Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:271

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
Awb 13/2272
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete opgelegd wegens drietal overtredingen van de Meststoffenwet; terecht negatieve saldo van de pluimveetak niet mee genomen; voorts terecht stikstofgebruiksnorm voor tijdelijk grasland toegepast;beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet 1947 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/33 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/2272

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]

gevestigd te Lemelerveld, eiseres,

gemachtigde: mr.drs. C.C. van Harten,

en

De staatssecretaris van Economische zaken,

verweerder.

13/2272

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2012 heeft verweerder aan eiseres bestuurlijke boetes van in totaal

€ 29.610,-- opgelegd wegens een drietal overtredingen van de Meststoffenwet en de daarop gebaseerde regelgeving.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 22 augustus 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard waarbij de opgelegde bestuurlijke boete gewijzigd is vastgesteld op € 1.022,--. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 13 januari 2014 behandeld. Eiseres is verschenen in de persoon van[naam]bijgestaan door gemachtigde Van Harten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Raven.

Overwegingen

1.

Kern van geschil is de vraag of de bestuurlijke boete van in totaal € 1.022,-- die

verweerder aan eiseres heeft opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet en de daarop gebaseerde regelgeving in rechte in stand kunnen blijven.

2.

Eiseres exploiteert op het perceel [adres] Lemelerveld een melkrundveehouderij

annex pluimveehouderij. Op 9 december 2011 heeft verweerder eiseres meegedeeld, dat

in 2010 drie overtredingen zijn vastgesteld. In de eerste plaats is de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 17.108 kg stikstof overschreden. Verder is de stikstofgebruiksnorm met 6.997 kg overschreden en de fosfaatgebruiksnorm met 5.187 kg. In verband hiermee heeft verweerder het voornemen geuit bestuurlijke boetes op te leggen van in totaal € 172.774,--.

Naar aanleiding van de door eiseres ingediende zienswijze en de door eiseres verstrekte nadere informatie heeft verweerder bij het primaire besluit van 7 maart 2012 de overtreding nader vastgesteld op een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 3.959 kg stikstof, een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 410 kg en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 84 kg. In verband hiermee heeft verweerder de bestuurlijke boete nader vastgesteld op totaal € 29.610,--.

Het door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 22 juli 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het boetebedrag voor de overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen is alsnog op nihil vastgesteld en het boetebedrag voor de overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm is komen te vervallen. Het boetebedrag voor de overschrijding van de stikstofgebruiksnorm is ongewijzigd vastgesteld op € 1.435,--. Tenslotte heeft verweerder, naar aanleiding van een e-mailbericht van eiseres, bij besluit van 22 augustus 2013 het besluit van 22 juli 2013 ingetrokken en opnieuw op de door eiseres ingediende bezwaren beslist. Daarbij is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het boetebedrag voor de overschrijding van de stikstofgebruiksnorm gewijzigd vastgesteld op € 1.022,--.

3.1

In beroep voert eiseres ten eerste aan dat verweerder bij de berekening van het overschot

aan fosfaat en stikstof ook het negatieve saldo van de pluimveetak in de berekening mee moest nemen, omdat op grond van het bepaalde in artikel 12 van de Meststoffenwet, naar het gehele bedrijf moet worden gekeken.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 7 van de Meststoffenwet is het verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen.

Op grond van artikel 8 van de Meststoffenwet geldt het in artikel 7 gestelde verbod niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt:

a. de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen;

b. de stikstofgebruiksnorm voor meststoffen;

c. de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen.

In artikel 12 van de Meststoffenwet, zoals die destijds gold, is bepaald:

1.

Voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onderdeel a, wordt de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid meststoffen bepaald door bij elkaar op te tellen de in het desbetreffende jaar op het bedrijf geproduceerde, aangevoerde en per saldo uit opslag gekomen hoeveelheden dierlijke meststoffen, en de uitkomst te verminderen met de in dat jaar van het bedrijf afgevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen. De hoeveelheden worden uitgedrukt in kilogrammen stikstof.

2.

Voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onderdeel b, wordt de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid meststoffen bepaald overeenkomstig het eerste lid, met dien verstande dat niet alleen dierlijke meststoffen maar ook andere meststoffen in aanmerking worden genomen.

3.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bij de bepaling van de in het tweede lid bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid stikstof in dierlijke meststoffen of in andere, bij de regeling omschreven organische meststoffen slechts voor een bij de regeling bepaald percentage in aanmerking wordt genomen. Het percentage kan al naar gelang de aard van de meststoffen, de periode waarin zij op of in de bodem worden gebracht en de daarbij toegepaste landbouwpraktijk en al naar gelang er sprake is van kleigrond, veengrond, of zand- of lössgrond, dan wel van bouwland of grasland, verschillend worden vastgesteld.

4.

Voor de toepassing van artikel 8, onderdeel c, wordt de op of in de bodem gebrachte hoeveelheid meststoffen bepaald overeenkomstig het tweede lid in samenhang met het eerste lid, met dien verstande dat de hoeveelheden meststoffen steeds worden uitgedrukt in kilogrammen fosfaat.

5.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bij de bepaling van de in het vierde lid bedoelde hoeveelheid meststoffen de hoeveelheid fosfaat in bij de regeling omschreven organische meststoffen slechts voor een bij de regeling bepaald deel in aanmerking wordt genomen. Dit deel kan al naar gelang de aard van de meststoffen verschillend worden vastgesteld.

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 12 van de Meststoffenwet de hoeveelheid

op of in de bodem gebrachte stikstof of fosfaat op jaarbasis wordt berekend op basis van de productie, de aan- en afvoer van dierlijke mest en het voorraadsaldo van het gehele bedrijf, derhalve inclusief de pluimveetak. Voor zover eiseres evenwel stelt dat ook het negatieve saldo van de pluimveetak in de berekening moest worden meegenomen, volgt de rechtbank dit niet. Praktisch gezien is het, zoals verweerder terecht stelt, immers onmogelijk om een negatieve hoeveelheid fosfaat en stikstof op of in de bodem te brengen. Naar van de zijde van eiseres niet is bestreden wordt de geproduceerde kippenmest feitelijk ook volledig van het bedrijf afgevoerd. Indien er geen mest van de pluimveetak op of in de bodem wordt gebracht, bedraagt de aangewende hoeveelheid uit die bedrijfstak dan ook 0 kg. Verweerder heeft bij de op grond van artikel 12 van de Meststoffenwet uitgevoerde berekening, dan ook op juiste wijze rekening gehouden met de pluimveetak. Verweerder wijst er voorts terecht op dat deze berekeningswijze reeds sinds 1 januari 2006 wordt gehanteerd en, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 oktober 2012, nr. ALM 12/590, via een in december verspreidde Nieuwsbrief en middels berichtgeving op de site van het LNV-loket, voldoende is gecommuniceerd naar de agrariërs.

3.2

Voorts stelt eiseres dat verweerder bij de berekeningen van de hoeveelheid meststoffen

voor 2,4 ha grasland, welke van 20 mei 2010 tot 8 april 2011 feitelijk in gebruik is geweest bij de Gasunie, ten onrechte uitgaat van “tijdelijke grasland” waarbij een stikstofgebruiks-norm van 90 kg per hectare geldt, in plaats van “permanent grasland” in welk geval een norm van 320 kg per hectare geldt. In dat verband wijst eiseres er op dat die 2,4 ha weliswaar vanaf 20 mei 2010 in gebruik is afgestaan aan de Gasunie, maar dat deze op de peildatum 15 mei 2010 in gebruik was bij de maatschap als “permanent grasland”. Tevens zou van de zijde van de het LNV-loket op vragen van de Gasunie zijn bevestigd dat wordt uitgegaan van de situatie op de peildatum, 15 mei 2010.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de peildatum van 15 mei op grond van artikel 23 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet van belang is voor de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond in enig kalenderjaar, maar dat de beteelde oppervlakte landbouwgrond op grond van het derde lid van dat artikel onder andere wordt onderscheiden naar de geteelde gewassen en de toegepaste landbouwpraktijk. Blijkens bijlage A bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet wordt bij de bepaling van de stikstofgebruiksnormen behorende bij de artikelen 28 en 28a van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet onderscheid gemaakt tussen grasland en tijdelijk grasland. Naar van de zijde van verweerder is aangegeven wordt bij de bepaling van de stikstofnorm voor grasland uitgegaan van grasland dat het gehele groeiseizoen grasland is, met inbegrip van eventuele herinzaai. Indien het grasland, zoals in het onderhavige geval, wordt gescheurd, beschadigd en als werkstrook door de Gasunie in gebruik wordt genomen, kan voor dat grasland slechts een beperkt deel van deze stikstofnorm gelden. Nu de werkstrook op 20 mei 2010 in gebruik is gegeven aan de Gasunie en eerst op 8 april 2011 weer ingezaaid is opgeleverd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat moet worden gerekend met

de stikstofnorm voor tijdelijk grasland van 1 januari 2010 tot minstens 15 mei 2010, zijnde 90 kg stikstof per hectare.

De stelling van eiseres dat zij een gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen aan de hier voor vermelde door het LNV-loket aan de Gasunie gedane mededeling, volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten dat deze mededeling aan de Gasunie en niet aan eiseres zelf is gedaan, is de rechtbank van oordeel dat de regelgeving, zoals hier voor is aangegeven, op dit punt duidelijk is, zodat er geen misverstand over kon bestaan dat de stikstofgebruiksnorm voor tijdelijk grasland diende te worden toegepast en de door eiseres ingebrachte email van het LNV-loket ook niet eenduidig en ongeclausuleerd aangeeft dat in dit geval uitgegaan zou mogen worden van permanent grasland.

3.3

Tenslotte stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte voorbijgaat aan de door de maatschap aangedragen gegevens voor de herberekening van de eindvoorraad graasdierenmest. Eiseres meent dat dat de eindvoorraad graasdierenmest met 0.1 kg stikstof per ton moet worden verhoogd, in welk geval de gebruiksnormen niet zouden zijn overschreden.

In dat verband heeft verweerder er terecht op gewezen dat op grond van vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven de materiële bewijslast ten aanzien van

de naleving van de gebruiksnormen primair bij de landbouwer ligt. Deze moet aannemelijk maken dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden. In principe kan worden aangesloten

bij de resultaten van de bemonstering en analyse die al plaatsvindt bij de aan- en afvoer

van vrachten dierlijke en ander organische meststoffen. Het is daarbij aan de eiseres om in specifieke situaties op basis van goed onderbouwde gegevens aannemelijk te maken dat en in hoeverre deze benaderingswijze niet voldoet voor de bepaling van het voorraadsaldo op haar bedrijf. Indien geen (bemonsterde) afvoer van meststoffen heeft plaatsgevonden, volstaat een forfaitaire benadering. In dat geval moet voor mestcode 14 (drijfmest van rundvee) een stikstofgehalte van 4,2 kg per ton worden aangehouden. Verweerder wijst er op dat het gemiddelde stikstofgehalte in de afgevoerde drijfmest van het rundvee van het bedrijf in 2009 4,5 kg stikstof per ton was, in 2010 4,2 kg en in 2011 3,78 kg per ton, en dat voor de opgave over 2010 werd uitgegaan van 4,5 kg per ton. Daarbij is al van een hoger gehalte uitgegaan dan door de wetgever op grond van de best beschikbare gegevens is voorgeschreven.

Nadat eiseres bij haar zienswijze heeft aangegeven dat fosfaat in de opslag bezinkt en stikstof vervluchtigt, zodat de gehalten fosfaat en stikstof in de mestopslag op enig moment hoger is dan bij het uitrijden van mest, is zelfs een stikstofgehalte van 5 kg per ton aannemelijk is geacht.

De stelling van eiseres dat dit nogmaals met 0.1 kg per ton zou moeten worden verhoogd is op geen enkele wijze onderbouwd. Door eiseres is slechts gesteld dat in dat geval geen sprake is van een overschrijding van de gebruiksnorm. Verweerder kon zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook op het standpunt stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de eindvoorraad graasdierenmest nogmaals met 0,1 kg per ton moet worden verhoogd.

4.

Het bestreden besluit kan derhalve in stand worden gelaten en het beroep is daarom

ongegrond.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, en door hem en M.W. Hulsman als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.