Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3237

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
C/08/156873 / KG RK 14-1754
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Bejegening ter zitting. Afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: C/08/156873 / KG RK 14-1754

Beslissing van 12 juni 2014

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaats],

verzoeker tot wraking,

advocaat mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn.

1 De procedure

1.1.

Op 26 mei 2014 heeft mr. Wekking het verzoek tot wraking gedaan van mr. Canté, kantonrechter in deze rechtbank (hierna: de kantonrechter) en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak in kort geding tussen [A] (hierna: [A]) en [verzoeker]. Die zaak is geregistreerd onder 3038574 VV EXPL 14-64 (hierna: de hoofdzaak).

1.2.

De kantonrechter heeft niet berust in de wraking. Hij heeft op 27 mei 2014 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.

1.3.

Het wrakingsverzoek is op 5 juni 2014 in het openbaar behandeld.

Bij de mondelinge behandeling zijn [verzoeker] en mr. Wekking verschenen. De kantonrechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen. Tevens is de advocaat van [A], mr. M.T. Derks-Halman, bij de zitting aanwezig geweest.

2 De feiten

2.1.

Bij dagvaarding van 13 mei 2014 is [verzoeker] door [A] in de hoofdzaak gedagvaard in kort geding om ter zitting van 22 mei 2014 te verschijnen. [verzoeker] en [A] zijn ex-partners. [A] heeft vorderingen ingediend ten aanzien van de gemeenschappelijke woning in Rouveen van [A] en [verzoeker] (hierna: de woning). Deze vorderingen houden in, samengevat, dat [A] het gebruik en genot van de woning krijgt en dat [verzoeker] de woning dient te ontruimen en de helft van de eigenaarslasten voor zijn rekening zal nemen.

2.2.

[verzoeker] heeft ter zitting, vooraf aangekondigde, vorderingen in reconventie ingesteld, inhoudende dat hij gerechtigd zal zijn de woning te gebruiken en dat [A] deze dient te ontruimen en de helft van de eigenaarslasten voor haar rekening zal nemen. Ook heeft hij een viertal vorderingen in voorwaardelijke reconventie ingesteld.

2.3.

De zitting in de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 22 mei 2014, waarna vonnis is bepaald op een week.

3. Het wrakingsverzoek en de reactie daarop

3.1.

Mr. Wekking heeft namens [verzoeker] – samengevat – aangevoerd dat bij [verzoeker] tijdens de behandeling van het kort geding de gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat de kantonrechter reeds in een zeer vroeg stadium van de behandeling er een persoonlijke overtuiging op na hield uit hoofde waarvan hij bevooroordeeld is jegens [verzoeker]. Er is sprake van subjectieve partijdigheid. Dat kan worden afgeleid uit de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling doordat de kantonrechter mr. Wekking heeft onderbroken tijdens de bespreking van (de betwisting van) het spoedeisend belang van de vorderingen van [A] met de retorische vraag: “Mijnheer, hoe kunt u denken dat u het uitsluitend gebruik van de woning kunt krijgen?”, althans woorden van een dergelijke strekking. In deze vraag ligt het (vooringenomen) standpunt van de kantonrechter besloten.

De vrees van [verzoeker] voor subjectieve partijdigheid van de kantonrechter is eveneens objectief gerechtvaardigd, aangezien de kantonrechter geen enkele moeite deed om de schijn van partijdigheid te vermijden. Hij maakte op [verzoeker] een ongeïnteresseerde indruk en hij gaf blijkens zijn gezichtsuitdrukking ondubbelzinnig te kennen geen begrip te hebben voor de vorderingen in reconventie van [verzoeker]. Verder maakte hij verbaal en non-verbaal “gehakt” van het standpunt van [verzoeker], aldus [verzoeker].

3.2.

De kantonrechter heeft niet berust in de wraking. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen aanleiding heeft gegeven voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. Hij heeft daarbij aangevoerd dat het correct is dat hij mr. Wekking heeft onderbroken naar aanleiding van haar stelling dat de vordering van [A] in conventie niet voldoende spoedeisend was. Hij heeft toen opgemerkt dat dat standpunt weinig overtuigend overkwam gezien het feit dat haar cliënt een zelfde vordering in reconventie had ingesteld. Hij heeft daarbij opgemerkt dat het zijn gewoonte is om niet eerst de raadslieden hun volledige betoog te laten houden omdat het, zeker bij lange betogen zoals in dit geval, efficiënt is om een relevante stelling te bespreken op het moment dat die stelling te berde wordt gebracht. Met betrekking tot de beleving van de zitting door [verzoeker] en mr. Wekking is er naar mening van de kantonrechter geen sprake van harde feiten waaruit blijkt dat hij een objectief bezien ongewenste beleving zou hebben uitgelokt.

4 De beoordeling

4.1.

Gezien het feit dat het verzoek tot wraking twee werkdagen na de zitting van 22 mei 2014 en tijdig voor de aangekondigde uitspraak van een week later is ingediend, heeft verzoeker het wrakingsverzoek tijdig gedaan. Verzoeker is dan ook ontvankelijk in het wrakingsverzoek.

4.2.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.3.

De door [verzoeker] aangevoerde wrakingsgrond betreft de bejegening ter zitting van verzoeker door de kantonrechter. Deze bejegening is ter zitting van de wrakingskamer toegelicht door zowel [verzoeker] en mr. Wekking als door mr. Derks-Halman. Beide advocaten hebben toen gezegd dat zij bij de kantonrechter ter terechtzitting van 22 mei 2014 enige irritatie hebben waargenomen. Mr. Derks-Halman stond echter een andere genuanceerde versie van die zitting voor ogen dan mr. Wekking en haar cliënt.

4.4.

De rechtbank kan, gehoord de door [verzoeker] en door beide advocaten gegeven toelichtingen op het zittingsverloop van 22 mei 2014, niet vaststellen dat de kantonrechter daarbij de grenzen van het betamelijke heeft overschreden, en ook niet dat de kantonrechter daardoor heeft aangegeven wat de uitkomst van de procedure zou zijn.

4.5.

Met name is niet gebleken dat de kantonrechter ter zitting een persoonlijke overtuiging tot uitdrukking heeft gebracht waaruit viel af te leiden dat hij bevooroordeeld was jegens [verzoeker]. Dat de kantonrechter mr. Wekking tijdens het voordragen van haar pleitnota heeft onderbroken om een kritische vraag te stellen, was alleszins verklaarbaar en redelijk. Immers, de kantonrechter heeft toen aangegeven dat hij de betwisting namens [verzoeker] van het door [A] gestelde spoedeisend belang niet begreep in het licht van de door [verzoeker] ingestelde identieke – maar dan in spiegelbeeld – vordering in reconventie, waaraan ook [verzoeker] een spoedeisend belang ten grondslag legde.

4.6.

De discussie die vervolgens ontstond was, zo begrijpt de rechtbank, volgens [verzoeker] en mr. Wekking confronterend van toon. Dat is echter niet ontoelaatbaar en levert nog geen blijk van vooringenomenheid op. De rechtbank merkt nog op dat mr. Wekking normaal de gelegenheid heeft gehad om haar pleitnota volledig voor te dragen.

4.7.

De conclusie is dan ook dat uit de voren omschreven bejegening niet kan worden afgeleid dat sprake is van zwaarwegende aanwijzingen dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat er geen grond is voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De rechtbank zal het verzoek tot wraking daarom afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.K.F. Hangelbroek, mr. W.J.B. Cornelissen en mr. G.A. Versteeg, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.W. de Boer, en in het openbaar uitgesproken door mr. W.J.B. Cornelissen op 12 juni 2014.1

1 Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.