Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3139

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
3000685 CV EXPL 14-2247
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Medewerker eist dat ze weer terug aan het werk mag, dat zij gerehabiliteert wordt en dat het verschuldigde salaris wordt voldaan. Kantonrechter wijst de vorderingen af. De op non-actiefstelling was naar het oordeel van de kantonrechter in de onderhavige zaak niet een te zwaar middel. De werkgever heeft op redelijke gronden naar aanleiding van de signalen die zij had ontvangen eiseres op non-actief gesteld en een onderzoek ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/403
AR-Updates.nl 2014-0524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer : 3000685 CV EXPL 14-2247

Uitspraak : 11 juni 2014 (jhd(o)

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. L. van de Vrugt, advocaat te Amsterdam

tegen

de stichting Stichting Aveleijn

gevestigd en kantoorhoudende te Borne

gedaagde partij

hierna te noemen: Aveleijn

gemachtigde: mr. J.E. Middelveld, advocaat te Enschede.

De procedure:

1. [eiseres] heeft gesteld en gevorderd als staat vermeld in de dagvaarding van 24 april 2014.

2. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 28 mei 2014.

[eiseres] heeft haar standpunt doen toelichten door haar gemachtigde, die zich daarbij heeft bediend van een pleitnota. Aveleijn heeft haar verweer doen toelichten door haar gemachtigde, die zich daarbij eveneens heeft bediend van een pleitnota.

3. Het vonnis is bepaald op heden.

het geschil in kort geding:

1 De vaststaande feiten:

Bij de beoordeling van dit geschil wordt uitgegaan van de navolgende feiten. Deze worden als vaststaand beschouwd omdat zij door een van partijen zijn gesteld en door de andere partij onvoldoende of niet zijn betwist of zijn erkend.

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1989, is per 1 november 2010 in dienst getreden bij Aveleijn, in de functie van assistent begeleider. Haar dienstverband bedraagt minimaal 14,4 en maximaal 18 uren per week. Het fulltime basissalaris bedraagt € 1.894,00 bruto per maand op basis van een 36-urige werkweek.

2 De vordering in kort geding:

[eiseres] vordert Aveleijn te veroordelen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I om [eiseres] weer in de gelegenheid te stellen om haar functie als assistent begeleider bij [naam groep], op de overigens gebruikelijke tijdstippen en voorwaarden te verrichten, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Aveleijn daarmee in gebreke blijft;

II Aveleijn te gelasten om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis een rehabilitatieverklaring op te hangen zichtbaar voor het gehele cluster [cluster];

III om aan [eiseres] te betalen het aan [eiseres] uit hoofde van haar functie van assistent begeleider verschuldigde salaris met bijbehorende emolumenten, te berekenen over het gemiddelde aantal uren dat [eiseres] voorafgaand aan haar non-actiefstelling heeft gewerkt, zulks vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente te berekenen vanaf de dag waarop de betreffende bedragen verschuldigd zijn tot op de dag dat zij volledig zijn voldaan;

IV tot betaling van de kosten van deze procedure.

[eiseres] stelt daartoe, kort samengevat, dat Aveleijn haar ten onrechte op 25 maart 2014 op non-actief heeft gesteld. [eiseres] betwist dat haar functioneren niet professioneel was, in het bijzonder ten opzichte van bewoner [naam 1]. De op non-actief stelling is onnodig diffamerend voor [eiseres]. Aveleijn heeft niet het Protocol gevolgd, bijvoorbeeld is [eiseres] er niet op gewezen dat zij een vertrouwenspersoon kan inschakelen. Bovendien mag ingevolge artikel 2.7 van de CAO een non-actiefstelling niet langer duren dan drie weken.

[eiseres] voert verder aan dat [naam 1] nimmer bij haar thuis is geweest. Op vrijdag 9 mei 2014 heeft [eiseres] op het station Hengelo niet [naam 1] opgehaald maar haar nicht. Ter onderbouwing van deze stelling overlegt [eiseres] een verklaring van haar nicht. [eiseres] woont met haar broer en hij zou mannelijk bezoek niet accepteren. Wel heeft [eiseres] in de deuropening van de kamer van [naam 1] gestaan maar zij is niet binnen geweest en dit was naar aanleiding van hulpvragen van [naam 1], bijvoorbeeld vroeg hij [eiseres] hem te helpen met internet. Aveleijn legt ongefundeerde verbanden bijvoorbeeld tussen de aankoop van kleding door [naam 1] en het draaien van Turkse muziek door [naam 1] en [eiseres]. Een goed werkgever dient niet te handelen uitsluitend op basis van vermoedens.

3 Het verweer:

Aveleijn heeft de vordering weersproken en daartoe het navolgende aangevoerd. Er is sprake van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie. Aveleijn achtte het niet wenselijk dat [eiseres] nog langer bleef werken en heeft haar daarom vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.

Aveleijn heeft signalen ontvangen terzake niet professioneel handelen van [eiseres]. Aveleijn heeft op basis van die signalen onderzoek ingesteld uitgaande van het Protocol dat zorgvuldig is gevolgd. Ook is [eiseres] gewezen op de mogelijkheid om een vertrouwenspersoon in te schakelen. In het belang van [naam 1] is hij in het weekend gevolgd. Harde bewijzen ontbreken maar Aveleijn diende op basis van de vermoedens te handelen. Hierbij had Aveleijn het belang van [naam 1] voor ogen maar ook het belang van [eiseres]. [eiseres] kon gaan werken op een andere locatie maar zij koos echter voor een confrontatie. Hierdoor is het vertrouwen van Aveleijn in [eiseres] verder afgenomen.

4 Beoordeling door de kantonrechter:

4.1

De kantonrechter overweegt dat het spoedeisend belang van [eiseres] voldoende aannemelijk is. [eiseres] is immers vanaf 25 maart 2014 niet toegelaten tot haar arbeid, meer in het bijzonder heeft [eiseres] aangevoerd dat zij de op non-actief stelling als diffamerend heeft ervaren.

4.2

De kantonrechter dient te beoordelen of de vordering van [eiseres] een zodanige kans van slagen heeft in een eventuele bodemprocedure dat de toewijzing daarvan als voorlopige voorziening is gerechtvaardigd.

4.3

De rechtmatigheid van de non-actief stelling van [eiseres] dient te worden getoetst aan de beginselen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.4

Aveleijn heeft als grond voor de op non-actief stelling aangevoerd dat [eiseres] niet goed functioneert, in het bijzonder stelt Aveleijn dat [eiseres] niet steeds een professionele afstand heeft bewaard, met name met betrekking tot de contacten met cliënt/bewoner [naam 1]. Bij bewoner [naam 1] zijn gedragsveranderingen waargenomen, bijvoorbeeld is hij meer gesloten geworden. Na de op non-actiefstelling is gerapporteerd dat hij meer ontspannen is.

4.5

De kantonrechter is van oordeel dat in de onderhavige procedure niet met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat [eiseres] in een eventueel te voeren bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld.

4.6

Weliswaar wordt door partijen aangegeven dat het gaat om vermoedens en niet om harde bewijzen van onprofessioneel handelen maar Aveleijn had te maken met serieus te nemen signalen en was gehouden om op basis daarvan te handelen. Aannemelijk daarbij is dat Aveleijn daarbij zowel het belang van [naam 1] als van [eiseres] voor ogen heeft gehad. De kantonrechter is daarbij voorshands van oordeel dat het protocol grotendeels correct is gevolgd. Het Meldteam en het Adviesteam zijn ingeschakeld. [eiseres] is gehoord en aangezien geen strafvervolging is ingesteld is ook de op non-actief stelling opgeheven. Ook heeft Aveleijn overplaatsing van de medewerker voorgesteld. Niet valt vast te stellen of [eiseres] gewezen is op de mogelijkheid om een vertrouwenspersoon in te schakelen. De lezingen van partijen staan haaks op elkaar en in de onderhavige zaak valt niet vast te stellen welke versie juist is.

4.7

In dit verband overweegt de kantonrechter dat [eiseres] niet terzake alle signalen een afdoende verklaring heeft kunnen geven die iedere twijfel wegneemt. Bijvoorbeeld heeft een collega verklaard dat hij een Turks-ogende mevrouw en [naam 1] ongeveer tegelijk heeft gezien op station Hengelo en dat zij in dezelfde auto zaten, heeft [naam 2], gedragswetenschapper, ter zitting verklaard dat sedert de op non-actiefstelling van [eiseres] bij [naam 1] gedragsveranderingen zijn waargenomen en heeft een collega verklaard dat zij [eiseres] in de nachtelijke uren, van ongeveer 23.30 uur tot 01.00 uur, in de kamer van [naam 1] op de bank heeft zien zitten. In de onderhavige zaak staan de lezingen van Aveleijn en [eiseres] op onderdelen haaks op elkaar. Deels gaat het om een welles-nietes verhaal. Bijvoorbeeld valt in deze procedure niet vast te stellen of [eiseres] in haar auto [naam 1] of een nicht als medepassagier had. De onderhavige procedure leent zich echter niet voor een uitgebreide bewijslevering.

4.8

De kantonrechter is van oordeel dat de door Aveleijn aangevoerde gronden zwaarder dienen te wegen dan de door [eiseres] aangevoerde gronden voor opheffing van de op non-actief stelling en wedertewerkstelling. Het gaat bij de bewoners van [cluster] om kwetsbare personen en er is sprake van een behandel- begeleidingssituatie. In een dergelijk geval dient het zekere voor het onzekere te worden genomen hoewel niet met zekerheid valt te zeggen wat zich precies heeft voorgedaan.

4.9

De kantonrechter zal de door [eiseres] gevorderde toelating tot haar arbeid als assistent begeleider op de locatie [cluster] daarom afwijzen. De op non-actiefstelling was naar het oordeel van de kantonrechter in de onderhavige zaak niet een te zwaar middel. Aveleijn heeft op redelijke gronden naar aanleiding van de signalen die zij had ontvangen [eiseres] op non-actief gesteld en een onderzoek ingesteld.

4.10

De door [eiseres] gevorderde rehabilitatieverklaring zal worden afgewezen. Zoals hiervoor reeds is overwogen kan de ware toedracht in de onderhavige procedure niet worden vastgesteld. Derhalve leent deze procedure zich niet voor de beoordeling van de vraag of [eiseres] met succes in rechte aanspraak kan maken op een rehabilitatieverklaring.

4.11

[eiseres] dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden in de proceskosten.

De beslissing in kort geding

Wijst de vordering van [eiseres] af.

Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Aveleijn tot op heden begroot op € 400,00.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G. van Eerden, kantonrechter, en op 11 juni 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.