Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:263

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
C/08/149826 / KG ZA 13-462
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Gezamenlijke woning staat al vanaf 2011 te koop. De vrouw heeft het zelfstandige verzoek gedaan om het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te verkrijgen. De man verwacht dat de vrouw daarmee de verkoop frustreert en vordert in kort geding dat de vrouw dient mee te werken aan verkoop en levering van de voormalig echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/149826 / KG ZA 13-462

datum vonnis: 17 januari 2014 (akg)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. Stoel te Dronten,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.J. Speijdel te Enschede.

Het procesverloop

De man heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 10 januari 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. De standpunten zijn toegelicht. Mr. Speijdel heeft het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1.

In deze zaak staat het navolgende vast.

Partijen zijn op [2008] te De Lutte (gemeente Losser) met elkaar gehuwd.

Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig (zaaknummer 141657 ES RK

13-1437), waarin de behandeling is gepland op 13 januari a.s.

Partijen hebben in gezamenlijk eigendom de voormalig echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [plaats]. Deze woning staat sinds december 2011 te koop.

2.

In september 2013 is een bod uitgebracht op de voormalig echtelijke woning van

€ 177.000,=. De ING Bank NV, de hypotheekneemster, en de man konden instemmen met dit bod maar de vrouw heeft dit bod geweigerd. In november 2013 is een nieuw voorstel om de vraagprijs van de woning te verlagen door de vrouw afgewezen. In het kader van de echtscheidingsprocedure heeft de vrouw op 14 november 2013 het voortgezet gebruik van de echtelijke woning verzocht. De man verzet zich tegen het gebruik en het betrekken door de vrouw en de minderjarige van partijen van de echtelijke woning, omdat hij vreest dat de vrouw in die situatie niet zal meewerken aan het verkopen van de woning. De man heeft belang bij een snelle verkoop van de woning wegens de lasten die de man voor zijn rekening neemt: in totaal € 1.225,= per maand aan (bruto) hypotheekrente en daarnaast de energie-, onderhouds- en verzekeringslasten.

De man vordert in kort geding dat de vrouw dient mee te werken aan verkoop en levering van de woning aan de [adres] te [plaats] en dat de vrouw daarbij alle redelijkerwijs noodzakelijke medewerking dient te verlenen aan de man, de bank, de makelaar en de notaris en de adviezen op te volgen van de bank, de makelaar en/of de notaris, waaronder verlaging van de vraagprijs tot € 177.500,=. Daarnaast dient het de vrouw verboden te worden om de woning aan de [adres] te [plaats] te (gaan) betreden, te (gaan) betrekken en te (gaan) gebruiken dan wel subsidiair te (gaan) betrekken en te (gaan) gebruiken. De man vordert verder verbeurte van een dwangsom van

€ 250,= per dag dat de vrouw in gebreke blijft aan de voormelde twee vorderingen te voldoen, zulks met een maximum van € 10.000,=. Daarnaast dient de vrouw in de kosten van deze procedure te worden veroordeeld.

3.

De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw stelt dat niet alleen het verlagen van de vraagprijs de verkoop van de woning kan stimuleren maar ook het feit dat de bewoonde woning wordt opgenomen in de open huis route, hetgeen thans niet het geval is. De sfeer van een bewoonde woning zou in dat verband van positieve invloed kunnen zijn op de verkoop. Gelet op het voorgaande heeft zij in de echtscheidingsprocedure een aanvullend zelfstandig verzoek gedaan met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. In de door de vrouw gewenste situatie dat de man de woonlasten van de echtelijke woning blijft voldoen, brengt dit voor de vrouw verlaging van haar maandlasten met zich.

4.

De voorzieningenrechter oordeelt in deze als volgt. Vast staat dat de woning op dit moment door geen van partijen wordt bewoond zodat beide partijen belang hebben belang bij een spoedige verkoop van de woning. Voor een spoedige verkoop van een woning zijn diverse omstandigheden van belang, waaronder een (marktconforme) prijs, de sfeer van de woning en de ligging van de woning.

Ter zitting is gebleken dat partijen het eens zijn over een nieuwe verlaging van de vraagprijs van de woning naar € 179.500,= k.k. op het moment dat de onderhandelingen met de potentiele koper waarmee partijen thans in gesprek zijn, niet tot het gewenste resultaat leiden.

Gelet op de betwisting door de man is door de vrouw onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat een terugkeer van de vrouw met de minderjarige [X] in de woning tot een snellere verkoop van de woning zou leiden in vergelijking met de huidige situatie waarin de woning niet wordt bewoond. Het is een feit van algemene bekendheid dat de huizenmarkt het in de afgelopen jaren zwaar te verduren heeft gehad. Toch is gebleken dat er in ieder geval in 2013, in een periode van leegstand, wel regelmatige belangstelling voor het huis is geweest. Dat de woning toen niet is verkocht omdat de woning niet was bewoond, is niet gesteld of gebleken.

Dat de financiële lasten van de vrouw lager worden, is een stelling van de vrouw die naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens moet worden gepasseerd. Gebleken is immers dat de man niet bereid is om de woonlasten en de overige lasten van de woning voor zijn rekening te blijven nemen in de situatie dat de vrouw in de woning zou terugkeren, zodat in dat geval deze lasten voor rekening van de vrouw dienen te komen. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat de netto hypotheeklast voor haar € 650,= per maand zou gaan bedragen hetgeen fors hoger is dan de door de man in de dagvaarding gestelde huurlasten die zij op dit moment heeft en die door de vrouw niet zijn weersproken.

Op grond van het voorgaande blijkt de voorzieningenrechter niet van een redelijk belang voor de vrouw bij een terugkeer in de voormalig echtelijke woning. Daarnaast constateert de voorzieningenrechter dat namens de vrouw geen reconventionele vordering is ingediend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen van de man toegewezen moeten worden, zij het met enige aanpassingen. Ter zitting is immers gebleken dat partijen overeenstemming hebben over de nieuwe vraagprijs van de woning van € 179.500,= k.k. Op basis van deze overeenstemming wordt de toewijzing van de vordering onder I. gewijzigd wat betreft de gevorderde vraagprijs. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de medewerking van de vrouw mag worden verlangd voor zover de verkoopprijs overeenkomt dan wel nagenoeg overeenkomt met de hiervoor genoemde vraagprijs. Dat de vrouw de adviezen van de makelaar en/of notaris dient op te volgen, wordt afgewezen, nu dit deel van de vordering te onbepaald is.

5.

Nu partijen echtelieden zijn, zal de voorzieningenrechter bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Beveelt de vrouw om mee te werken aan de verkoop en levering van de in gemeen-schappelijk eigendom zijnde woning aan de [adres] te [plaats] in het geval een verkoopprijs wordt gerealiseerd die overeenkomt met of nagenoeg gelijk is aan de ter zitting overeengekomen vraagprijs van € 179.500,= (k.k.) en daarbij dient de vrouw alle redelijkerwijs noodzakelijke medewerking te verlenen aan de makelaar en de notaris.

II. Verbiedt de vrouw de woning aan de [adres] te [plaats] te (gaan) betrekken en te (gaan) gebruiken.

III. Veroordeelt de vrouw om aan de man te voldoen tegen behoorlijk bewijs van kwijting een dwangsom van € 250,= per dag dat de vrouw in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen onder I. en II. is bepaald, zulks met een maximum van € 10.000,=.

IV. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

V. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.