Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3361

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
C/08/147800 / FA RK 13-2433
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsverwerking/verjaring. Verzoek van de man afgewezen om voor recht te verklaren dat de vrouw de wettelijke indexering over periode in verleden niet kan innen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0163

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/147800 / FA RK 13-2433 (mk)

Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 2 april 2014, in de zaak van:

[verzoeker],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat: mr. L. van Straten,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. P.S. Wibbelink.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 20 november 2013;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, binnengekomen op 14 januari 2014.

Ter griffie van de rechtbank zijn binnengekomen:

- op 24 februari 2014 een brief met bijlagen van mr. Wibbelink;

- op 24 februari 2014 een brief met bijlagen van mr. Van Straten;

- op 27 februari 2014 een faxbericht van mr. Wibbelink;

- op 3 maart 2014 een brief met bijlagen van mr. Van Straten.

De zaak is behandeld ter zitting van 5 maart 2014. Ter zitting zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Van Straten en mr. Wibbelink namens de vrouw. Beide partijen hebben ter zitting aanvullende stukken overgelegd. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De feiten

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in de door hen beiden op 15 augustus 2006 ondertekende vaststellingsovereenkomst. In die overeenkomst zijn partijen, voor zover thans van belang, een alimentatie van € 750,- per maand overeengekomen.

Bij beschikking van 6 september 2006 heeft de rechtbank Almelo de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op 27 september 2006 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 750,- per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het verzoek

De man verzoekt - na wijziging - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de overeengekomen en bij beschikking van de rechtbank Almelo van 6 september 2006 vastgestelde bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te beëindigen dan wel op nihil te stellen met ingang van 15 augustus 2013, dan wel met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, dan wel op een zodanig bedrag te bepalen als de rechtbank juist acht. Voorts verzoekt de man de rechtbank te verklaren voor recht dat de vrouw de wettelijke indexering over de periode vanaf 1 januari 2007 niet kan innen.


De man stelt primair dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en geen behoefte meer heeft aan een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud. Volgens de man bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw afgerond
€ 2.885,- netto per maand. Subsidiair stelt de man dat partijen na het sluiten van voormelde overeenkomst in onderling overleg een alimentatie van € 700,- per maand zijn overeengekomen. De zoon van partijen heeft namens de vrouw daarmee ingestemd. Voorts is de lijfrente bij Reaal komen te vervallen en is de man op 12 december 2012 in het huwelijk getreden met mevrouw [X]. Hierdoor heeft hij niet langer de draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De man is voorts van mening dat de draagkracht van partijen dient te worden vergeleken. De man stelt ook dat partijen zijn overeengekomen dat de wettelijke indexering is uitgesloten dan wel dat sprake is van rechtsverwerking of (gedeeltelijke) verjaring voor wat betreft die indexering.

Het verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek af te wijzen. Zij stelt hiertoe primair dat in de overeenkomst van partijen van 15 augustus 2006 een beding van niet wijziging is opgenomen. Dit beding kan worden afgeleid uit de volgende zinsneden in de overeenkomst: "verdere verrekeningen vinden nu en in de toekomst niet meer plaats" en "alimentatie wordt definitief vastgesteld op € 750,- per maand". De man kan niet zo maar terugkomen op deze overeenkomst. De man had bij het sluiten van die overeenkomst er rekening mee kunnen houden dat zijn lijfrente zou eindigen en dat hij een nieuwe partner zou ontmoeten en met haar zou trouwen. De vrouw betwist de stelling van de man dat zij geen behoefte meer heeft. Haar omstandigheden zijn sinds de echtscheiding niet gewijzigd. Zij ontvangt nog steeds een AOW-uitkering en een aanvullend pensioen. Daarnaast heeft zij vermogen uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning. Haar behoefte is onveranderd gebleven. Zij stelt voorts dat de overeengekomen alimentatie ten onrechte nooit is geïndexeerd. De vrouw heeft geen afstand gedaan van de wettelijke indexering.

Zij betwist dat partijen na het sluiten van voormelde overeenkomst nader zijn overeengekomen dat de man € 700,- per maand zou bijdragen in haar kosten van levensonderhoud. De man heeft de alimentatie eenzijdig verlaagd. De vrouw is begin 2012 getroffen door een herseninfarct. Zij is daarvan niet volledig hersteld. De man heeft in die periode de betalingen helemaal gestopt. De vrouw heeft in augustus 2012 een deurwaarder ingeschakeld om de achterstallige alimentatie en de wettelijke indexering te innen. Door ziekte was zij daartoe niet eerder in staat. De vrouw betwist de stelling van de man dat de draagkracht van partijen dient te worden vergeleken. Ten tijde van de echtscheiding is hun draagkracht ook niet vergeleken.

De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

Volgens het eerste lid van artikel 1:159 Burgerlijk Wetboek (BW) kan bij een alimentatieovereenkomst worden bedongen dat zij niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een dergelijk beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt.

Kern van het geschil is de vraag of partijen in de op 15 augustus 2006 gesloten vaststellingsovereenkomst een dergelijk beding zijn overeengekomen.

De rechtbank stelt hierbij voorop dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel dient te worden beantwoord op basis van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst; bij de beantwoording van deze vraag komt het steeds aan – overeenkomstig de artikelen 3:33 en 3:35 BW – op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex HR 13 maart 1981 NJ 1981/635).

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de tekst van artikel 4 van de overeenkomst en de toelichting die partijen daarop in de stukken en ter zitting hebben gegeven, de uitleg die de man aan de overeenkomst geeft meer in lijn is met de bedoeling die partijen voor ogen moeten hebben gehad. De man heeft hierover verklaard dat partijen destijds eerst voorlopige afspraken hadden gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie. Beide partijen werden toen bijgestaan door hun advocaat. Partijen zijn daarna in onderling overleg een definitieve bijdrage overeengekomen. Deze stelling acht de rechtbank aannemelijker dan de stelling van de vrouw dat partijen met "definitief" hebben beoogd dat de bijdrage niet zou kunnen worden gewijzigd op grond van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW.

De zinsnede in artikel 3 van de overeenkomst dat verdere verrekeningen nu en in de toekomst niet meer plaatsvinden heeft naar het oordeel van de rechtbank alleen betrekking op de in dit artikel vermelde betaling van een bedrag van € 25.000,- ineens van de man aan de vrouw in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en niet op de in artikel 4 overeengekomen partneralimentatie.

Omdat gebleken is dat de lijfrente die de man van Reaal ontving is geëindigd,
is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwd onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt. Dat voor partijen voorzienbaar was dat deze lijfrente zou eindigen doet aan dit oordeel niets af.

Dat een bepaalde wijziging van omstandigheden, zoals in deze zaak het wegvallen van de uitkering van Reaal, voorzienbaar is, betekent niet dat daarmee ook ten tijde van de oorspronkelijke overeenkomst van partijen rekening is gehouden. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen ten tijde van de vaststellingsovereenkomst rekening hebben gehouden met het wegvallen van de uitkering van Reaal.

De man kan worden ontvangen in zijn verzoek.

Ten aanzien van de behoefte en het netto besteedbare inkomen van de vrouw

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de vrouw nog steeds behoefte heeft aan een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en dat voor wat betreft die behoefte kan worden uitgegaan van een huwelijksgerelateerde behoefte van € 2.885,- netto per maand.

Blijkens de jaaropgaven 2013 geniet de vrouw een AOW van € 13.781,- bruto per jaar en een pensioenuitkering van € 6.176,- bruto per jaar. Daarnaast beschikt de vrouw ook over een inkomen uit sparen en beleggen. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt van een vermogen van € 93.169,- in 2013. De rechtbank heeft, net als hierna bij de man, rekening gehouden met een rendement van 3% over dit vermogen, zijnde € 2.795,- bruto per jaar.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing, de inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijk bijdrage ZVW. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting, de (aanvullende) ouderenkorting en een persoonsgebonden aftrek voor specifieke zorgkosten.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 1.709,- per maand. Dit betekent dat de vrouw op basis van voormelde huwelijksgerelateerde behoefte een aanvullende behoefte heeft van € 1.176,- netto per maand.

Ten aanzien van de draagkracht van de man

Blijkens de jaaropgaven 2012 geniet de man een AOW van € 11.720,- bruto per jaar en een pensioenuitkering van € 11.483,- bruto per jaar. Daarnaast beschikt de man over een inkomen uit sparen en beleggen van in totaal € 12.414,- bruto per jaar. De rechtbank is voor wat betreft het vermogen van de man en het inkomen dat hij hieruit geniet, uitgegaan van de door de man overgelegde en door de vrouw op dit onderdeel niet weersproken draagkrachtberekening. De man heeft in zijn berekening rekening gehouden met een rendement van 3% over zijn vermogen.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de verschuldigde premieheffing, de inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de ouderenkorting.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 2.303,- per maand.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de navolgende lasten (alles op maandbasis):

  • -

    de helft van de servicekosten van in totaal € 130,-, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur ad € 219,-;

  • -

    de helft van het forfait overige eigenaarslasten van in totaal € 95,-;

  • -

    de premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering) ad € 120,- per maand, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW ad € 35,-;

  • -

    het verplicht eigen risico ad € 30,-.

De rechtbank heeft geen rekening gehouden met het inkomen van de echtgenote van de man, de bijstandsnorm voor een alleenstaande gehanteerd en een draagkrachtpercentage van 60 gehanteerd. De echtgenote van de man ontvangt een AOW-uitkering en een aanvullend pensioen. De rechtbank is van oordeel dat zij daarmee in haar eigen levensonderhoud dient te voorzien en dat zij de helft van de servicekosten en het forfait overige eigenaarslasten voor haar rekening dient te nemen.

De man heeft een draagkrachtruimte van € 1.368,- per maand en een netto draagkracht van
€ 821,- per maand. Gebruteerd volgens de methode Buijs heeft de man draagkracht voor partneralimentatie van € 1.033,- per maand.

Ten aanzien van de jusvergelijking

Omdat de man stelt dat de vrouw bij toekenning van voormelde bijdrage aan partneralimentatie meer vrij te besteden overhoudt dan hij, ziet de rechtbank aanleiding een jusvergelijking te maken. Dat partijen volgens de vrouw tijdens het sluiten van de vaststellingsovereenkomst geen draagkrachtvergelijking hebben gemaakt, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

Zoals hiervoor onder de behoefte van de vrouw is overwogen bedraagt het huidig besteedbaar inkomen van de vrouw € 1.709,- netto per maand.

Bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en met de navolgende, door de man niet weersproken, lasten (alles op maandbasis):

  • -

    de servicekosten van in totaal € 130,-, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur ad € 219,-;

  • -

    het forfait overige eigenaarslasten van in totaal € 95,-;

  • -

    de premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering) ad € 136,- per maand, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW ad € 35,-;

  • -

    het verplicht eigen risico ad € 30,-.

Rekening houdend met voormeld netto besteedbaar inkomen en voormelde lasten, heeft de vrouw een draagkrachtruimte van € 646,- per maand en een draagkracht van € 388,- per maand.

Uit de berekening blijkt dat de vrouw bij de destijds overeengekomen alimentatie meer vrij te besteden ruimte overhoudt dan de man. Bij een door de man aan de vrouw te betalen alimentatie van € 484,- bruto per maand heeft de man een vrije ruimte van € 991,- per maand en de vrouw een vrije ruimte van € 990,- per maand. De rechtbank zal de alimentatie daarom vaststellen op een bijdrage van € 484,- per maand.

Ten aanzien van de ingangsdatum

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechtbank hanteert als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage 15 augustus 2013, nu de uitkering van Reaal met ingang van die datum is geëindigd en de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen die ingangsdatum.

Ten aanzien van de indexering

Partijen wensen een beslissing van de rechtbank over het geschil dat hen verdeeld houdt voor wat betreft de wettelijke indexering. De man stelt dat partijen zijn overeengekomen dat de wettelijke indexering is uitgesloten. De vrouw betwist die stelling van de man.

De rechtbank is van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat partijen ten tijde van de echtscheiding dan wel nadien zijn overeengekomen dat de wettelijke indexering is uitgesloten. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dit niet. Uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de man in 2007 telkens een bedrag van € 763,50 per maand heeft overgemaakt en in 2008 telkens een bedrag van € 780,30 per maand. De man heeft hiermee in 2007 en 2008 de overeengekomen alimentatie inclusief de wettelijke indexering voldaan.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat partijen in 2009 nader mondeling zijn overeengekomen dat de wettelijke indexering alsnog zou worden uitgesloten, omdat de man aan de vrouw een renteloze lening van € 120.000,- heeft verstrekt. De vrouw heeft hierover verklaard dat de man die lening al in februari 2005 aan haar heeft verstrekt. Zij betwist dat zij mondeling met de man is overeengekomen dat de wettelijke indexering alsnog zou worden uitgesloten.

De rechtbank acht de door de man overgelegde schriftelijke verklaringen van de zoon van de vrouw, de heer [Y], voor de beantwoording van de vraag of partijen de wettelijke indexering hebben uitgesloten niet relevant. In die verklaringen verklaart de zoon dat de vrouw ermee akkoord is gegaan dat de alimentatie zou worden verlaagd naar € 700,- per maand. In die verklaringen staat echter niets vermeld over nadere afspraken tussen partijen over het uitsluiten van de wettelijke indexering. Bovendien zijn die verklaringen niet van de vrouw zelf afkomstig. Indien op basis van die verklaringen zou moeten worden geconcludeerd dat de vrouw inderdaad akkoord is gegaan met een verlaging van de alimentatie, dan impliceert dat niet dat de vrouw daarmee ook afstand heeft gedaan van haar rechten voor wat betreft de wettelijke indexering.

Van rechtsverwerking is de rechtbank niet gebleken. Er moeten hoge eisen worden gesteld aan de stellingen waarop het beroep op rechtsverwerking is gegrond. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is volgens vaste jurisprudentie vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.

Over de gestelde verjaring overweegt de rechtbank het volgende. De verjaring van rechtsvorderingen van uit dezelfde rechtsbetrekking voortvloeiende verplichtingen van de schuldenaar tot voldoening van periodieke vorderingen zoals alimentaties, is geregeld in artikel 3:308 BW. Volgens dit artikel verjaart een dergelijke vordering door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De man heeft de wettelijke indexering niet meer voldaan sinds januari 2009. Van een eventuele verjaring kan dan ook niet eerder sprake zijn dan met ingang van januari 2014.

Op grond van het bepaalde in artikel 3:317 lid 1 wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Uit een schriftelijke verklaring van deurwaarderskantoor Groothuis Ligtermoet & Nijhuis blijkt dat de deurwaarder de man in augustus 2012 heeft aangeschreven om aan zijn verplichting tot betaling van de alimentatie en de indexering te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank is door die executiemaatregelen de verjaring gestuit.

Het verzoek van de man met betrekking tot de wettelijke indexering zal de rechtbank daarom afwijzen.

Ten aanzien van de proceskosten

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

De beslissing

De rechtbank:

1.

Wijzigt de bij vaststellingsovereenkomst van 15 augustus 2006 overeengekomen en bij beschikking van de rechtbank Almelo van 6 september 2006 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud en stelt die bijdrage met ingang van 15 augustus 2013 op € 484,- (vierhonderdenvierentachtig euro) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.

Verklaart onderdeel 1 uitvoerbaar bij voorraad.

3.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Keuzenkamp, in tegenwoordigheid van
G.M. Keupink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2014.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.