Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2386

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
ak_zwo_13_3037
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing bushalte Nieuwe Deventerweg te Zwolle; geen sprake van onevenwichtigheid in afweging van belangen; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/3037

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te Zwolle, eiser,

gemachtigde: mr. A.J. Poelman

en

Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, Afdeling Juridische Zaken,

gevestigd te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2013, met kenmerk Z130709007, heeft verweerder, onder intrekking van twee eerdere besluiten van 21 februari 2013 met de kenmerken 130221_007 en 130221_008, besloten om de bushalte 270, welke is gelegen ter hoogte van de Nieuwe Deventerweg 150 op te heffen en in de plaats daarvan een bushalte aan te leggen op de locatie gelegen op ongeveer 100 meter ten zuiden van het kruispunt Nieuwe Deventerweg – Oldeneelallee, aan de westzijde van de Nieuwe Deventerweg.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 november 2013 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 7 april 2014 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. K.A. Luehof, kantoorgenoot van mr. A.J. Poelman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. van Berkum - Pinxsterhuis.

Overwegingen

1.

In geschil is de vraag of het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten.

2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit de bushalte 270 ter

hoogte van de Nieuwe Deventerweg 150 zal opheffen door de blokmarkering en bord model L3 van Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) te verwijderen.

Tevens omvat het besluit de aanwijzing van bushalte 270 op de locatie aan de westzijde van de Nieuwe Deventerweg op ongeveer 100 meter ten zuiden van het kruispunt met de Oldeneelallee, door middel van het aanbrengen van de blokmarkering en plaatsing van bord model L3 van Bijlage 1 van het RVV 1990. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser woonachtig is aan de [adres] welk perceel aan de oostzijde van de Nieuwe Deventerweg is gelegen en zijn ontsluiting op de Nieuwe Deventerweg direct tegenover de nieuw aan te leggen bushalte heeft.

3.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van het besluit onvoldoende zijn

onderzocht. Het verkeersbesluit zal leiden tot onnodige opstopping op de weg ter hoogte van zijn woning, onnodige geluidsoverlast en onnodige extra uitstoot van fijnstof. Eiser is voorts van mening dat verweerder de omwonenden onvoldoende heeft geïnformeerd omtrent het gewijzigde plan. Daarnaast stelt eiser dat niet duidelijk is waarom de bushalte niet op de bestaande locatie kan worden gerealiseerd.

4.

De rechtbank overweegt dat het volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 17 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5395) in een geval als het onderhavige om de uitoefening van een bevoegdheid met ruime beoordelingsmarges gaat, waarbij het aan verweerder is om in het kader van de uitoefening van die bevoegdheid de belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit dan ook terughoudend moeten opstellen en slechts dienen te toetsen of het besluit voldoet aan de wettelijke voorschriften en – zo dit het geval is – of niet sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van belangen, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

Op grond van het bepaalde in artikel 12, aanhef en onder a, sub II, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) moet de plaatsing of verwijdering van bord L3 van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, voor zover het een bushalte betreft, door middel van een verkeersbesluit geschieden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw1994) genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere dan de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Artikel 24 van het BABW bepaalt, voor zover hier van belang, dat verkeersbesluiten worden genomen na overleg met de korpschef.

Tenslotte is in artikel 26 van het BABW bepaald dat de bekendmaking van verkeersbesluiten geschiedt door plaatsing van het besluit in de Staatscourant.

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 9 juli 2013 op 15 juli 2013 in de Staatscourant is geplaatst. Daarmee heeft verweerder het gewijzigde besluit op de juiste wijze bekend gemaakt. Van een verplichting om het besluit ook op andere wijze aan omwonenden bekend te maken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de bij dat besluit behorende tekening een voldoende getailleerd beeld naar voren komt.

Ook blijkt uit het besluit dat overleg is gevoerd met de politie en dat de politie positief heeft geadviseerd over het verkeersbesluit.

Ten aanzien van de keuze voor deze locatie heeft verweerder meegewogen dat op de oorspronkelijk locatie van bushalte 270, op welke locatie eiser de bushalte graag gehandhaafd ziet, te weinig ruimte was om de beoogde aanpassingen, gebaseerd op de richtlijn voor het ontwerpen van een toegankelijke bushalte, zoals weergegeven in “Het Zwolse busboekje”, te realiseren. Daarnaast komt de beoogde looproute van en naar de bushalte op de nieuwe locatie beter overeen met de looproute van en naar de bushalte voor de bus in de tegenovergestelde richting, wat efficiënter is bij het zoeken naar de bushalte voor de terugreis.

Ten aanzien van de bruikbaarheid van deze locatie heeft verweerder tevens onderzoek laten doen naar de lengte van de wachtrij die zal ontstaan als de streekbus, die met een frequentie van 1 x per uur gebruik zal maken van de bushalte, daar stopt. Daaruit is gebleken dat het mogelijk is de bus op de rijbaan te laten stilstaan. Van een onaanvaardbare opstopping zoals van de zijde van eiser is gesteld is daarbij niet gebleken. Gelet op de frequentie waarin de bus ter plekke stopt en het aantal passagiers dat per maand in- en uitstapt op deze locatie, is de rechtbank voorts van oordeel dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat het niet aannemelijk is dat door verandering van de bushalte de geluid- en stofhinder ter plaatse onaanvaardbaar toeneemt. In dat verband heeft verweerder er terecht op gewezen dat op grond van de Wet Geluidhinder geen akoestisch onderzoek hoeft te worden gedaan.

Daarnaast is in het bestreden besluit aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het besluit, namelijk:

- het in standhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

- het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Nu het bestreden besluit aan de wettelijke voorschriften voldoet en door eiser geen tegenrapport is uitgebracht waaruit blijkt dat de bruikbaarheid en de veiligheid van de weg in het geding komen, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van belangen, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

5.

Het beroep is daarom ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep