Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2868

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
2971222 EJ VERZ 14-156
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidovereenkomst. Onverenigbaarheid van karakters. Ontbindingsvergoeding toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0488
AR 2014/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 2971222 EJ VERZ 14-156 (ak)

Beschikking van de kantonrechter d.d. 15 mei 2014 in de zaak van:

[verzoeker],

h.o.d.n. De Hypotheker,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats]

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],

gemachtigde: mr. J.H. Reints, advocaat te Hardenberg,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerder, hierna te noemen: [verweerster],

gemachtigde: mr. M.T.W. ter Heerdt, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam.

1 De procedure

1.1

In zijn verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van dit gerecht op 11 april 2014, vraagt [verzoeker] de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden.

1.2

[verweerster] heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, ontvangen ter griffie op 2 mei 2014.

1.3

Voorafgaan aan de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] bij faxbericht van 6 mei 2014 een aantal producties overgelegd.

1.4

Het verzoek is mondeling behandeld ter terechtzitting van maandag 12 mei 2014 om 10.30 uur. Ter zitting verschenen [verzoeker], vergezeld van mr. Reints. [verweerster] is verschenen, bijgestaan door mr. Ter Heerdt.

Beide partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun gemachtigden, die zich daarbij hebben bediend van een pleitnota. Van het verhandelde ter terechtzitting zijn voorts door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.5

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

Bij de beoordeling van het verzoek wordt uitgegaan van de hierna opgesomde feiten. Deze worden als vaststaand beschouwd omdat zij door een van partijen zijn gesteld en door de andere partij zijn erkend dan wel niet of onvoldoende zijn bestreden.

2.1

[verweerster], 39 jaar oud, is sedert 1 mei 2006 werkzaam bij [verzoeker] in de functie van assistente. Het salaris van [verweerster] bedraagt € 2.214,50 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2

[verzoeker] heeft op 15 mei 2008 de onderneming in [plaats] overgenomen. Nadat [verweerster] korte tijd als enige fulltime assistente heeft gewerkt, wordt in de zomer van 2009 een extra assistente aangetrokken voor drie dagen per week, mevrouw[L]. Naast [verzoeker], zijn dan nog twee hypotheekadviseurs in dienst. In 2010 komt ook de heer [X] (hierna [X]) in dienst, ter vervanging van een hypotheekadviseur die uit dienst is gegaan, terwijl medio 2010 ook nog een derde parttime assistente wordt aangetrokken.

2.3

In de loop van de tijd ontstaan irritaties tussen de werknemers onderling. Dit leidt tot een schrijven van [verzoeker] d.d. 31 december 2012 (productie 6 bij dagvaarding) waarin nieuwe regels, ook met betrekking tot het privégebruik van de mobiele telefoon, kenbaar gemaakt worden die moeten leiden tot normalisering van de verhoudingen op de werkvloer. Ook heeft [verzoeker] vanaf januari 2013 iedere twee weken een informeel gesprek gevoerd met iedere medewerker.

2.4

In mei 2013 wordt duidelijk dat [verweerster] een relatie heeft [X].

2.5

In de zomer van 2013 wordt door de door [verzoeker] gedreven onderneming de audit door De Hypotheker Associatie (DHA) niet gehaald. Naar aanleiding hiervan besluit [verzoeker] dat hij voortaan alle beslissingen zelf zal nemen. Ook zullen meer controles uitgevoerd worden op alle uitgevoerde werkzaamheden en afspraken.

2.6

De onderlinge verhoudingen binnen de onderneming verbeteren niet en op 29 oktober 2013 vindt er een gesprek plaats tussen [verzoeker], [X] en [verweerster] waarin een aantal fouten in dossiers worden besproken, alsmede de ervaringen van de drie andere medewerkers hoe zij [verweerster] en [X] als blok ervaren. [verweerster] en [X] geven aan zich hierin niet te herkennen.

2.7

Begin november 2013 heeft [verzoeker] een e-mailbericht (productie 13 bij verzoekschrift) aan de medewerkers gestuurd waarin onder meer het volgende is vermeld:

(…) Er is wederom een situatie ontstaan. Een situatie waardoor het nagenoeg onmogelijk is/wordt om goed werk af te leveren, laat staan dat je het werk met plezier doet. Doordat collega’s niet of nauwelijks met elkaar communiceren is het slechts een kwestie van tijd voordat er ergens iets volledig mis gaat, op welk vlak dan ook. Onacceptabel!!

De laatste tijd heb ik regelmatig geprobeerd de ontstane wonde te genezen, (..) Vaak lukt dat, echter altijd slechts voor een beperkte duur. Ik trek mij dit behoorlijk aan, ergens heb ik het onderweg niet op de juiste manier aangepakt. Wellicht omdat ik te sociaal voelend ben, (…)

We doen het vanaf nu als volgt:

- Ik fungeer niet meer als doorgeefluik voor je problemen met collega’s.

- Als je een probleem hebt met een collega adviseer ik je met die collega in gesprek te gaan om e.e.a. uit te praten. Dat doe je 1 op 1 en op een fatsoenlijke manier. Schelden en stemverheffing is uit den boze.

2.8

Bij e-mailbericht van 19 november 2013 (productie 14 bij verzoekschrift) heeft [verweerster] zich ziek gemeld. Hierin heeft zij onder meer het volgende aan [verzoeker] meegedeeld:

(…) De boodschap in jouw mail, de functioneringsgesprekken, discussie’s, mijn gevoel en dan vraag ik mij oprecht af waar ik een stuk van de film hebt gemist of niet heb begrepen.

Iedere 2 weken zitten we bij jou aan tafel om elkaar bij te praten, te kunnen verbeteren om voor iedereen een werkbare situatie te creëren. (…)

Afgelopen vrijdag had ik de hoop dat er iets zou gebeuren, maar het tegenovergestelde gebeurde. Zo langzamerhand krijg ik de indruk dat er geen oplossing gaat komen, het lijkt meer op een gevecht met als doel te laten zien wie het de dikste huid heeft. Daarmee wordt het probleem alleen maar groter en kies ik op dit moment voor mijn eigen gezondheid en daarom ben ik dus niet op kantoor.

(…).

2.9

Bij brief van 19 november 2013 (productie 15 bij verzoekschrift) heeft [verzoeker] aan [verweerster] onder meer het volgende meegedeeld:

Jouw bericht vanmorgen kwam natuurlijk niet totaal onverwacht. Gezien de ontstane situatie was het wachten op de eerste binnen ons team die het niet meer zou trekken. Ik heb dan ook dit weekend al besloten dat ik snel maatregelen moet nemen. Daar had ik het vandaag met je over willen hebben. Helaas kan ik het nu niet persoonlijk maar uitstel is geen optie meer. (…)

Alles overwegende heb ik besloten om het dienstverband met jou te beëindigen. Dit heeft niets met je bericht van hedenochtend te maken, dit besluit heb ik dit weekeinde al genomen. Voor de duidelijkheid: jij bent niet als enige schuldig aan de ontstane situatie. ik hoop dat er door deze maatregel weer rust binnen het team komt.

(…)

2.10

Bij e-mailbericht van 23 november 2013 (productie 16 bij verzoekschrift) heeft [verzoeker] aan [verweerster] onder meer het volgende meegedeeld:

(…) Zoals ik al eerder aangegeven heb vind ik niet dat je de enige bent die iets te vervalt betreffende de laatst ontstane situatie. Uit je mail maak ik echter op dat jij vindt dat jou niets te verwijten valt., zo ervaar ik dat niet (…)

Over het geleverde werk heb ik weinig tot geen klachten, dat was altijd in orde. De manier waarop je soms met je collega’s, cliënten en geldverstrekkers denkt te moeten communiceren en de houding die je dan aan neemt is de reden waarom ik deze maatregel genomen heb. Dat is niet iets van de laatste tijd, we hebben het daar al veel vaker over gehad. Je weet onderhand wel hoeveel waarde ik hecht aan een goede sfeer op kantoor (…)

2.11

In het laatste gespreksverslag van de bedrijfsarts d.d. 13 maart 2014 komt de bedrijfsarts tot de conclusie dat er sprake is van een forse klachten die zijn ontstaan na en in reactie op een arbeidsconflict met een hoge escalatiegraad. Er volgens hem geen sprake is van arbeidsongeschiktheid op basis van ziekte of gebrek. Vermeld wordt dat perspectief op een goede oplossing richting de toekomst helend werkt aan alle kanten.

2.12

[verweerster] is tot op de dag van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift een re-integratietraject gestart bij De Hypotheker te Meppel, nadat een re-integratietraject bij De Hypotheker in Haaksbergen niet naar wens bleek te verlopen.

3 Het verzoek

3.1

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden met onmiddellijke ingang, althans op een zodanig tijdstip als de kantonrechter meent te behoren, met toekenning aan [verweerster] ten laste van [verzoeker] van een eenmalige vergoeding, door de kantonrechter in goede justitie te bepalen, met compensatie van kosten.

3.2

[verzoeker] legt aan zijn verzoek, kort samengevat, ten grondslag dat sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk dient te worden ontbonden. De gewijzigde omstandigheden bestaan hieruit dat tussen partijen een dusdanig verschil van inzicht is ontstaan over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden dat hierdoor een ernstig verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan waardoor een vruchtbare samenwerking niet langer mogelijk is. Meer concreet vindt [verzoeker] dat [verweerster] door haar houding jegens collega’s en externe partijen (cliënten, medewerkers van een notariskantoor, medewerkers van een verzekeraar en medewerkers van een geldverstrekkers) haar positie onmogelijk heeft gemaakt.

4 Het verweer

4.1

[verweerster] verweert zich primair tegen de verzochte ontbinding in welk verband gewezen wordt op het opzegverbod, neergelegd in artikel 7:670 BW. Subsidiair stelt [verweerster] zich op het standpunt dat, indien de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, aan haar een vergoeding toegekend dient te worden, berekend naar de c-factor 2,5, resulterende in een vergoeding van € 38.853,75 bruto en rekening houdend met de fictieve opzegtermijn in het kader van de Werkloosheidswet (WW).

4.2

[verweerster] betwist gemotiveerd de door [verzoeker] aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde redenen en stelt dat zij steeds naar behoren heeft gefunctioneerd. Zij is in de afgelopen jaren nimmer gewezen op haar functioneren en haar wijze van communiceren. [verweerster] meent dan ook dat niet haar functioneren maar haar arbeidsongeschiktheid de grondslag is voor het ontbindingsverzoek. Ook stelt [verweerster] dat [verzoeker] weinig heeft gedaan om de werkdruk terug te brengen en de onderlinge verhoudingen te verbeteren. Tevens betwist zij dat na 2009 functioneringsgesprekken zijn gevoerd. Aan de overgelegde verklaringen kan volgens [verweerster] geen waarde worden toegekend onder meer omdat deze op verzoek zijn opgesteld. Ook betwist [verweerster] dat de genoemde klachten van relaties toe te schrijven zouden zijn aan haar handelen.

4.3

Na de ziekmelding heeft [verzoeker] direct duidelijk gemaakt dat een einde dient te komen aan het dienstverband, terugkeer in het werk is door hem steeds uitgesloten.

5 De beoordeling

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:685, lid 1 BW is iedere partij ‘te allen tijde’ bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Wel dient de kantonrechter zich er van te vergewissen of het verzoek verband houdt met onder meer het opzegverbod wegens ziekte. De kantonrechter is van oordeel dat uit de onderliggende stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling genoegzaam is gebleken dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerster] ingaande 19 november 2013 veroorzaakt is, dan wel in ieder geval in stand gehouden wordt door het tussen partijen ontstane arbeidsconflict. Dit blijkt niet alleen uit de ziekmelding van [verweerster] en uit het laatste verslag van de bedrijfsarts, ook door [verweerster] is zulks tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Nu tussen het ontbindingsverzoek en de arbeidsongeschiktheid geen inhoudelijk verband staat, behoeft de arbeidsongeschiktheid aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst derhalve niet in de weg te staan.

5.2

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden dient te worden op grond van gewijzigde omstandigheden hieruit bestaande dat een vruchtbare en duurzame samenwerking tussen partijen niet langer mogelijk wordt geacht. In dit soort situaties kan mediation soms nog een uitkomst bieden, maar de kantonrechter heeft niet de verwachting dat dit tot een structurele oplossing zal leiden. Bovendien is hiervoor de bereidheid en inzet van alle partijen nodig. Een en ander betekent dat de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal overgaan.

5.3

De vraag die vervolgens aan de orde komt is of er aanleiding bestaat om [verweerster] een vergoeding toe te kennen. In dit kader is van belang hoe de verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan en wie daar in (overwegende) mate verantwoordelijk voor is. De kantonrechter overweegt hiertoe het volgende.

5.4

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het de kantonrechter duidelijk geworden dat de samenwerking tussen de werknemers onderling niet soepel is verlopen. Gebleken is dat de taakverdeling tussen de medewerkers, waarbij [verweerster] op enig moment de enige assistente was en later moest gaan samenwerken met eerst één en later nog een tweede assistente, niet vanzelf is gegaan. Hierbij zal de omstandigheid dat sprake is van een kleine organisatie ook een rol hebben gespeeld, evenals het ontstaan van een relatie tussen [verweerster] en [X]. [verzoeker] heeft vervolgens wel getracht de onderlinge relaties te verbeteren, maar is hierbij wellicht niet altijd even daadkrachtig opgetreden door duidelijke grenzen te stellen en een en ander schriftelijk vast te leggen.

5.5

Dat ook [verweerster] haar aandeel heeft gehad in het ontstaan van slechte collegiale relaties acht de kantonrechter wel aannemelijk aangezien uit de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat [verweerster] van haar hart geen moordkuil maakt, niet alleen naar collega’s maar ook naar externe partijen. Zie in dit verband onder meer het verslag van het functioneringsgesprek van 16 april 2010.

5.6

Het vorenstaande brengt de kantonrechter tot conclusie dat sprake is van een onverenigbaarheid van karakters waarbij niet helder is geworden welk aandeel een ieder nu precies heeft gehad in het ontstaan van het arbeidsconflict nu beide partijen een ander lezing geven van de feiten. De kantonrechter wil ten slotte niet onvermeld laten dat zij de wijze waarop [verzoeker] met de ziekmelding van [verweerster] is omgegaan, hoogst onverstandig acht. Het per kerende post aankondigen tot beëindigen van de arbeidsovereenkomst over te gaan, is niet bepaald bevorderlijk voor het herstel, noch biedt dat een opening voor constructieve onderhandelingen.

5.7

Op grond van het bovenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat, rekening houdend met de lengte van het dienstverband, de leeftijd van [verweerster] en alle overige omstandigheden, een vergoeding van € 16.000,00 bruto billijk wordt geacht. Hierbij zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 1 juni 2014. Er bestaat geen aanleiding om overigens rekening te houden met de fictieve opzegtermijn in het kader van de WW aangezien de toe te kennen vergoeding hiervoor gepleegd te zijn bedoeld. Voorts wordt, gelet op de hoogte van de toe te kennen vergoeding en het ontbreken van een deugdelijke motivering aan de zijde van [verzoeker], geen aanleiding gezien om toe te staan de vergoeding in termijnen te betalen.

5.8

Nu een vergoeding zal worden toegekend, zal [verzoeker] in de gelegenheid worden gesteld om zijn ontbindingsverzoek in te trekken. Gaat hij daartoe over, dan dient hij de kosten van het geding te dragen. Handhaaft hij het verzoek, dan worden de kosten van deze procedure tussen partijen gecompenseerd.

6. De beslissing

Stelt [verzoeker] in de gelegenheid zijn verzoek in te trekken door dit vóór 23 mei 2014 schriftelijk aan de griffier van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Enschede te berichten.

Veroordeelt in het geval het verzoekschrift wordt ingetrokken [verzoeker] in de kosten van de procedure aan de zijde van [verweerster] gevallen en tot op heden begroot op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Indien het niet tot een intrekking komt:

  1. ontbindt de tussen [verzoeker] en [verweerster] bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2014 en kent in dat geval aan [verweerster] ten laste van [verzoeker] een vergoeding toe van € 16.000,00 bruto;

  2. compenseert de proceskosten in dier voege dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven te Enschede en op 15 mei 2014 in het openbaar uitgesproken door

mr. A.M.S. Kuipers, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.