Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:3006

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
C-08-155384 - KG ZA 14-166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil – uitleg dictum eerder kort geding vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/155384 / KG ZA 14-166

datum vonnis: 28 mei 2014

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Heisterkamp Transport Vastgoed B.V.,

gevestigd te Oldenzaal,

eiseres,

verder te noemen Heisterkamp,

advocaat: mr. W. van de Wetering te Enschede,

tegen

1 [gedaagde],

gevestigd te [plaats],

verder te noemen [gedaagde],

2. de besloten vennootschap East Estate B.V.,

3. de besloten vennootschap Fresh Vastgoed B.V.,

4. de besloten vennootschap ACL Verzekeringen B.V.,

5. de besloten vennootschap Finatis B.V.,

6. de besloten vennootschap Mandatis B.V.,

7. de besloten vennootschap Solid Vastgoed B.V.,

8. de besloten vennootschap Synvast B.V.,

allen gevestigd te Oldenzaal,

eisers,

verder te noemen gedaagden sub 2. tot en met 8.,

verder gezamenlijk te noemen [gedaagde] c.s.,

advocaat: mr. C.P.B. Kroep te Enschede.

1 De procedure

In conventie en in reconventie:

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, inclusief producties

- de bij brieven van 13 en 14 mei 2014 overgelegde aanvullende producties zijdens Heisterkamp

- de bij brieven van 12 en 13 mei 2014 overgelegde producties 1 tot en met 8 zijdens [gedaagde] c.s., alsmede de aankondiging van de eis in reconventie zoals deze ter zitting is ingediend

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Heisterkamp

- de pleitnota van [gedaagde] c.s.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

In conventie en in reconventie:

2.1.

In deze zaak staat het navolgende vast.

2.2.

Heisterkamp is eigenaar van het pompstation met buitenterrein. Met het buitenterrein worden de percelen met de nummers 3844, 3650, 3651 en 3652 - zoals op bovenstaande kaart weergegeven - bedoeld.

2.3.

[gedaagde] is eigenaar van het Kantoorgebouw. Op bovenstaande kaart is het betreffende kantoorgebouw met nummer 25 weergegeven.

2.4.

Op 31 mei 2011 heeft [W] het buitenterrein verkocht en vervolgens geleverd aan Heisterkamp. In de betreffende leveringsakte is onder andere het volgende opgenomen:

“1. Het terrein (zijde A1) dat gelegen is voor het kantoorgebouw van de Hakenberg Groep mag door koper (alsmede eventuele rechtsopvolgers) niet worden bebouwd en zal uitsluitend dienen voor de stalling van personen- en bestelauto’s.

2. De stalling van personen- en bestelauto’s op het onder punt 1 genoemde terrein dient op correcte wijze te geschieden, zodanig dat dit geen afbreuk doet aan de waarde en uitstraling van het kantoorgebouw.

3. (…)”

“KWALITATIEVE VERPLICHTING.

De comparanten, handelend als gemeld, verklaarden de sub 1 en 2 genoemde verplichting te vestigen als een kwalitatieve verplichting zoals bedoeld in artikel 6:252 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek en zullen derhalve van rechtswege overgaan op degene(n) die het registergoed onder bijzondere titel zal/zullen verkrijgen, waarbij tevens wordt bepaald dat mede gebonden zullen zijn degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik van het registergoed zullen verkrijgen.”

2.5.

Op 2 december 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Almelo, vonnis (hierna: ‘het vonnis’) gewezen in de procedure tussen partijen met zaaknummer

C/08/155384 / KG ZA 14-166, welk dictum – voor zover hier van belang – als volgt luidt:

“De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. legt aan Heisterkamp het verbod op om nieuwe verhogingen aan te brengen op het hierna te noemen terrein en/of om het hierna te noemen terrein te verhogen en/of om vrachtwagens of andere (grote) voertuigen of andere obstakels te stallen en/of te parkeren en/of te verhuren en/of te verkopen op het terrein gelegen tussen de autosnelweg A1 en het kantoorgebouw van [gedaagde], waarbij onder terrein ook uitdrukkelijk wordt begrepen het terrein waarover vanaf de A1 zicht mogelijk is op het kantoorgebouw van [gedaagde] en/of het zicht op het kantoorgebouw van [gedaagde] enigszins te belemmeren, anders dan door het stallen van personen- en bestelauto’s;

II. veroordeelt Heisterkamp om aan [gedaagde] een dwangsom van € 3000,-- te betalen voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat Heisterkamp handelt in strijd met het onder I. genoemde verbod, zulks tot een maximum van € 150.000,--;”

2.6.

Voornoemd vonnis is op 5 december 2013 door [gedaagde] aan Heisterkamp betekend.

2.7.

De advocaat van [gedaagde] heeft bij brief van 18 januari 2014 Heisterkamp bericht dat zij niet aan het dictum van het vonnis zou hebben voldaan en het verbod zou hebben overtreden, aangezien Heisterkamp had nagelaten om de solotrekkers ook op het gedeelte van het perceel 3652 naast het kantoorgebouw te verwijderen. Heisterkamp zou aldus de boete van € 3.000,- per dag hebben verbeurd tot het maximum van € 150.000,-.

2.8.

[gedaagde] heeft eveneens op 18 januari 2014 executoriaal beslag laten leggen op het kantoorgebouw, dat eigendom is van Heisterkamp en dat is gelegen aan de Hanzepoort 8 (sectie I nr. 3654) te Oldenzaal. Dat beslag is gelegd ter verzekering van de vordering van [gedaagde] ter zake van door Heisterkamp verbeurde dwangsommen.

3 Het geschil

In conventie:

Standpunt Heisterkamp

3.1.

Heisterkamp vordert - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair opheffing van het executoriale beslag, subsidiair voor zover Heisterkamp het dictum van het vonnis onjuist heeft geïnterpreteerd opheffing van het executoriale beslag, met bepaling van het gedeelte van het perceel I 3652, waarvoor het verbod in het dictum van het vonnis heeft te gelden en een datum vanaf welke het verbod dient te worden nageleefd, alsmede met bepaling dat door Heisterkamp op grond van het vonnis geen dwangsommen zijn verbeurd, althans een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter juist acht.

3.2.

Daartoe stelt Heisterkamp dat zij voor het wijzen van het vonnis reeds was overgegaan tot verwijdering van de vrachtwagens voor het kantoorgebouw. Na het vonnis heeft zij ook de vrachtwagens die gestald waren op perceel I 3652 verwijderd die het zicht op de voorzijde van het kantoorgebouw belemmerden. Gelet op de redactie van de kwalitatieve verplichting, de dagvaarding en de pleitnotities van de vorige kort geding procedure en het dictum mocht zij erop vertrouwen dat haar lezing en uitvoering juist was, meer in het bijzonder dat het gaat om het zicht op de voorzijde van het kantoorgebouw en niet - ook - de zijkant van het kantoorgebouw, welke lezing [gedaagde] als juist voorhoudt en op grond waarvan hij meent dat Heisterkamp thans dwangsommen is verbeurd. Gelet hierop dient het door [gedaagde] gelegde executoriale beslag te worden opgeheven.

3.3.

[gedaagde] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen.

In reconventie:

3.4.

[gedaagde] vordert - kort samengevat en uitvoerbaar bij voorraad - om bij vonnis Heisterkamp te veroordelen om het verbod als neergelegd in het vonnis van 2 december 2014 strikt na te leven op straffe van verbeurte van een dwangsom, althans een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter juist acht.

3.5.

[gedaagde] stelt daartoe dat de in het vonnis opgelegde dwangsom schijnbaar geen afdoende prikkel was voor Heisterkamp om het in dat vonnis opgelegde verbod na te leven, zodat een forsere dwangsom gerechtvaardigd is.

In conventie en in reconventie:

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie:

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat Heisterkamp een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de vorderingen ten aanzien van gedaagden sub 2. tot en met 8. dienen te worden afgewezen nu in de vorige kort geding procedure reeds is geoordeeld dat slechts [gedaagde] een beroep kon doen op de kwalitatieve verplichting als bedoeld in rechtsoverweging 2.4., zodat ook het dictum als bedoeld in rechtsoverweging 2.5. slechts betrekking heeft op Heisterkamp en [gedaagde]. Het is bovendien [gedaagde] die beslag heeft laten leggen onder Heisterkamp. Daarenboven geldt dat gedaagde sub 8. in de vorige procedure haar eis heeft ingetrokken omdat zij failliet is verklaard, zodat zij bij de vorige kort gedingprocedure al geen partij meer was.

4.3.

Het onderhavige kort geding betreft een executiegeschil. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of Heisterkamp heeft voldaan aan het verbod zoals aan haar is opgelegd bij vonnis van 2 december 2013 en zo nee, of [gedaagde] derhalve op juiste gronden is overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag nu Heisterkamp dwangsommen heeft verbeurd tot een maximum van € 150.000,- ten gevolge van het niet voldoen aan dat verbod.

4.4.

Heisterkamp heeft zich op het standpunt gesteld dat zij heeft voldaan aan het verbod zoals aan haar is opgelegd bij vonnis van 2 december 2013, nu zij zowel de vrachtwagens voor het kantoorgebouw van [gedaagde] op perceel 3650 heeft verwijderd, alsmede de vrachtwagens op perceel 3652 heeft verwijderd die het zicht op de voorzijde van het kantoorgebouw belemmerden. Zij heeft zich daarbij laten leiden door de tekst van het dictum, de tekst van de kwalitatieve verplichting, de dagvaarding van [gedaagde] c.s. en de pleitnotities van de advocaat van [gedaagde] c.s. in de vorige kort gedingprocedure, waarin telkens het zicht op de voorzijde van het kantoorgebouw en het perceel voor het kantoorgebouw wordt benoemd. Met geen woord is gerept over de stalling van vrachtwagens naast het kantoorgebouw, welke uitleg [gedaagde] nu in een keer voorstaat. [gedaagde] heeft het vonnis op 5 december 2013 laten betekenen en Heisterkamp een termijn gegeven van 2 dagen om hieraan te voldoen. Heisterkamp heeft tijdig hieraan voldaan en [gedaagde] benaderd met de vraag of [gedaagde] met de gewijzigde situatie kon instemmen. [gedaagde] heeft vervolgens op of omstreeks 20 december 2013 telefonisch laten weten dat hij er nog niet aan toe was gekomen om de situatie te bekijken en dat hij er zo spoedig mogelijk op terug zou komen. Vervolgens heeft Heisterkamp bij brief van 16 januari 2014 bij monde van zijn advocaat van [gedaagde] moeten vernemen dat hij thans de uitleg voorstaat dat ook het zicht op de zijkant van het pand niet mag worden belemmerd en dat Heisterkamp aldus niet heeft voldaan aan het dictum van het vonnis en dwangsommen verbeurd zou zijn. Heisterkamp heeft voorts gesteld dat er een procedure bij de Raad van State aanhangig was betreffende het bestemmingsplan ‘Hanzepoort’ waar de percelen van partijen onder vallen, waarbij de Raad van State op 5 februari 2014 uitspraak heeft gedaan en geoordeeld dat ‘Hanzepoort’ een transportcentrum is waar eigenlijk alleen transportbedrijven thuishoren en geen kantoorgebouwen. Het feit dat er vrachtwagens naast het kantoorgebouw zijn gestald is derhalve niet vreemd en doet ook geen afbreuk aan het kantoorgebouw.

4.5.

[gedaagde] heeft daarentegen betoogd dat de redactie van het dictum volkomen helder is, het gaat om het zicht op het kantoorgebouw in het algemeen en is niet alleen beperkt tot de voorzijde van het kantoorgebouw, zodat ook de vrachtwagens die thans nog het zicht op de zijkant van het kantoorgebouw belemmeren afbreuk doen aan de uitstraling van het kantoorgebouw en dienen te worden verwijderd. Zelfs na aanschrijving medio januari waarin [gedaagde] heeft medegedeeld dat de huidige situatie niet afdoende was heeft Heisterkamp nagelaten om enigerlei vrachtwagens op het perceel I 3652 te verwijderen die het zicht op het kantoorgebouw belemmerden.

4.6.

In een executiegeschil waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat een verbod niet of onvoldoende is nageleefd, heeft de rechter niet tot taak de door de voorzieningenrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient hij zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 15 november 2002, NJ 2004, 410). Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat een in het dictum uitgesproken veroordeling steeds moet worden gelezen in verband met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen waarop zij steunt.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de lezing van Heisterkamp juist is en overweegt daaromtrent als volgt. In het dictum is een verbod aan Heisterkamp opgelegd om

“nieuwe verhogingen aan te brengen op het hierna te noemen terrein en/of om het hierna te noemen terrein te verhogen en/of om vrachtwagens of andere (grote) voertuigen of andere obstakels te stallen en/of te parkeren en/of te verhuren en/of te verkopen op het terrein gelegen tussen de autosnelweg A1 en het kantoorgebouw van [gedaagde]” en waarbij als nadere verbijzondering ten aanzien van de vraag voor welk terrein dit verbod geldt is opgenomen: “waarbij onder terrein ook uitdrukkelijk wordt begrepen het terrein waarover vanaf de A1 zicht mogelijk is op het kantoorgebouw van [gedaagde] en/of het zicht op het kantoorgebouw van [gedaagde] enigszins te belemmeren, anders dan door het stallen van personen- en bestelauto’s”.

Ten aanzien van de vraag wat precies bedoeld is met ‘zicht op het kantoorgebouw’ is onder meer in het vonnis in rechtsoverweging 4.9 te lezen: “Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter over de uitleg van de woorden “het terrein dat gelegen is voor het kantoorgebouw” is dan ook dat hieronder tevens moet worden verstaan het terrein dat onderdeel uitmaakt van perceel 3652 en ligt tussen de A1 en het kantoorgebouw van [gedaagde].”

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat ten aanzien van die uitleg eveneens gekeken moet worden naar de de redactie van de kwalitatieve verplichting zelf als opgenomen onder rechtsoverweging 2.4. waarin onder meer is opgenomen: “Het terrein (zijde A1) dat gelegen is voor het kantoorgebouw” en de processtukken van partijen in de vorige kort gedingprocedure.

4.8.

Heisterkamp heeft zich onder meer laten leiden door de inhoud van de dagvaarding en de pleitnotities van de advocaat van [gedaagde], meer in het bijzonder heeft zij uit de dagvaarding de navolgende teksten geciteerd: “Daardoor zijn vanaf de snelweg A1 bij een blik op het kantoorgebouw nog altijd vrachtwagens te zien gelegen voor het kantoorgebouw” en “Anders dan Heisterkamp stelt doet de stalling van de vrachtwagens voor het kantoorgebouw wel degelijk afbreuk aan de waarde en uitstraling van het kantoorgebouw.”

4.9.

Heisterkamp heeft in dat kader ook terecht gewezen op de inhoud van de pleitnotities van de advocaat van [gedaagde], waarin de navolgende plattegrond is opgenomen:

Vervolgens is verderop in de pleitnotitie te lezen: “Wie schetst echter verbazing, Heisterkamp, die maar een deel van de vrachtauto’s weghaalde, namelijk alleen de vrachtauto’s direct vóór het Kantoorgebouw. Zie alinea 2 van deze pleitnotitie, dus alleen de vrachtauto’s op het rode gedeelte van perceel 3650. Op het groene gedeelte van perceel 3652 bleven de vrachtauto’s op de verhogingen gewoon staan.

en: “Echter, ook de vrachtwagens op het perceel met nummer 3652 dienen door Heisterkamp verwijderd en verwijderd te blijven. Bij een blik op het kantoorgebouw vanaf de A1 zijn nog steeds vrachtwagens van Heisterkamp te zien vóór het gebouw. (…).”

4.10.

Eveneens niet onbelangrijk is het feit dat de Raad van State in haar uitspraak van

5 februari 2014 heeft overwogen dat de betrokken percelen onderdeel zijn van bestemmingsplan ‘Hanzepoort’ en dat sprake is van een goederencentrum, specifiek bestemd voor logistieke bedrijven en dat mede om die reden geen sprake is van een bijzondere zichtlocatie voor kantoren. Met betrekking tot de in die procedure gestelde waardevermindering overweegt de Raad van State dat ‘er geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met het plan in zoverre aan de orde zijn.’

4.11.

Gelet op al het vorenstaande brengt een redelijke uitleg van het dictum met zich dat het laatste deel van het dictum als een verbijzondering dient te worden gezien van het eerste deel en dat het terrein ‘waarover vanaf de A1 zicht mogelijk is op het kantoorgebouw van [gedaagde] en/of het zicht op het kantoorgebouw van [gedaagde] enigszins te belemmeren’ is beperkt tot dat deel van percelen I 3650 en I 3652 voor zover het zicht op de voorzijde van het kantoorgebouw hierdoor belemmerd wordt.

4.12.

De voorzieningenrechter is aldus van oordeel dat Heisterkamp heeft voldaan aan het aan haar bij vonnis van 2 december 2013 opgelegde verbod en dat Heisterkamp aldus ook geen dwangsommen heeft verbeurd, zodat het door [gedaagde] gelegde executoriale beslag dient te worden opgeheven.

4.13.

Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat het weinig behoorlijk is om een dergelijke korte termijn (2 dagen) te geven na betekening om aan de veroordeling bij vonnis van 2 december 2013 te voldoen en een zeer laconieke reactie te geven wanneer Heisterkamp bij [gedaagde] navraag doet of de gewijzigde situatie akkoord is om vervolgens bij brief van medio januari 2014 te stellen dat niet is voldaan aan het opgelegde verbod, alsmede te stellen dat dwangsommen zijn verbeurd en direct beslag te leggen.

4.14.

Gelet op het hiervoor overwogene dient de vordering in reconventie te worden afgewezen.

4.15.

[gedaagde] dient als de overwegend in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie:

I. Heft op het executoriale beslag dat [gedaagde] op 18 januari 2014 ten laste van Heisterkamp heeft gelegd.

In reconventie:

II. Wijst af de vordering.

In conventie en in reconventie:

III. Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van Heisterkamp begroot op € 685,52 aan verschotten en € 527,- aan salaris van de advocaat.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Lorist, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.