Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3273

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
C/08/139245 / FA RK 13-1041
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het zelfstandig verzoek van de man om de eerder vastgestelde KAL te wijzigen. Volgens artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft de man informatie die van belang is voor de beoordeling van het verzoek van de vrouw en voor het door hem zelf gedane verzoek achtergehouden. De sanctie die daar op past is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval dat het zelfstandig verzoek van de man behoort te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/195

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/139245 / FA RK 13-1041 (HA)

Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 3 februari 2014, in de zaak van:

[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoekster,

advocaat: mr. L.V.S. Cassese,

tegen

[belanghebbende],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. J. Hofstede.

Het procesverloop

Op 4 december 2013 heeft deze rechtbank een tussenbeschikking gegeven.

Nadien heeft de rechtbank kennis genomen van de inhoud van:

  • -

    de op 18 december 2013 ontvangen aanvullende stukken van de man, met begeleidende brief;

  • -

    de op 30 december 2013 ontvangen reactie van de vrouw op de stukken van de man, met bijlagen.

De beoordeling

Al hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 4 december 2013 dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Er is een tussenbeschikking gegeven, in plaats van een eindbeschikking, omdat de rechtbank en de vrouw eerst na de zitting werden geconfronteerd met het gegeven dat uit de door de man overgelegde belastingaanslag 2012 bleek dat hij, naast zijn winst uit onderneming, een bedrag van € 15.112,= aan inkomsten heeft genoten. In de procedure heeft de man niets over dit inkomen gesteld maar zich uitsluitend op het standpunt gesteld dat bij het vaststellen van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van zijn inkomen als zzp-er en dat rekening moet worden gehouden met een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering die hij als zelfstandige moet betalen. De rechtbank heeft daarom bij tussenbeschikking de man alsnog in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te geven over het in de aanslag 2012 vermelde bedrag ad

€ 15.112,= en de vrouw in de gelegenheid gesteld om desgewenst een reactie op die informatie te geven.

Eerst in zijn op 18 december 2013 ontvangen reactie stelt de man dat hij sinds 8 juni 2012 100% arbeidsongeschikt is en derhalve sindsdien van ASR Schadeverzekering een uitkering wegens ziekte/arbeidsongeschiktheid ontvangt en dat hij sindsdien zijn werkzaamheden als zzp-er niet meer uitvoert. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat hetgeen de man in die reactie stelt niet in overeenstemming is met hetgeen hij voorafgaande, tijdens en na de mondelinge behandeling over zijn inkomen heeft gesteld en waarvan hij heeft verzocht uit te gaan.

Volgens artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft de man informatie die van belang is voor de beoordeling van het verzoek van de vrouw en voor het door hem zelf gedane verzoek achtergehouden. De sanctie die daar op past is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval dat het zelfstandig verzoek van de man behoort te worden afgewezen.

De rechtbank gaat bij het vaststellen van het NBI van de man uit van een gemiddelde arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 2.589,= bruto per maand, nu dit uit de door hem overgelegde stukken blijkt, oftewel € 31.068,= per jaar.

In de beschikking van 4 december 2013 heeft de rechtbank reeds overwogen en beslist dat (voorts) moet worden gerekend met een belastbare winst van € 24.472,=. De rechtbank zal dit bedrag thans bijstellen tot € 23.916, omdat de tabellen en tarieven 2014, waarmee de rechtbank thans rekent, een MKB-vrijstelling geeft van € 3.893,=. De rechtbank houdt rekening met de voor de man in aanmerking te nemen inkomensheffing en heffingskortingen. De rechtbank rekent met een NBI van de man ten behoeve van kinderalimentatie € 46.419,= per jaar, oftewel € 3.868,= per maand.

Het precieze bedrag aan draagkracht van de man stelt de rechtbank vast aan de hand van de volgende formule: 70 % x {€ 3.868,= - (0,3 x € 3.868,=) + € 860,=)} is € 1.293,= per maand.

Met deze draagkracht acht de rechtbank de man ruimschoots in staat om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zoals deze is vastgesteld in de beschikking van 4 december 2013, ad

€ 180,= per kind per maand te voorzien. De rechtbank acht deze bijdrage in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, zodat als na te melden wordt beslist.

De beslissing

De rechtbank:

1.

Wijzigt de overeenkomst van partijen van 31 augustus 2007 in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 6 juni 2013 wordt vastgesteld op een bedrag van
€ 180,= (éénhonderdtachtig euro) per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.

Wijzigt de overeenkomst van partijen van 31 augustus 2007 in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [minderjarige 3] met ingang van 2 september 2012 wordt vastgesteld op nihil.

3.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

4.

Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.V.A. Groener, in tegenwoordigheid van H.E. Abbink als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2014.