening ten bedrage van € 166.400,-- en draagt de man op zich ervoor in te spannen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijkheid van deze hypothecaire geldlening.

III. Bepaalt dat partijen de kosten die verband houden met de overname van de echtelijke woning bij helfte dienen te voldoen.

IV. Bepaalt dat de man binnen één maand na heden wegens overbedeling een bedrag ad

€ 19.099,64 (negentienduizend negenennegentig 64/100 euro) aan de vrouw dient te voldoen.

V. Verklaart onderdeel IV uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.H. van der Lecq, in tegenwoordigheid van

mr. A.M. Witkop, griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die Raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.