Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2841

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
08.950828-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 57-jarige man uit Apeldoorn is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een celstraf van 11 jaar voor de dood van een bejaarde vrouw in haar woning in de Koestraat te Zwolle. De rechtbank stelt vast dat de man het slachtoffer met een voorwerp op het hoofd heeft geslagen. Wat zich verder in de woning van het slachtoffer heeft afgespeeld kan niet meer worden gereconstrueerd. De man maakte tijdens het proces voornamelijk gebruik van zijn zwijgrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Sector Strafrecht - meervoudige kamer

Parketnummer: 08.950828-13 (P)

Uitspraak: 28 mei 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Zwolle.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van de rechtbank te Zwolle op 10 december 2013, 28 januari 2014, 6 maart 2014, 13 maart 2014,
24 maart 2014 en 15 mei 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A. van Veen en van de standpunten door de raadsman van verdachte, mr. J.W.E. Luiten, naar voren gebracht.

TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 08 juli 2013 tot en met 9 juli 2013 te Zwolle, in elk geval in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) van een trap (in haar woning) geduwd en/of op andere wijze haar val van een trap (in haar woning) veroorzaakt en/of (met kracht) met een hard voorwerp tegen en/of op het hoofd geslagen en/of die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of tegen het hoofd geschopt en/of getrapt en/of tegen het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen geslagen en/of gestompt en/of tegen het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen geschopt en/of getrapt en/of enige andere geweldshandeling tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) gepleegd en/of heeft hij die [slachtoffer] achtergelaten terwijl zij gewond was en medische hulp behoefde, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) is overleden;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 08 juli 2013 tot en met 9 juli 2013 te Zwolle, in elk geval in de gemeente Zwolle, althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) van een trap (in haar woning) geduwd en/of op andere wijze haar val van een trap (in haar woning) veroorzaakt en/of (met kracht) met een hard voorwerp tegen en/of op het hoofd geslagen en/of die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of tegen het hoofd geschopt en/of getrapt en/of tegen het lichaam en/of een of meer andere lichaamsdelen geslagen en/of gestompt en/of tegen het lichaam en/of een of meer andere lichaamsdelen geschopt en/of getrapt en/of enige andere geweldshandeling tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) gepleegd en/of heeft hij die [slachtoffer] achtergelaten terwijl zij gewond was en medische hulp behoefde, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten artikel 317 en/of 312 en/of 310/311 Wetboek van Strafrecht (( - zakelijk weergegeven - verdachte die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) met geweld en/of bedreiging met geweld heeft gedwongen de bank pinpas en/of de bijbehorende pincode van haar bank pinpas te geven en/of waarna vervolgens verdachte een aantal geldbedragen (totaal ongeveer 18.500,-- euro) van de bankrekeningen van [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) naar de bankrekening van verdachte heeft overgemaakt en/of verdachte door geweld en/of bedreiging met geweld en/of door oplichting [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot] ) heeft gedwongen, althans bewogen geld (totaal voor ongeveer 18.500-- euro) van haar bankrekening over te maken naar de bankrekening van verdachte)), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren; althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, meer subsidiair, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 08 juli 2013 tot en met 9 juli 2013 te Zwolle, in elk geval in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) van een trap (in haar woning) geduwd en/of op andere wijze haar val van een trap (in haar woning) veroorzaakt en/of (met kracht) met een hard voorwerp tegen en/of op het hoofd geslagen en/of die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt en/of tegen het hoofd geschopt en/of getrapt en/of tegen het lichaam en/of een of meer andere lichaamsdelen geslagen en/of gestompt en/of tegen het lichaam en/of een of meer andere lichaamsdelen geschopt en/of getrapt en/of enige andere geweldshandeling tegen het lichaam van die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) gepleegd en/of heeft hij die [slachtoffer] achtergelaten terwijl zij gewond was en medische hulp behoefde, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) is overleden;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, nog meer subsidiair, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 08 juli 2013 tot en met 9 juli 2013 te Zwolle, in elk geval in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas en/of bijbehorende pinpas en/of een aantal geldbedragen staande op een of meer bankrekeningen van die voormelde [slachtoffer] (totaal voor ongeveer 18.500,-- euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte de woning van die [slachtoffer] is binnen gegaan en/of binnen gedrongen en/of (vervolgens) een aantal bedreigende woorden heeft geuit tegen die [slachtoffer] en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geschopt en/of getrapt en/of met een hard voorwerp tegen en/of op het hoofd van die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) heeft geslagen en/of enige andere geweldhandeling tegen die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) heeft gepleegd en/of als gevolg waarvan het slachtoffer, die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) een bloedende wond heeft opgelopen en/of verdachte een bloedende wond bij voormeld slachtoffer heeft veroorzaakt, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) ten gevolge heeft gehad;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, nog meer subsidiair, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 08 juli 2013 tot en met 9 juli 2013 te Zwolle, in elk geval in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas en/of bijbehorende pincode en/of een aantal geldbedragen (totaal voor ongeveer18.500,-- euro) staande op een of meer bankrekeningen, in elk geval enig goed,geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (( te weten door met een bank/pinpas van die [slachtoffer] en/of de bijbehorende pincode en/of een zogenaamde identifier voormelde geldbedragen van een of meer bankrekeningen van die [slachtoffer] naar verdachtes eigen bankrekening over te boeken)), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]),gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte de woning van voormelde [slachtoffer] is binnen gegaan en/of binnen gedrongen en/of een aantal bedreigende woorden heeft geuit tegen die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een hard voorwerp tegen en/of op het hoofd heeft geslagen en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het lichaam en/of andere lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of het lichaam en/of een of meer (andere) lichaamsdelen heeft geschopt en/of getrapt en/of enige andere geweldshandeling tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft gepleegd en/of als gevolg waarvan die [slachtoffer] een bloedende wond heeft opgelopen en/of verdachte een een bloedende wond bij die [slachtoffer] heeft veroorzaakt, terwijl het feit de dood van die [slachtoffer]

([weduwe van naam echtgenoot]) ten gevolge heeft gehad;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, nog meer subsidiair, terzake dat,

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 juli 2013 tot en met 9 juli 2013 te Zwolle, in elk geval in de gemeente Zwolle, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een of meer bankrekeningen op naam van [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) heeft weggenomen een aantal geldbedragen (totaal voor ongeveer 18.500,-- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel ((te weten met een wederrechtelijk verkregen pinpas van die [slachtoffer] met bijbehorende code en/of een zogenaamde identifier een aantal geldbedragen van de rekeningen van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes bankrekening heeft overgeboekt));

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, meest subsidiair terzake dat,

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 juli 2013 tot en met 26 augustus 2013 te Zwolle, in elk geval in de gemeente Zwolle en/of te Apeldoorn en/of elders in Nederland (telkens) opzettelijk een aantal geldbedragen (afkomstig van en/of staande op een of meer bankrekeningen van [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten

door een abusievelijke overboeking door die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) naar zijn verdachtes bankrekening, onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 08 juli 2013 tot en met 26 augustus 2013, te Zwolle, in elk geval in de gemeente Zwolle en/of te Apeldoorn en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een aantal voorwerpen en/of een aantal geldbedragen, te weten

-een aantal geldbedragen (totaal ongeveer voor 18.500,-- euro) staande op en/of afkomstig van een of meer bankrekeningen van [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) en/of

-een auto (personenauto merk Chrysler/type Voyager met kenteken [kenteken]), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet ((te weten - zakelijk weergegeven - verdachte van het geld afkomstig van de bankrekening van mevrouw [slachtoffer] o.a. voormelde auto heeft gekocht, te weten verdachte teneinde voormelde auto te kopen een geldbedrag van 2000,-- euro (oorspronkelijk afkomstig van de rekening van [slachtoffer]), zijnde de aanbetaling voor die personenauto (merk Chrysler/type Voyager met kenteken [kenteken]) per pintransactie heeft overgemaakt van zijn, verdachtes bankrekening naar de rekening van [autobedrijf] en/of verdachte een geldbedrag van 1250,-- euro (oorspronkelijk afkomstig van de bankrekening van mevrouw [slachtoffer]) van zijn verdachtes rekening heeft gehaald en/of (vervolgens) cash heeft betaald naast voormelde aanbetaling aan [autobedrijf] en/of een of meer andere geldbedragen (oorspronkelijk afkomstig van de bankrekening van mevrouw [slachtoffer] van zijn verdachtes rekening heeft gehaald en/of heeft gebruikt om schulden die hij had te voldoen)) althans (telkens) van een aantal voorwerpen en/of een aantal geldbedragen, te weten

-een aantal geldbedragen (totaal ongeveer voor 18.500,-- euro) staande op en/of afkomstig van een of meer bankrekeningen van [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) en/of

-een auto (personenauto merk Chrysler/type Voyager met kenteken [kenteken]),

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen en/of geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

Geldigheid van de dagvaarding

Onder feit 1 wordt verdachte het verwijt gemaakt dat hij “op andere wijze” (dan het verweten duwen) de val van [slachtoffer], zou hebben veroorzaakt en voorts dat de geweldshandelingen bestonden uit “enige andere geweldshandeling” dan de reeks genoemde geweldshandelingen. Door de raadsman is betoogd dat genoemde bestanddelen van te algemene aard zijn, zodat niet blijkt waartegen verdachte zich op deze punten concreet dient te verdedigen. De raadsman heeft verzocht de dagvaarding op genoemde onderdelen nietig te verklaren.

De rechtbank overweegt dat hetgeen aan een verdachte ten laste wordt gelegd voldoende bepaald dient te zijn, zodat de verdachte weet waartegen hij zich dient te verdedigen. In het onderhavige geval is aan verdachte in verschillende varianten ten laste gelegd dat hij betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer]. De door de raadsman genoemde passages maken onderdeel uit van de feitelijke omschrijving waaruit die betrokkenheid heeft bestaan. De rechtbank is van oordeel dat het voor verdachte, in het licht van hetgeen overigens in de tenlastelegging is vermeld, voldoende duidelijk moet zijn wat aan hem wordt verweten, namelijk het opzettelijk veroorzaken van de dood van [slachtoffer]. Dat dit verdachte ook duidelijk is, is ter terechtzitting wel gebleken. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de dagvaarding partieel nietig te verklaren.

Voorts is door de raadsman betoogd dat de tenlastelegging, na de wijziging van de tenlastelegging, waarbij de zinsnede “en/of heeft hij die [slachtoffer] achtergelaten terwijl zij gewond was en medische hulp behoefde” is toegevoegd, innerlijk tegenstijdig is geworden en om die reden nietig dient te worden verklaard. De rechtbank overweegt dat het zeer wel mogelijk is dat iemands dood wordt veroorzaakt door opzettelijk handelen en opzettelijk nalaten waar handelen is geboden. Van een innerlijk tegenstrijdige tenlastelegging is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Inleiding

Op 9 juli 2013 werd mevrouw [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer) ‘s ochtends vroeg dood aangetroffen onderaan de trap in haar woning aan de [adres 1] te Zwolle.

Omdat men er, na een onderzoek ter plaatse door de politie en de lijkschouwer van de GGD, forensisch arts R. Dekker, vanuit ging dat zij van de trap was gevallen, is het lichaam vrijgegeven en enkele dagen later gecremeerd.

Op dinsdag 16 juli 2013 meldde [naam zoon 1], een zoon van het slachtoffer, aan de politie dat hij bij het bekijken van de bankrekening van zijn moeder opvallende transacties was tegengekomen. Uit de bankgegevens van het slachtoffer bleek dat op 8 juli 2013 vier overboekingen waren verricht van haar rekening naar de rekening van verdachte. In totaal was een geldbedrag van €18.500 overgemaakt van de rekening van het slachtoffer naar de rekening van verdachte. Uit onderzoek met betrekking tot IP-gegevens bleek dat de transacties hadden plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer.

Mede naar aanleiding van deze informatie is een strafrechtelijk onderzoek gestart dat heeft geleid tot de aanhouding van verdachte op 26 augustus 2013.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter zake van de primair ten laste gelegde moord gerequireerd tot vrijspraak. De officier van justitie heeft ter zake van de subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag gerequireerd tot een bewezenverklaring. Hij heeft - kort gezegd - het standpunt ingenomen dat op basis van het tactisch en forensisch onderzoek wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen geld naar zijn rekening over te maken dan wel dat hij haar heeft gedwongen haar bankpas en pincode aan hem te geven en dat verdachte het slachtoffer zodanig heeft verwond dat zij ten gevolge van deze verwondingen is komen te overlijden.

De verklaringen van verdachte

Verdachte heeft bij de politie enkele verklaringen afgelegd. Verdachte heeft betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer ontkend. Ook heeft hij ontkend dat hij op 8 juli 2013 in Zwolle is geweest. Ten aanzien van de overboekingen die op 8 juli 2013 van de rekening van het slachtoffer naar verdachte zijn gedaan heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij op 8 juli zag dat er een bedrag van €18.500 door het slachtoffer naar zijn rekening was overgemaakt. Hij was hierover erg verbaasd en dacht dat ze zich had vergist. Hij heeft het geld snel van zijn rekening afgehaald en gebruikt om schulden af te lossen.

In een later stadium heeft verdachte steeds van zijn zwijgrecht gebruik gemaakt. Ook ter terechtzitting heeft hij geen verklaringen afgelegd. In zijn laatste woord heeft hij wederom het ten laste gelegde ontkend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van de aan hem ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat hij bij deze feiten betrokken is geweest. In het dossier bevinden zich volgens de raadsman aanknopingspunten voor de conclusie dat het slachtoffer door een ongelukkige val om het leven is gekomen. De raadsman heeft - kort gezegd - aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte op 8 juli 2013 in de woning van het slachtoffer is geweest, laat staan dat hij haar om het leven zou hebben gebracht.

Het oordeel van de rechtbank1

Aantreffen slachtoffer

Op dinsdag 9 juli 2013 omstreeks 9.15 uur kwam bij de politie de melding binnen dat op het adres [adres 1] te Zwolle een overleden vrouw in de woning was aangetroffen. Verbalisanten zijn naar aanleiding van deze melding ter plaatse gegaan en troffen in de hal van de woning het levenloze lichaam aan van een vrouw onderaan de trap naar de eerste verdieping. 2

Ter plaatse spraken de verbalisanten met meldster [naam], zij was werkzaam als huishoudster voor het slachtoffer. [naam] vertelde verbalisanten dat zij die ochtend omstreeks 9.00 uur bij de woning was gekomen en het levenloze lichaam van haar werkgeefster gelijk onderaan de trap had zien liggen.3

Door de lijkschouwer van de GGD, forensisch arts R. Dekker, werd een niet-natuurlijke dood geconstateerd door een schedelbreuk.4 De overleden vrouw werd door haar dochter en [naam] herkend als mevrouw [slachtoffer].5

Moment van overlijden slachtoffer

Getuige [getuige 1], een vriendin van het slachtoffer, heeft verklaard dat zij op 8 juli 2013 rond 12.50 uur bij het slachtoffer aan de [adres 1] te Zwolle op bezoek is geweest. Zij verklaarde ongeveer een half uur bij het slachtoffer te zijn geweest en omstreeks 13.15 uur de woning te hebben verlaten. 6

Uit de opgevraagde historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van de huistelefoon van het slachtoffer bleek dat op 8 juli 2013 om 11.45 uur is gebeld naar het nummer van Tommy Teleshopping. Uit onderzoek is gebleken dat het slachtoffer toen een tuinslang heeft besteld. Om 15.47 uur is getracht in te bellen naar het huisnummer van het slachtoffer door de gebruiker van het nummer [nummer]. Dit contact kwam niet tot stand. Om 18.51 uur heeft de gebruiker van hetzelfde nummer nogmaals getracht in te bellen. Ook toen kwam het contact niet tot stand.7

In de woning van het slachtoffer stond een lunch klaar, waarvan slechts enkele happen waren gegeten.8

Gelet op vorenstaande onderzoeksbevindingen stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer op
8 juli 2013 tussen 13.15 uur en 15.47 uur moet zijn overleden. Omstreeks 13.15 uur heeft getuige [getuige 1] de woning van het slachtoffer verlaten, toen was zij nog in leven. Omstreeks 15.47 uur werd geprobeerd telefonisch contact te krijgen met het slachtoffer, maar de telefoon werd toen niet beantwoord. Genoemde tijdsspanne past bij het door GGD-arts Dekker in zijn letselrapportage geschatte moment van overlijden, te weten 8 juli 2013 omstreeks 13.00 uur.9 De rechtbank acht het aannemelijk dat het slachtoffer aan haar lunch is begonnen, maar deze kort voor haar overlijden heeft onderbroken. Zowel haar dochter, [naam dochter 1], als haar zoon [naam zoon 2] achten het niet aannemelijk dat zij zomaar haar lunch zou onderbreken. Zij had suikerziekte en nam haar insuline voor het eten. Ze moest daarom binnen afzienbare tijd haar lunch opeten. 10

Aanwezigheid verdachte nabij [adres 1] op 8 juli 2013

Aan de voorgevel van perceel [adres 2] zijn camera’s bevestigd. Deze camera’s nemen beelden op van het deel van de [straat] dat voor dit perceel is gelegen. Op de stills van de veiliggestelde beelden is te zien dat op maandag 8 juli 2013 om 13.33 uur een manspersoon aan de overkant van het trottoir loopt en vervolgens de straat schuin oversteekt in de richting van [adres 1]. Op de beelden is om 14.56 uur dezelfde man weer te zien. Hij loopt dan uit de richting van de [adres 1] op de stoep aan de zijde van [adres 1].11

De man die op de beelden is te zien heeft kort stekelig wit/grijs haar. Hij draagt een spijkerbroek en een blauwgrijs kleurige blazer (colbert).12 Op de foto’s op pagina 168 van het dossier is te zien dat de manspersoon onder de blazer een geelkleurig shirt draagt.13

Tevens bevat het dossier camerabeelden (stills) van een pinautomaat van de ABN-Amrobank bij winkelcentrum de Eglantier te Apeldoorn. Het betreft beelden van 8 juli 2013 van 15.46 uur tot en met 15.51 uur. Op de beelden is een man te zien vanaf het gedeelte halverwege het bovenlichaam. De man op de beelden heeft wit/grijs stekelig haar. Hij draagt een blauwgrijs kleurige blazer en onder de blazer draagt hij een geel shirt met een opdruk van blauwkleurige palmbomen.14 Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij degene is die op de beelden bij de pinautomaat is te zien.15

[getuige 2] heeft verklaard verdachte persoonlijk te kennen als klant van zijn autoverhuurbedrijf. Hij heeft verklaard dat verdachte op 8 juli 2013 om 12.00 uur een Fiat Doblo heeft gehuurd en deze om 15.47 uur die dag heeft teruggebracht. Verdachte had met de Fiat 91 km gereden.16 Dit blijkt ook uit de huurovereenkomst die zich in het dossier bevindt.17 [getuige 2] heeft verklaard op 8 juli 2013 slechts één Fiat Doblo in de verhuur te hebben gehad.18

Op de beelden van de camera’s van [adres 2] is te zien dat op 8 juli om 13.25 een bestelauto van autoverhuur [getuige 2] door de [straat] rijdt. De auto rijdt in de richting van de Sassenpoort. De auto is een soortgelijk model als de door verdachte gehuurde Fiat Doblo. 19

Verdachte heeft verklaard dat het kan kloppen dat hij op 8 juli 2013 een Fiat Doblo bij [getuige 2] heeft gehuurd.20 Hij ontkent echter dat hij in Zwolle is geweest.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de volgende vaststellingen.

  • -

    Verdachte heeft op 8 juli 2013 om 12.00 uur een Fiat Doblo gehuurd bij autoverhuur [getuige 2] te Apeldoorn;

  • -

    Op beelden is te zien dat op 8 juli 2013 om 13.25 uur een bestelauto gelijk aan het model Fiat Doblo met het logo van de firma [getuige 2] langs de woning van het slachtoffer rijdt in de richting van de Sassenpoort;

  • -

    [getuige 2] had op 8 juli 2013 slechts één Fiat Doblo in de verhuur;

  • -

    De man die op 8 juli 2013 om 13.33 uur en 14.46 uur op de bewakingsbeelden van [adres 2] is te zien vertoont voor wat betreft haardracht (grijs en stekelig) en kleding (grijsblauwe blazer met daaronder een geel shirt) sterke gelijkenis met verdachte zoals hij later die middag op de beelden van de pinautomaat is te zien;

  • -

    Acht minuten nadat de Fiat Doblo van [getuige 2] in beeld is te zien komt deze man uit de richting van de Sassenpoort het beeld ingelopen;

  • -

    Als verdachte de auto terugbrengt om 15.47 uur heeft hij daarmee 91 km gereden. De afstand tussen de firma [getuige 2] en de [straat] te Zwolle bedraagt volgens de routeplanner van Google Maps 89 km.21

De rechtbank is gelet op bovengenoemde vaststellingen in onderling verband en in samenhang beschouwd van oordeel dat het verdachte is die om 13.33 uur en 14.46 uur op de bewakingsbeelden is te zien in de directe nabijheid van de woning het slachtoffer.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de beelden van de bewakingscamera’s aan de [straat] van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat de beelden te onduidelijk en van te slechte kwaliteit zijn om tot een betrouwbare herkenning te komen. Zoals volgt uit hetgeen hierboven is overwogen, zijn de beelden naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. Van een rechtstreekse herkenning van verdachte op de beelden is geen sprake. De raadsman heeft subsidiair, indien de rechtbank de beelden voor het bewijs zou willen bezigen, verzocht een deskundige op het gebied van gezichtsvergelijkend onderzoek te benoemen. Nu van een rechtstreekse herkenning van verdachte op de beelden geen sprake is acht de rechtbank het niet noodzakelijk om een dergelijke deskundige te benoemen.

De raadsman heeft eveneens betoogd dat niet duidelijk is dat het de Fiat Doblo van [getuige 2] is die om 13.25 uur op de beelden in de [straat] is te zien. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat [getuige 2] zich richt op de verkoop en lease van auto’s en tevens koerierdiensten aanbiedt, zodat mogelijk ook een andere Fiat Doblo dan die aan verdachte is verhuurd op de beelden is te zien. Ook ten aanzien van dit verweer oordeelt de rechtbank dat hetgeen op de beelden is te zien voldoende duidelijk is om voor het bewijs te worden gebezigd. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd doet daaraan niet af.

Overboekingen van de rekening van het slachtoffer naar de rekening van verdachte

Op de dag van overlijden van het slachtoffer zijn tussen 13.46 uur en 14.09 uur vier overboekingen gedaan van de rekening van het slachtoffer naar de rekening van verdachte waarbij in totaal €18.500 werd overgemaakt. Er werd driemaal een geldbedrag van €4500 en eenmaal een geldbedrag van €5000 naar verdachte overgemaakt. In de genoemde periode werd ook een geldbedrag van €10.000 van de vermogensspaarrekening van het slachtoffer naar haar effectenrekening overgeboekt. Dit was noodzakelijk, omdat er anders niet voldoende saldo was om de genoemde transacties uit te voeren naar de rekening van verdachte. Uit het IP-adres dat bij genoemde transacties werd gebruikt bleek dat de transacties hebben plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer. 22

Was verdachte in de woning van het slachtoffer op 8 juli 2013?

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte in de periode dat het slachtoffer is overleden, te weten tussen 13.15 uur en 15.47 uur nabij de woning van het slachtoffer is geweest. Te zien is dat hij om 13.33 uur in de richting van de woning van het slachtoffer loopt en om 14.56 uur uit de richting van de woning komt lopen. De vraag die zich vervolgens opdringt is of verdachte ook in de woning van het slachtoffer aan de [adres 1] is geweest. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

In de periode dat verdachte uit beeld is in de straat tussen 13.33 uur en 14.46 uur wordt met de in de woning van het slachtoffer aanwezige MacBook een aantal keer geld overgemaakt naar de rekening van verdachte.

Uit het dossier volgt dat er sprake was van een financieel conflict tussen het slachtoffer en verdachte. Het slachtoffer heeft in de periode van september 2007 tot en met februari 2012 diverse geldbedragen van in totaal €58.000 aan verdachte verstrekt. Volgens het slachtoffer waren deze bedragen geleend en volgens verdachte waren deze bedragen hem geschonken. Dit heeft geleid tot een civiele procedure die het slachtoffer aangespannen heeft. Op
14 november 2012 heeft de rechtbank Arnhem in deze zaak uitspraak gedaan en geoordeeld dat verdachte het bedrag van €58.000 aan het slachtoffer moest terugbetalen.23

De dochter van het slachtoffer, [naam dochter 2], heeft verklaard dat haar moeder tegen haar en de andere kinderen stellig heeft uitgesproken dat ze verdachte geen stuiver meer zou lenen.24 Ook dochter [naam dochter 1] heeft verklaard dat haar moeder vastbesloten was om geen geld meer aan verdachte te lenen.25

Gelet op het feit dat er reeds sprake was van een financieel conflict tussen het slachtoffer en verdachte, over een bedrag van €58.000 dat het slachtoffer van verdachte terug wilde hebben, en gezien de verklaringen van de familieleden van het slachtoffer dat zij geen geld meer aan verdachte wilde lenen, acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat het slachtoffer zonder aanleiding en vrijwillig geld naar de rekening van verdachte zou overmaken. Daarbij neemt de rechtbank eveneens in aanmerking dat het slachtoffer verdachte nooit eerder een dergelijk groot bedrag had geleend26 en dat er na het overmaken van het geld naar verdachte nog slechts €32,68 op haar eigen rekening stond.27

Daarbij komt dat op het colbert dat onder verdachte in beslag is genomen28 en dat verdachte op 8 juli 2013 blijkens zijn eigen verklaring droeg29, bloedsporen zijn aangetroffen waarvan het daaruit gedestilleerde DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard.30 Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat bloed van het slachtoffer op zijn colbert is aangetroffen. Hij heeft verklaard al ongeveer twee jaar niet in de woning van het slachtoffer te zijn geweest en haar voor het laatst bij de rechtszaak in oktober 2012 te hebben gezien.

Gelet op het voorgaande beantwoordt de rechtbank de vraag of verdachte op 8 juli 2013 in de woning van het slachtoffer is geweest, bevestigend.

Wat heeft tot het overlijden van het slachtoffer geleid?

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte in de periode dat het slachtoffer moet zijn overleden bij haar in de woning is geweest en dat er toen diverse geldbedragen naar hem zijn overgemaakt. De vraag die rest is wat er zich in de woning van het slachtoffer heeft afgespeeld toen verdachte bij haar was en of verdachte betrokkenheid heeft gehad bij haar overlijden. Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht. De rechtbank moet het doen met hetgeen uit het letsel van het slachtoffer en de in de woning aangetroffen sporen kan worden afgeleid.

De forensisch arts R. Dekker heeft op 8 juli 2013 een niet-natuurlijke dood geconstateerd door een schedelbreuk.31 Dekker is van oordeel dat het letsel van het slachtoffer kan worden verklaard vanuit een val van de trap. Hij heeft hierover verklaard dat hij het slachtoffer aantrof onderaan een steile trap. Zij had een schedelbreuk aan de bovenkant van haar hoofd. Volgens Dekker klopte het allemaal bij een val van de trap. Een agent had onderzoek ter plaatse gedaan en mede op basis van diens bevindingen heeft Dekker geconcludeerd dat het slachtoffer van de trap moet zijn gevallen. Gelet daarop is besloten om de forensische opsporing er niet bij te halen en het lichaam vrij te geven.

Naast de schedelbreuk heeft Dekker diverse andere verwondingen geconstateerd, te weten huidwonden aan de benen, een blauwe enkel, scheenbeenverwondingen, een schaafwond op de heup, een beschadiging op de linkerhand en een blauwe verkleuring op de linkerhandrug.

Dekker heeft een zestal digitale kleurenfoto’s van het overleden slachtoffer gemaakt op de plaats van aantreffen.

Op 28 november 2013 heeft de forensisch arts D. Botter, verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), een rapport uitgebracht naar aanleiding van onderzoek dat hij heeft gedaan naar de aard en mogelijke oorzaken van het letsel bij het slachtoffer. Met betrekking tot het letsel dat het slachtoffer fataal is geworden concludeert hij dat gesteld kan worden dat er sprake zal zijn geweest van een (grote) verbrijzelingbreuk van het schedeldak met binnenwaartse verplaatsing van botfragmenten. Mogelijk was daarbij ook de schedelbasis gebroken. Het is zeer onwaarschijnlijk dat er een ‘lineaire’ breuk in het schedeldak was, aangezien een lineaire breuk uitwendig niet voelbaar is en de bevonden schedelbreuk(en) van dusdanige omvang wa(s)(r)en dat deze door “massale onderhuidse ophoping van bloed” heen voelbaar was.32

Botter baseert zich hierbij allereerst op de waarnemingen van Dekker alsmede op de verklaringen van medewerkers van de uitvaartonderneming [bedrijfsnaam] die het lichaam van het slachtoffer hebben verzorgd.33 Beiden hebben verklaard dat op het hoofd sprake was van een weke plek. Er was alleen een zachte massa voelbaar.34

Met betrekking tot de oorzaken van een schedelbreuk overweegt Botter in zijn rapport onder meer het volgende:

Forensisch medische literatuur vermeldt over de oorzaken van verschillende typen schedelbreuken o.a. het volgende. Door botsend contact met groter contactoppervlak tussen schedel en voorwerp/oppervlak ontstaan lineaire fracturen; een voorbeeld hiervan is een val

met het hoofd tegen het trottoir. Lineaire schedelbreuken aan de achterzijde van het hoofd zijn meestal het gevolg van een val; hierbij kan acceleratie een rol hebben gespeeld of een val die niet gebroken wordt. Acceleratie kan worden veroorzaakt door trek aan het lichaam of een slag. Bij hogere snelheid c.q. grotere kracht, kunnen complete/incomplete circulaire fracturen ontstaan rond het impactpunt. Indien de snelheid c.q. kracht nog verder toenemen, ontstaan stellaire fracturen met impressie van bot ter plaatse van de impact.

Impressiefracturen ontstaan door impact met een voorwerp waarbij een relatief grote hoeveelheid kinetische energie wordt geconcentreerd op een klein oppervlak. (…)

Uit statistisch onderzoek is gebleken dat letsels aan de bovenzijde van het hoofd vaker het gevolg zijn van toegebracht geweld (slaan) dan als gevolg van een (onge)val.

Botter concludeert:

Het type breuk(en) dat volgens verklaringen aanwezig was/waren bij het slachtoffer is zeer waarschijnlijk veroorzaakt door krachtige impact met een voorwerp waarbij een relatief grote hoeveelheid kinetische energie wordt geconcentreerd op een klein oppervlak.35

Botter is van oordeel dat de beschreven letsels aan het behaarde hoofd veel meer waarschijnlijk zijn als sprake is van inwerking van uitwendig geweld, zoals slaan, schoppen, al dan niet met een voorwerp dan als sprake is van inwerking van uitwendig geweld, zoals vallen of stoten die kunnen zijn ontstaan bij een val van de trap.36

De rechtbank overweegt dat de deskundigen niet van mening verschillen over de aard van het letsel dat de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Zowel Dekker en Botter gaan ervan uit dat dit een schedelbreuk is geweest, in het bijzonder een impressiefractuur. Het door de raadsman gevoerde verweer dat de bevindingen van Botter onbetrouwbaar zijn, omdat hij conclusies trekt op basis van onderzoek dat hij zelf niet heeft verricht treft dan ook geen doel. Botter gaat immers op dit punt uit van dezelfde bevindingen als Dekker die het lichaam van het slachtoffer eigenhandig heeft onderzocht. De constatering van Dekker dat sprake is geweest van een schedelbreuk wordt bovendien door de genoemde bevindingen van de medewerkers van de uitvaartonderneming bevestigd.

Dekker en Botter zijn echter verschillende meningen toegedaan als het gaat om de interpretatie en oorzaak van de schedelbreuk. Waar Dekker van oordeel is dat dit past bij een val van de trap rapporteert Botter: “Het type breuk(en) dat volgens verklaringen aanwezig was/waren bij het slachtoffer is zeer waarschijnlijk veroorzaakt door krachtige impact met een voorwerp waarbij een relatief grote hoeveelheid kinetische energie wordt geconcentreerd op een klein oppervlak (zoals bijvoorbeeld een slag met een hamer)”37en verder:

Bij betreffend slachtoffer is bovendien zeer waarschijnlijk sprake geweest van minimaal drie krachtige geweldsinwerkingen tegen het behaarde hoofd, aangezien zich aan het achterhoofd twee bloedende huidwonden bevonden op enige afstand van de verbrijzelingbreuk.”

Met betrekking tot de bevindingen van Dekker overweegt de rechtbank dat zijn conclusie dat het letsel moet zijn ontstaan door een val van de trap in belangrijke mate lijkt te berusten op de situatie zoals die ter plaatse werd aangetroffen op 8 juli 2013. Op de vraag op grond van welke bevindingen het letsel beter verklaard kan worden door een val van de trap antwoordt hij: “Gezien de hoofdwond en de plek van het bloed. Gezien de trap en de ligging van het lichaam. Het gehele plaatje klopte bij een val van de trap”. Ook de bevindingen van de HOvJ zeggen mij dat ze van de trap is gevallen.” Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2013 heeft Dekker verklaard dat hij ter plekke met de huisarts van het slachtoffer geeft gebeld. Van de huisarts heeft hij gehoord dat het slachtoffer valneigingen had. Ook met deze informatie heeft hij het plaatje ingekleurd, aldus zijn eigen verklaring.38


Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door Dekker getrokken conclusies voor wat betreft het ontstaan van de schedelbreuk van het slachtoffer. De rapportage van Botter acht de rechtbank voor wat betreft de conclusie, ‘dat de schedelbreuk zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een krachtige impact met een voorwerp waarbij een relatief grote hoeveelheid kinetische energie wordt geconcentreerd op een klein oppervlak’, betrouwbaar. Anders dan de raadsman heeft betoogd, maakt het feit dat Botter het lichaam niet zelf heeft onderzocht dit niet anders. Ten aanzien van de constatering dat sprake is van een schedelbreuk (verbrijzelingsfractuur) dient hij weliswaar uit te gaan van waarnemingen van anderen, maar bovengenoemde constateringen met betrekking tot het ontstaan van een dergelijk type breuk (verbrijzelingsfractuur) zijn gedaan vanuit hetgeen zijn deskundigheid hem leert. Hij heeft zijn conclusie naar het oordeel van de rechtbank op wetenschappelijke wijze onderbouwd en verantwoord.

De rechtbank overweegt dat Botter zijn conclusie dat “de beschreven letsels aan het behaarde hoofd veel meer waarschijnlijk zijn als sprake is van inwerking van uitwendig geweld, zoals slaan, schoppen, al dan niet met een voorwerp dan als sprake is van inwerking van uitwendig geweld, zoals vallen of stoten die kunnen zijn ontstaan bij een val van de trap” mede baseert op het feit dat door de uitvaartverzorgers meerdere wonden op het hoofd zijn waargenomen, waar door Dekker slechts één wond(gebied) is beschreven. Om die reden komt hij ook tot minimaal drie krachtige geweldsinwerkingen tegen het behaarde hoofd. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de uitvaartverzorgers omtrent deze verwondingen niet bij de beoordeling dienen te worden betrokken, nu deze wonden door Dekker niet zijn waargenomen en ook beide uitvaartverzorgers verschillend verklaren over de aard en plek van die verwondingen.

Botter heeft echter ter terechtzitting van 13 maart 2014 verklaard dat zijn conclusie gelijkluidend zou zijn als deze verwondingen buiten beschouwing zouden worden gelaten en enkel zou worden uitgegaan van de verbrijzelingsfractuur, zoals geconstateerd door Dekker.39

Tevens heeft Botter ter terechtzitting van 13 maart 2014 het volgende verklaard:

- “ “U houdt mijn conclusie uit het rapport voor en vraagt mij of het letsel dat ik beschreven heb ook denkbaar is bij een val van de trap. Dat zal tot de zeldzaamheden behoren, verbrijzelingsletsel door een val van de trap of stahoogte. Bij een botsend contact van het hoofd met een vlakke ondergrond ontstaat er een lineaire fractuur. Dat betreft een grillig verlopend fractuur, een barst in die schedel die je met het oog niet kunt zien en aan de buitenkant niet kunt voelen. Als er geen verbrijzeling heeft plaatsgevonden, kun je het niet voelen. Bij een verbrijzelingsbreuk zijn er meerdere losliggende botdelen, verplaatsende botdelen en heb je een minder consistente ondergrond. Als je een fractuur aan de buitenkant voelt, dan is het een verbrijzelingsbreuk, omdat je een lineaire breuk niet voelt. Een verbrijzelingsbreuk is een zeldzaamheid bij een val van de trap”40;

- “ “U vraagt mij of het letsel kan zijn veroorzaakt doordat zij, voordat zij op de vloer terecht is gekomen, met het hoofd op de trapboom is gevallen. Ja, maar dan tot het niveau van een lineaire fractuur. Een impressiefractuur, daar heb je meer energie voor nodig. Dat komt niet voort uit een valsituatie of een huis- tuin- en keukensituatie. Daar is de krachtsinwerking onvoldoende voor. Deskundige Dekker heeft het zelf een verbrijzeling genoemd. Dat wordt onderbouwd door het feit dat je de fractuur voelt. De officier van justitie houdt mij voor dat de deskundige Dekker het letsel niet gek vindt bij een val van de trap en het passend en kloppend noemt. Vanuit mijn werk bij het NFI kijk ik hier anders tegenaan, daar heerst een andere cultuur. Wij hebben veel te maken met slachtoffers van geweld op het hoofd. Mijn rapport is geschaduwd door een neuropatholoog die gespecialiseerd is op het gebied van letsel aan de schedel. Ik laat mijn bevindingen door hem beoordelen en daar wordt wetenschappelijke literatuur voor benaderd. Je ziet dit soort fracturen niet bij huishoudelijke valhoogtes”; 41

- “ “Ik ben niet eens met de conclusie dat het letsel aan de schedel kan zijn veroorzaakt door de val van een trap.”42

Gezien het voren overwogene is de rechtbank van oordeel dat het overlijden van het slachtoffer moet zijn veroorzaakt doordat zij door een derde met kracht met een voorwerp op haar hoofd is geslagen als gevolg waarvan een verbrijzelingsbreuk is ontstaan.

Daarbij overweegt de rechtbank dat zij de conclusies van M.J. van der Scheer, NFI-deskundige forensisch bloedspoorpatroononderzoek, betreffende het bloedspoorpatroononderzoek d.d. 13 mei 2014 niet bij haar oordeel omtrent de doodsoorzaak heeft betrokken. Hij concludeert dat het op de foto’s zichtbare bloedsporenbeeld bij de trap niet duidt op een val dan wel een geweldsaspect op het hoofd. De bloedsporen kunnen wel verklaard worden door onbekende gebeurtenissen in combinatie met een val van de trap of uitgeoefend geweld op het hoofd, dan wel in combinatie met zowel een val als uitgeoefend geweld. Op basis van de op de foto’s zichtbare bloedsporen kan echter geen invulling worden gegeven aan de onbekende gebeurtenissen, met andere woorden kan niet worden vastgesteld wat zich kan hebben afgespeeld.

Aan de bloedsporen die in de voorkamer bij de secretaire, op de Macbook en bij de deur naar de hal zijn aangetroffen kent de rechtbank bij haar beoordeling eveneens geen betekenis toe. Uit het dossier komt naar voren dat het slachtoffer slecht ter been was en regelmatig viel. Verschillende getuigen hebben hierover verklaard. Ook is door verschillende getuigen verklaard dat zij wel eens bloedende wonden had. Zowel dochter [naam dochter 2] als getuige [getuige 3] hebben hierover verklaard. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het zeker niet valt uit te sluiten, niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat de in de voorkamer aangetroffen bloedsporen in verband staan met hetgeen zich op 8 juli 2013 in de woning heeft afgespeeld. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de bloedsporen dusdanig klein waren dat deze niet gemakkelijk met het blote oog konden worden waargenomen. Dit blijkt wel uit het feit dat deze door de politie, die na het aantreffen van het lichaam de woning heeft bekeken, niet zijn waargenomen. De zoon van het slachtoffer, [naam zoon 1], heeft na het overlijden van zijn moeder meermalen de Macbook gebruikt, maar heeft hierop geen bloed waargenomen.

Ook ten aanzien van de overige bij het slachtoffer geconstateerde letsels oordeelt de rechtbank dat, met name ook gelet op de valneigingen die het slachtoffer had, niet met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat deze verband houden met hetgeen op 8 juli 2013 in de woning heeft plaatsgevonden.

Conclusie: Verdachte heeft het overlijden van het slachtoffer veroorzaakt

Naar het oordeel van de rechtbank zijn bovengenoemde feiten en omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd redengevend voor de conclusie dat het verdachte is geweest die het slachtoffer van het leven heeft beroofd door haar opzettelijk met een voorwerp op haar hoofd te slaan. Verdachte was in de periode dat het slachtoffer overleed bij haar in de woning, hij heeft bloedsporen van het slachtoffer op zijn kleding, die blijkens het bloedspoorpatroononderzoek van Van der Scheer passen bij het uitoefenen van geweld in vloeibaar bloed43. Daar komt bij dat kort voor haar overlijden diverse geldbedragen van de rekening van het slachtoffer naar verdachtes rekening zijn overgemaakt, waarvan niet aannemelijk is dat dit vrijwillig door het slachtoffer is gedaan. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verdachte, hoewel daarnaar meermalen gevraagd, geen enkele (aannemelijke) verklaring heeft gegeven voor de belastende feiten en omstandigheden. Enige andere denkbare gang van zaken is door dit stilzwijgen van verdachte niet aannemelijk geworden.

Door het slachtoffer met een hard voorwerp dusdanig hard op het hoofd te slaan dat een verbrijzelingsbreuk is ontstaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou komen te overlijden.

De overtuiging van de rechtbank op basis van de wettige bewijsmiddelen, dat het verdachte is geweest die het slachtoffer van het leven heeft beroofd door haar opzettelijk met een voorwerp op haar hoofd te slaan, is nog eens versterkt door de volgende feiten en omstandigheden.

- Door verdachte is verklaard dat hij al ongeveer twee jaar niet in Zwolle is geweest44, terwijl hij op 8 juli 2013 op de beelden in [straat] is te zien. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring als kennelijk leugenachtig kan worden aangemerkt en door verdachte is afgelegd om de waarheid te verhullen.

- Uit het dossier komt naar voren dat verdachte in een poging om geld van het slachtoffer te verkrijgen, reeds eerder lijkt te zijn overgegaan tot bedreiging met geweld jegens het slachtoffer. Door het slachtoffer werd bij de politie melding gemaakt van het feit dat verdachte op 26 juli 2012 bij haar aan de deur kwam. Hij wilde geld van haar lenen. Toen het slachtoffer aan hem liet weten dat hij geen geld zou krijgen reageerde hij door te zeggen: “U moet me helpen, anders ga ik niet weg voor ik geld heb”. Met moeite wist het slachtoffer verdachte toen te bewegen om weg te gaan. Zij gaf hem nog 50 euro mee voor de trein.45 Voorts heeft het slachtoffer op 23 oktober 2012 aangifte gedaan van bedreiging met een mes door verdachte. Ook toen kwam verdachte bij het slachtoffer aan de deur om geld van haar te lenen. Toen het slachtoffer hem duidelijk maakte dat ze hem echt geen geld meer zou lenen, hield hij een opengeklapt mes in haar richting, aldus de aangifte. Toen het slachtoffer vervolgens om hulp begon te roepen verliet verdachte de woning.46 Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij het slachtoffer kort na de bedreiging heeft gesproken en dat zij behoorlijk was ontdaan.47

- Toen verdachte op 8 juli 2013 bij het slachtoffer aan de deur ging, verkeerde hij in geldnood. Op de ochtend van 8 juli 2013 werd er €38,72 afgeschreven van zijn rekening en het saldo van zijn rekening bedroeg op dat moment nog slechts €15,18. Uit de verklaring van getuige [getuige 5] blijkt dat verdachte op dat moment in ieder geval één schuldeiser dringend moest terugbetalen.48 Kort nadat verdachte het geld van het slachtoffer op 8 juli 2013 op zijn rekening had staan, logde hij om 15.27 uur in op zijn rekening. Tussen 15.46 uur en 15.51 uur nam hij in totaal €8000 op van zijn rekening en tevens verrichtte hij op 8 juli 2013 diverse betalingen aan schuldeisers, onder andere aan voornoemde [getuige 5], maar ook aan twee gerechtsdeurwaarders.49

- Ondanks het feit dat verdachte zo goed als geen geld op zijn rekening had staan informeerde hij op 8 juli 2013 om 10.46 uur wel bij [autobedrijf] naar een Chrysler Voyager die te koop stond.50 Ten behoeve van de aankoop van deze auto deed hij vervolgens op 9 juli 2013 een aanbetaling van €2000.51 Ook heeft verdachte op 2 juli 2013 tegenover getuige [getuige 5] verklaard dat deze voor het einde van de week zijn geld zou ontvangen.52 De rechtbank maakt hier uit op dat verdachte ervan uit leek te gaan dat hij geld zou ontvangen. Dit terwijl er tot 17 juli 2013, met uitzondering van het geld van het slachtoffer, geen bedragen zijn bijgeschreven op de rekening van verdachte.53

Van welk strafbaar feit is sprake geweest?

Op grond van alle boven genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 8 juli 2013 opzettelijk het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. De rechtbank spreekt hem om die reden vrij van het primair ten laste gelegde feit.

Subsidiair is aan verdachte de gekwalificeerde doodslag ten laste gelegd. Daarvoor is vereist dat het geweld dat het overlijden van het slachtoffer heeft veroorzaakt is gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van het afnemen van het geld voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren. Nu echter niet is vast komen te staan op welk moment het dodelijk geweld tegen het slachtoffer is uitgeoefend en of dit vóór dan wel na het overmaken van het geld naar verdachte is gebeurd en ook niet duidelijk is of dit geweld direct tot het overlijden van het slachtoffer heeft geleid, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van hetgeen aan hem subsidiair ten laste is gelegd.

Het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde, doodslag, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Onder 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij het geldbedrag van €18.500 heeft witgewassen door hiervan zijn schulden af te lossen en de Chrysler aan te schaffen. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Zoals hierboven reeds is overwogen heeft het slachtoffer het geldbedrag van €18.500 niet vrijwillig aan verdachte overgemaakt. Hoe verdachte het slachtoffer heeft bewogen om tot overboeking van de geldbedragen over te gaan dan wel aan hem haar inloggegevens te verstrekken is onduidelijk gebleven. Vast staat echter dat van een strafbaar feit sprake moet zijn geweest. Door vervolgens met dit geld zijn schulden af te lossen en een auto aan te schaffen heeft verdachte handelingen verricht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen zich aldus schuldig gemaakt aan witwassen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

meer subsidiair

hij in de periode van 08 juli 2013 tot en met 9 juli 2013 te Zwolle, opzettelijk [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) (met kracht) met een hard voorwerp tegen en/of op het hoofd geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot]) is overleden.

2.

hij in de periode van 08 juli 2013 tot en met 26 augustus 2013, te Apeldoorn en/of elders in Nederland, geldbedragen, te weten

-een aantal geldbedragen (totaal ongeveer voor 18.500,-- euro) afkomstig van een bankrekening van [slachtoffer] ([weduwe van naam echtgenoot])

-een auto (personenauto merk Chrysler/type Voyager met kenteken [kenteken]), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen,

te weten - zakelijk weergegeven - verdachte van het geld afkomstig van de bankrekening van mevrouw [slachtoffer] o.a. voormelde auto heeft gekocht, te weten verdachte teneinde voormelde auto te kopen een geldbedrag van 2000,-- euro (oorspronkelijk afkomstig van de rekening van [slachtoffer]), zijnde de aanbetaling voor die personenauto (merk Chrysler/type Voyager met kenteken [kenteken]) per pintransactie heeft overgemaakt van zijn, verdachtes bankrekening naar de rekening van [autobedrijf] en verdachte een geldbedrag van 1250,-- euro (oorspronkelijk afkomstig van de bankrekening van mevrouw [slachtoffer]) van zijn verdachtes rekening heeft gehaald en (vervolgens) cash heeft betaald naast voormelde aanbetaling aan [autobedrijf] en andere geldbedragen (oorspronkelijk afkomstig van de bankrekening van mevrouw [slachtoffer]) van zijn verdachtes rekening heeft gehaald en heeft gebruikt om schulden die hij had te voldoen, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Van het onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 meer subsidiair: Doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2: Witwassen, strafbaar gesteld bij artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte ter zake het subsidiair ten laste gelegde te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank, in geval zij tot een veroordeling ter zake doodslag zou komen, verzocht om geen hogere gevangenisstraf dan een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 8 juli 2013 mevrouw [slachtoffer], [weduwe van naam echtgenoot], in haar eigen woning om het leven gebracht. Wat er zich die dag exact in de woning heeft afgespeeld kan, mede door het zwijgen van verdachte, niet meer worden gereconstrueerd. Wel staat vast dat verdachte die dag mevrouw [slachtoffer] heeft bewogen om een bedrag van € 18.500,- naar hem over te maken (dan wel haar inlogcodes voor internetbankieren aan hem te verstrekken). Nadat mevrouw [slachtoffer] was overleden, heeft verdachte dit geld gebruikt om schulden af te lossen en een auto aan te schaffen.

Het opzettelijk een ander van het leven beroven behoort tot één van de zwaarste misdrijven die ons Wetboek van Strafrecht kent. Door toedoen van verdachte is op gewelddadige wijze een einde gekomen aan het leven van mevrouw [slachtoffer]. Verdachte heeft niet alleen het slachtoffer haar leven ontnomen, ook heeft hij haar kinderen en kleinkinderen hun moeder en oma ontnomen. Wat voor pijn en verdriet zij doormaken is uit de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van nabestaanden op indringende wijze gebleken.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf als uitgangspunt genomen dat gemiddeld aan een verdachte die wordt veroordeeld wegens doodslag een gevangenisstraf voor de duur van ongeveer tien jaren pleegt te worden opgelegd.

Omtrent de persoon van verdachte is een psychologisch rapport uitgebracht. Doordat verdachte slechts beperkt medewerking aan het onderzoek heeft verleend kon niet worden vastgesteld of verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De rechtbank gaat dan ook uit van een volledig toerekeningsvatbare dader.

De rechtbank stelt vast dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Strafverhogend werkt naar het oordeel van de rechtbank de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Verdachte heeft het slachtoffer €18.500 afhandig gemaakt en haar in haar eigen woning om het leven gebracht. Vervolgens heeft verdachte met het geld van het slachtoffer zijn schulden afbetaald. Het slachtoffer is een oudere dame die juist altijd goed voor verdachte is geweest door hem financiële steun te bieden als hij deze nodig had. Deze goedheid lijkt zich uiteindelijk tegen haar te hebben gekeerd.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren passend en geboden.

BESLAG

De rechtbank is van oordeel dat het op de beslaglijst vermelde voorwerp, te weten de personenauto van het merk Chrysler, type Voyager moet worden verbeurdverklaard, omdat met betrekking tot dit aan verdachte toebehorende voorwerp het onder 2 bewezen verklaarde feit is begaan.

BENADEELDE PARTIJEN

Voor aanvang van de terechtzitting heeft mevrouw [naam dochter 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van €19.206, 34. Deze vordering bestaat voor een bedrag van €476,90 uit de kosten van bedankkaarten en een bedrag van €120 aan postzegels. Voorts vordert zij een bedrag van €109,44 voor reiskosten die zij in verband met de crematie en de voorbereiding daarvan heeft moeten maken. Ten slotte vordert zij het bedrag van €18.500 dat op 8 juli 2013 naar verdachte is overgemaakt.

Tevens heeft [naam zoon 2], daartoe vertegenwoordigd door mevrouw [naam dochter 1], zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van €112, 32 die hij aan reiskosten heeft moeten maken in verband met de crematie en de voorbereiding daarvan.

Ten slotte heeft de heer [naam zoon 1], daartoe vertegenwoordigd door mevrouw [naam dochter 1], een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van €8.631,06. Deze vordering bestaat voor een bedrag van €8.523,06

uit kosten welke hij in verband met de uitvaart van zijn moeder en de afhandeling van haar nalatenschap heeft moeten maken. Tevens vordert hij een bedrag van €108 aan reiskosten.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de benadeelde partij mevrouw [naam dochter 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De opgegeven schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komen op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor vergoeding in aanmerking.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de benadeelde partijen de heer [naam dochter 1] en [naam zoon 2] rechtstreeks schade hebben geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit. De opgegeven schadeposten zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en komen op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108, tweede lid, van het BW voor vergoeding in aanmerking.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partijen zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsommen ten behoeve van de benadeelde partijen.

TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 33a, 36f, 57, 287 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart verbeurd de personenauto van het merk Chrysler, type Voyager.

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij mw. [naam dochter 1], wonende te [adres 3], van een bedrag van €19.206,34, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit werd gepleegd, te weten 8 juli 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€19.206,34 ten behoeve van mevrouw [naam dochter 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 131 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

mevrouw [naam dochter 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij mevrouw [naam dochter 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij de heer [naam zoon 1], wonende te [adres 4], van een bedrag van €8.631,06, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit werd gepleegd, te weten 8 juli 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€8.631,06 ten behoeve van de heer [naam zoon 1] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij de heer [naam zoon 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij de heer [naam zoon 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam zoon 2], wonende te [adres 5], van een bedrag van €112,32, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit werd gepleegd, te weten 8 juli 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€112,32 ten behoeve van [naam zoon 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[naam zoon 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [naam zoon 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en
M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, opgenomen in het dossier “TGO Kuifalk”, doorgenummerd 1 tot en met 1000.

2 p. 140, eerste zes alinea’s en p. 142, eerste vijf alinea’s.

3 p. 141, eerste drie regels en p. 143, eerste alinea.

4 p. 145.

5 p. 136, eerste vijf alinea’s.

6 p. 705, derde en vierde alinea en p. 706, tiende alinea.

7 p. 184, derde alinea.

8 p. 10, zesde alinea.

9 p. 145.

10 p. 669, zevende alinea en p. 695, eerste alinea.

11 p. 19, laatste alinea en p. 157, tweede gedachtestreepje en de foto’s op p. 168-175.

12 p. 157, zesde alinea en de foto’s op p. 168-175.

13 p. 168.

14 Foto’s op p. 165 en 166.

15 p. 76, achtste alinea.

16 p. 782, derde alinea.

17 p. 784.

18 p. 796.

19 p. 21, tweede alinea, p. 174 en de fotomap betreffende het onderzoek aan de Fiat.

20 p. 65, zesde alinea.

21 p. 20, laatste drie regels.

22 p. 290, onder 4 en p. 266-267.

23 p. 60 en p. 187-194.

24 p.122, eerste zin van het antwoord op de laatste vraag op deze pagina.

25 p. 670, antwoord op de vierde vraag op die pagina

26 p. 292 vanaf 10. tot en met p. 293, zesde alinea.

27 p. 287, tweede alinea.

28 p. 860-861.

29 p. 76, zesde alinea

30 Het NFI rapport d.d. 6 december 2013, p. 4, p. 7 vanaf 5.3, p. 8 en p. 31.

31 p. 145.

32 Rapport van D. Botter d.d. 28 november 2013, p.10, conclusie 1.

33 Rapport van D. Botter d.d. 28 november 2013, p. 9 vanaf ad A tot en met de derde alinea van p. 10.

34 p. 718, tiende alinea en p. 728, eerste twee antwoorden onder “1. Bovenop hoofd”.

35 Rapport D. Botter d.d. 28 november 2013 , p. 10, vierde alinea en eerste alinea p. 11.

36 Rapport D. Botter d.d. 28 november 2013, p. 12, derde en vierde alinea.

37 Rapport D. Botter d.d. 28 november 2013, p. 11, eerste alinea.

38 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2014, blad 5, tweede alinea.: Van “Aan de benen” tot en met ‘valneigingen heeft” en blad 7, negende regel.

39 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2014, blad 10, laatste alinea.

40 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2014, blad 9.

41 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2014, blad 10 en 11.

42 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 13 maart 2014, p. 13.

43 Het NFI rapport d.d. 6 december 2013, p. 4, p. 7 vanaf 5.3, p. 8, en p. 31, alsmede p. 24, eerste acht regels van de derde alinea.

44 p. 61, derde en vierde alinea van onderen.

45 p. 15, laatste alinea.

46 p. 133-134.

47 p. 820, derde alinea.

48 p. 759-762.

49 p. 286-288.

50 p. 739, antwoord op de achtste vraag op die pagina.

51 p. 738, achtste alinea en p. 289, tweede alinea.

52 p. 761, tweede alinea.

53 p. 286-290, eerste twee alinea’s.