Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2446

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
08.955562-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte wegens schennispleging tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uren. Als bijzondere voorwaarde stelt de rechtbank onder meer dat verdachte zich moet laten behandelen voor de gediagnosticeerde psychische- en/of zedenproblematiek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Sector Strafrecht - meervoudige kamer

Parketnummer: 08.955562-13 (P)

Uitspraak: 8 mei 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 24 april 2014 te Zwolle, waarbij de verdachte is verschenen. Als officier van justitie was aanwezig mr. A.M. Tromp.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 29 juni 2013 te Raalte zich (telkens) opzettelijk oneerbaar op of aan één of meer plaats(en), voor het openbaar verkeer bestemd, te weten de Burgemeester Kerssemakersstraat en/of de Klompstraat, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden,

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 29 juni 2013 te Raalte zich (telkens) opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten als bestuurder gezeten in een personenauto (v.v.k. [kenteken]), met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijns ondanks tegenwoordig was/waren.

2. hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te Raalte zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten de Hofstedelaan, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 13 oktober 2012 te Raalte zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten als bestuurder gezeten in een personenauto (v.v.k. [kenteken]), met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden, terwijl daarbij [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zijns ondanks tegenwoordig was/waren.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Inleiding

Op zaterdag 29 juni 2013 omstreeks 20.45 uur kwam bij de politie de melding binnen dat er kort daarvoor een schennispleging had plaatsgevonden nabij de Burgemeester Kerssemakerstraat te Raalte. Verbalisanten zijn hierop naar de meldster gereden. De twaalfjarige [slachtoffer 1] en dertienjarige [slachtoffer 2] vertellen de verbalisanten dat zij die avond om ongeveer 19.50 uur fietsten op de Burgemeester Kerssemakerstraat te Raalte. Er kwam toen tot twee maal toe een man in een auto stapvoets naast hen rijden. De bestuurder had zijn geslachtsdeel in zijn hand en was zich aan het aftrekken.

De meisjes hebben het kenteken van de auto genoteerd. Via dit kenteken komen de verbalisanten bij verdachte terecht en hij wordt diezelfde avond omstreeks 21.30 uur aangehouden.

Het onder 1 ten laste gelegde betreft de (verdenking van) schennispleging op 29 juni 2013. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat dit de vierde keer is dat hij iets dergelijks heeft gedaan. De momenten dat iets dergelijks zou zijn gebeurd waren soortgelijke situaties als hetgeen op 29 juni 2013 heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van die verklaring is de politie op zoek gegaan naar aangiftes en meldingen van schennisplegingen die zouden kunnen passen bij die verklaring. Dat heeft geresulteerd in de onder 2 ten laste gelegde (verdenking van) schennispleging op 13 oktober 2012.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bekend dat hij twee maal naast de meisjes is gaan rijden en daarbij zijn geslachtsdeel uit zijn broek heeft gehaald en aftrekkende bewegingen heeft gemaakt.
Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij zich de concrete situatie, zoals de aangevers het beschrijven, niet kan herinneren. Hij heeft weliswaar bij de politie verklaard dat het zou kunnen dat hij de schennispleging heeft gepleegd, maar dat was onder meer ingegeven door de plek waar de schennispleging zou zijn gepleegd. Hij blijft bij zijn verklaring dat hij nooit is gestopt met zijn auto en nooit meisjes heeft aangesproken.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld. Van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd. Verdachte heeft weliswaar bekend dat hij eerder zijn geslachtsdeel aan meisjes heeft getoond, maar het is onvoldoende duidelijk of het ook verdachte was die het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Het oordeel van de rechtbank1

T.a.v. feit 1

De rechtbank is van oordeel dat het aan verdachte onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Nu verdachte ter terechtzitting van 24 april 2014 het onder 1 ten laste gelegde feit heeft bekend, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar:

- De aangifte van aangeefster [slachtoffer 1] 2;

- De verklaring van getuige [slachtoffer 2] 3;

- De bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 april 20144.

T.a.v. feit 2

Op 13 oktober 2012 werd door de elfjarige [slachtoffer 3] aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat toen zij samen met haar vriendinnetje [slachtoffer 4] over de Hofstedelaan in Raalte fietste een man in een auto naast hen stopte. Hij zei hen gedag en ze zag dat de man zijn geslachtsdeel buiten zijn broek had hangen en dat hij deze vasthad. De twaalfjarige [slachtoffer 4] heeft ook een verklaring afgelegd. Zij heeft ook verklaard dat er een man naast hen reed en stopte, maar heeft zelf niet gezien dat hij met zijn geslachtsdeel aan het spelen was, dit had [slachtoffer 3] haar verteld. Door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is een signalement gegeven van de man.

De rechtbank overweegt dat verdachte in het signalement past, zoals [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dit van de man geven. Het betreft echter een weinig specifiek en juist vrij algemeen signalement. Ook op grond van andere concrete feiten en omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat verdachte degene moet zijn geweest die op 13 oktober 2012 zijn geslachtsdeel aan [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft laten zien. De vrij algemene verklaring van verdachte bij de politie dat “het zou kunnen” dat hij de schennispleging heeft gepleegd, acht de rechtbank onvoldoende overtuigend mede ook gelet op de verklaring van verdachte dat die verklaring werd ingegeven door de plek waar de schennispleging zou zijn gepleegd. Het betrof een plek waar verdachte wel eens kwam. Nu verdachte bovendien – zowel bij de politie als ter terechtzitting – heeft verklaard dat hij nooit de betreffende meisjes heeft aangesproken, hetgeen niet strookt met hetgeen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] over de situatie hebben verklaard, en verdachte zich de door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] omschreven concrete situatie niet kan herinneren, is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op meerdere tijdstippen op 29 juni 2013 te Raalte zich (telkens) opzettelijk oneerbaar op plaatsen, voor het openbaar verkeer bestemd, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.

Van het onder 1 primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezenverklaarde levert op:

Schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schennispleging, door op 29 juni 2013 aan twee meiden van twaalf en dertien jaar oud tot twee keer toe zijn geslachtsdeel te laten zien. Twee jonge meisjes zijn hierdoor op onaangename wijze onverhoeds geconfronteerd met een persoon die exhibitioneert. De meisjes verklaren dat ze erg geschrokken zijn en dat ze bang waren dat verdachte een kinderlokker was.

Uit het advies van Reclassering Nederland d.d. 31 maart 2014 blijkt dat verdachte aangeeft dat hij niet weet wat hem dreef tot het plegen van dit feit. Ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij niet weet waarom hij het feit heeft gepleegd. Dit baart zorgen. Temeer nu verdachte zelf heeft verklaard dat dit de vierde keer is geweest dat hij iets dergelijks heeft gedaan. Uit het reclasseringsrapport volgt dat niet duidelijk is geworden in hoeverre er sprake is van een verhoogde seksuele behoefte of dat het feit mogelijk uit een bepaalde emotionele lading tot stand is gekomen. Tevens is onduidelijk gebleven in hoeverre er sprake is van psychische problematiek. Hier moet volgens de reclassering meer duidelijkheid over komen middels behandeling bij een forensische polikliniek. De aanwezige risicofactoren waaronder het grensoverschrijdende gedrag aangaande seksualiteit, ontbreken van contact met moeder, de mogelijke psychische problemen, het ontbreken van zelfinzicht, het gebrek aan inzicht in het delictgedrag, het beperkte probleembesef en deels inadequate probleemhantering, maken dat er een kans op recidive is. De Reclassering heeft verder aangegeven dat het recidiverisico hoog gemiddeld blijft indien toezicht en behandeling uitblijven.

De rechtbank is dan ook gelet op voormeld reclasseringsadvies van oordeel dat behandeling en begeleiding van de verdachte dringend noodzakelijk zijn.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 17 maart 2014, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank in positieve zin rekening met het feit dat verdachte op aanraden van de politie hulp heeft gezocht via de huisarts, verdachte al een afspraak heeft voor een intakegesprek bij De Tender en verdachte zich ook ter terechtzitting bereidwillig heeft getoond voor het volgen van een behandeling. Gelet daarop acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, niet op zijn plaats en zal de rechtbank deze keer volstaan met een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uur met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten een meldplicht en een behandelverplichting bij De Tender of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 60 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren:

* aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

* geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen of
* de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat:
- verdachte zich moet melden bij de reclassering zo frequent en zolang als de reclassering dat gedurende de proeftijd nodig acht;

- verdachte mee moet werken aan diagnostiek en zich moet laten behandelen voor de gediagnostiseerde psychische en/of zedenproblematiek bij De Tender of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- waarbij Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Aldus gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mrs. F.E.J. Goffin en E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2014.

Mr. S. Taalman was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, team Zeden, onder dossiernummer PL04RE 2013058687.

2 p. 34-35.

3 p. 37-38.

4 Proces-verbaal onderzoek ter terechtzitting d.d. 24 april 2014.