Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2602

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
C/08/155125 / KG ZA 14-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van een voorschot op de vergoeding voor verrichte werkzaamheden. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van € 10.000,- aan eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/155125 / KG ZA 14-153

Vonnis in kort geding van 15 mei 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. O.C.A. Millaard te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING LANDSTEDE,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. J.S.C. Liebrand-Bos te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en Landstede worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door Landstede overgelegde producties 1 tot en met 6 ontvangen per e-mail d.d. 1 mei 2014 alsmede de door Landstede overgelegde ondertekende productie 1 en productie 7 ontvangen per e-mail d.d. 1 mei 2014

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser] en overgelegde productie 13

  • -

    de pleitnota van Landstede.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is, deels in privé, deels middels zijn eenmanszaak [eenmanszaak], gedurende een periode van in ieder geval tien jaar directeur geweest van de Internationale School Eerde (hierna: ISE).

2.2.

ISE is onderdeel van Landstede. De heren [lid college van bestuur 1] (hierna: [lid college van bestuur 1]) en [lid college van bestuur 2] (hierna: [lid college van bestuur 2]) zijn leden van het College van Bestuur van zowel Landstede als ISE.

2.3.

Tussen partijen is overeengekomen dat [eiser] per 1 mei 2012 zou terugtreden als directeur van ISE, terwijl hij vanaf dat moment werkzaamheden zou gaan verrichten als “Gedelegeerd Commissaris”. Onderdeel van de werkzaamheden was dat [eiser] de twee nieuwe directeuren, de heer [nieuwe directeur 1] (hierna: [nieuwe directeur 1]) en mevrouw [nieuwe directeur 2] (hierna: [nieuwe directeur 2]), zou inwerken.

In de bijlage bij productie 1 van de zijde van Landstede zijn de volgende werkzaamheden opgenomen:

“Voorstel taakafbakening directie Eerde en bestuur/toezicht Eerde

[eiser]

Overdracht

-het zorgdragen voor de overdracht van financiën, binnen circa 3 maanden

-het zorgdragen voor de overdracht van de contacten met de buitenlandse agenten en andere relevante contacten voor leerlingenwerving, binnen circa 6 maanden

Het zorgdragen voor de overdracht van contacten met de IB organisatie en accreditatie organisaties zoals ECIS en de organisatie van principals van IB scholen, binnen circa 6 maanden

Blijvend

-Voeren van voortgangsgesprekken met de directie, gezamenlijk met CvB Landstede (i.c. [lid college van bestuur 1] en [lid college van bestuur 2])

Voor de laatste activiteit is een flexplek beschikbaar op het Rechterland. Er is geen werkplek voorzien binnen ISE.”

2.4.

[eiser] heeft een declaratie gestuurd aan Landstede, gedateerd 27 mei 2013, waarop het volgende staat vermeld:

“Declaratie: gedelegeerd commissaris

Inzake: International School Eerde

Periode: 1 mei – 31 oktober 2013

Gewerkte uren: 620

Honorarium: 620 uur x euro 110 68200,-

BTW; 21% 14322,-

------------------

82522,-”

2.5.

Landstede heeft de declaratie niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Landstede tot betaling van een voorschot op de vergoeding voor de werkzaamheden als Gedelegeerd Commissaris over de periode van 1 mei tot en met 31 oktober 2012 van € 50.000,-, althans een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, binnen een week na betekening van dit vonnis, met veroordeling van Landstede in de kosten van deze procedure.

3.2.

Landstede voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.2.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat hij na 1 mei 2012 is aangesteld als Gedelegeerd Commissaris door Landstede maar feitelijk weer de rol van operationeel directeur bij ISE heeft uitgevoerd, aangezien er afstemmingsproblemen waren tussen [nieuwe directeur 1] en [nieuwe directeur 2], zij hun vakantie al hadden gepland en [nieuwe directeur 1] ziek werd. Dit was ook bekend bij het College van Bestuur. In de praktijk betekende deze gang van zaken dat [eiser] dagelijks aanwezig was en feitelijk volle werkweken heeft verricht. Bij een werkweek van 40 uur leidt dat tot ca. 1.080 uur, maar in werkelijkheid was het nog meer omdat het werk niet beperkt bleef tot 40 uur per week. [eiser] heeft 620 uur gedeclareerd. Op de declaratie staat per abuis als periode vermeld 1 mei – 31 oktober 2013. Dit moet 2012 zijn, aldus [eiser].

4.3.

Landstede heeft zich vooreerst op het standpunt gesteld dat [eiser] de verkeerde stichting in rechte heeft betrokken. Landstede heeft [eiser] geen opdracht verstrekt voor de gestelde werkzaamheden. [eiser] stelt zelf dat hij werkzaamheden voor ISE heeft verricht, aldus Landstede.

4.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat Landstede in deze de wederpartij van [eiser] is. Zoals [eiser] ook heeft aangevoerd, heeft de inhoudelijke correspondentie over de betaling van de factuur plaatsgevonden met [lid college van bestuur 2], die namens het College van Bestuur van Landstede en op briefpapier van Landstede heeft gereageerd. Dat Landstede in de brief d.d. 18 februari 2014 aangeeft dat zij [eiser] geen opdracht heeft gegeven werkzaamheden als Gedelegeerd Commissaris te verrichten doet hier niet aan af, nu Landstede in de brief d.d. 26 april 2012 aan derden juist heeft medegedeeld dat [eiser] als Gedelegeerd Commissaris bij Landstede zal worden aangesteld. In zijn algemeenheid geldt dat zowel in de brief d.d. 29 januari 2014 als in de brief d.d. 18 februari 2014 door Landstede geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen ISE en Landstede en dat beide rechtspersonen door elkaar worden gebruikt. Voorafgaand aan dit kort geding is door Landstede voorts nimmer aangegeven dat zij zich op het standpunt stelt dat [eiser] de verkeerde partij aansprak. Verder ligt het op de weg van Landstede om verwarring te voorkomen door duidelijk te maken namens wie de leden van het College van Bestuur optreden, aangezien zij lid zijn van het College van Bestuur van zowel Landstede als ISE.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] na 1 mei 2012 werkzaamheden zou gaan verrichten als Gedelegeerd Commissaris (in dit kader zij verwezen naar de brief d.d. 26 april 2012, de verklaring van [lid college van bestuur 1] d.d. 29 april 2014 (productie 1 van de zijde van Landstede) en de pleitnota van Landstede). Partijen verschillen weliswaar over de inhoud van de werkzaamheden, maar Landstede erkent door overlegging van de verklaring van [lid college van bestuur 1] en de daarbij horende bijlage dat [eiser], ook voor langere tijd, werkzaamheden zou verrichten.

4.6.

Waar partijen wel over verschillen is de vraag of [eiser] voor deze werkzaamheden al dan niet betaald zou krijgen.

Landstede heeft ter zitting aangevoerd dat voor de werkzaamheden na het terugtreden van [eiser] als directeur niet is afgesproken dat hij daarvoor een vergoeding zou krijgen. Landstede heeft [eiser] met de constructie van Gedelegeerd Commissaris de mogelijkheid gegeven zich zonder gezichtsverlies en op onopvallende wijze terug te trekken, aldus Landstede.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat tussen partijen in het geheel niet is gesproken over het al dan niet vergoeden van de werkzaamheden. Hoewel Landstede heeft aangevoerd dat, zo begrijpt de voorzieningenrechter, is afgesproken dat [eiser] niet betaald zou krijgen voor de werkzaamheden na 1 mei 2012, blijkt dit niet uit de door haar overgelegde verklaring van [lid college van bestuur 1] (productie 1). [lid college van bestuur 1] verklaart over dit punt het volgende:

“Ten aanzien van de vergoedingen kan ik melden dat we met dhr. [eiser] geen vergoeding hebben afgesproken voor de periode na zijn terugtreden. Dit was ook niet opportuun gezien de gangbare praktijk. Dit moet worden geplaatst in de context van het belang van dhr. [eiser] om zich langzaam en onopvallend terug te kunnen trekken. In het verlengde van dit perspectief leef ik in de veronderstelling dat declareren voor overdrachtsacties niet aan de orde zijn.”

Uit de door [lid college van bestuur 1] gebruikte formulering “leef ik in de veronderstelling” in samenhang met de eerder gebruikte formulering “geen vergoeding hebben afgesproken” volgt dat tussen partijen niet is afgesproken dat [eiser] in het geheel geen vergoeding voor de werkzaamheden zou krijgen. [lid college van bestuur 1] was echter niet ter zitting aanwezig om dit punt te verduidelijken.

Ook [eiser] heeft aangevoerd dat er niet is gesproken over (de hoogte van) een vergoeding.

Uit het vorenstaande volgt dan ook dat niet is gesproken over (de hoogte van) een vergoeding. Hieruit volgt evenwel niet zonder meer dat dus kan worden aangenomen dat [eiser] in het geheel geen vergoeding zou ontvangen voor zijn werkzaamheden na 1 mei 2012, zulks mede gelet op de voorgeschiedenis waarin [eiser] zowel uit arbeidsovereenkomst als uit overeenkomst van opdracht betaalde werkzaamheden als directeur heeft uitgevoerd. Aangezien Landstede [eiser] (in ieder geval) opdracht heeft gegeven om als Gedelegeerd Commissaris de werkzaamheden als omschreven op de bijlage behorende bij de verklaring van [lid college van bestuur 1] te verrichten, is Landstede - in geval [eiser] daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht - een redelijk loon verschuldigd. Gelet op het in het verleden gehanteerde loon van € 110,-- exclusief btw per uur, acht de voorzieningenrechter dit een redelijk loon. Indien Landstede had gewild dat [eiser] de onderhavige werkzaamheden onbezoldigd zou verrichten, had het op haar weg gelegen daarover duidelijke afspraken te maken. Gesteld noch gebleken is dat zulks het geval is geweest.

4.7.

De omvang van de werkzaamheden zijn, gezien de betwisting door Landstede, niet (voldoende) inzichtelijk gemaakt door [eiser]. Van [eiser] had een nadere onderbouwing/specificatie van de door hem gemaakte uren verwacht mogen worden. Nu evenwel erkend wordt door Landstede dat er wel werkzaamheden door [eiser] zijn verricht, acht de voorzieningenrechter een voorschot van € 10.000,- (inclusief BTW) redelijk, zodat dit bedrag zal worden toegewezen. Daarbij wordt overwogen dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij betaling van een voorschot, nu het gaat om werkzaamheden die twee jaar geleden zijn aangevangen en hij de vergoeding daarvan nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Landstede heeft niet voldoende grond aangevoerd voor een restitutierisico met haar enkele stelling dat [eiser] het voorschot niet kan terugbetalen als de vordering ongegrond mocht blijken te zijn omdat hij het voorschot nodig heeft voor zijn levensonderhoud. Bovendien heeft [eiser] aangevoerd dat hij weliswaar niet over liquiditeiten beschikt, maar wel over vermogen. Bij de in 4.1 genoemde belangenafweging dient het belang van [eiser] bij toewijzing van de vordering zwaarder te wegen dan het belang van Landstede bij afwijzing daarvan. Hieraan doet niet af dat Landstede stelt een onbetwiste vordering op [eiser] te hebben, nu geen reconventionele vordering door Landstede is ingesteld en de gestelde vordering van Landstede ter zitting in het geheel niet aan de orde is gekomen, zodat de gegrondheid van die vordering voor de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk is.

4.8.

Landstede zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de voorzieningenrechter de proceskosten aan de zijde van [eiser] – voor wat betreft het salaris advocaat – op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 100,33

- griffierecht 868,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal € 1.872,33

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Landstede om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.000,- (tienduizend euro),

5.2.

veroordeelt Landstede in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.872,33,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken door

mr. T.R. Hidma op 15 mei 2014.