Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2376

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
C-08-130758 - HA ZA 12-282
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling schade na beroepsfout assurantietussenpersoon.

Zorgplichtschending door het te doen laten voorkomen dat gedane toezeggingen onvoorwaardelijk waren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/76
JA 2014/90 met annotatie van mr. E. Wytema
NTHR 2014, afl. 5, p. 252

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/130758 / HA ZA 12-282

datum vonnis: 16 april 2014

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. M.C.J. Peters te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

verder te noemen [gedaagde],

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam

1 Het procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2013,

  • -

    de door [eiseres] voorafgaand aan de comparitie ingediende producties,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 3 oktober 2013,

  • -

    een akte uitlating na tussenvonnis en comparitie van de zijde van [eiseres],

  • -

    een antwoordakte van de zijde van [gedaagde].

1.2

[eiseres] heeft op 3 maart 2014 een verzoek tot het nemen van een akte ingediend, welk verzoek is afgewezen, zodat de rechtbank geen acht heeft geslagen op de inhoud van de akte van [eiseres] van 3 maart 2014.

1.3

Het vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rechtbank neemt over hetgeen in het tussenvonnis van 19 juni 2013 over de feiten, is overwogen en beslist. In aanvulling hierop staat, als gesteld en erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, het navolgende vast.

2.2

ABN AMRO heeft aan [eiseres] op 16 april 2009 een offerte voor verzekering van het wagenpark van [eiseres] gestuurd, waarin onder andere het volgende staat vermeld:

“U mailde ons onlangs de actuele cijfers over 2008. Die wijken zo weinig af van de cijfers die u ons in december jl. verstrekte, dat de getallen/premies in de Basisofferte van

17 december jl. nog volledig gelden. (…)

Wel voegen wij twee zaken toe, te weten

a. a) Allianz-prijsgarantie 2009. De door ABN AMRO in te kopen wagenparkverzekering zal in ieder geval niet hoger uitkomen dan het meest recente eindbod van uw huidige verzekeraar voor 2009;

b) de Basisofferte geldt ook als u, mits niet langer dan tot 1 januari 2010, uw huidige wagenparkverzekering bij Allianz verlengt. Dit stelt u in staat met Allianz te onderhandelen over teruggave over 2008!

(…)

Omgerekend tegen uw wagenparkgegevens zoals in deze basisofferte herhaald, verwachten wij een jaarpremie exclusief assurantiebelasting tussen Euro € 380.000,-- en Euro 420.000,-- voor u te realiseren.(…)

Op deze wijze zou voor u een immense besparing ontstaan, (tussen Euro 150.000,-- en

Euro 200.000,--), die wij zowel als actieve makelaar in assurantiën, als in onze rol van financier graag voor u realiseren”

en

“Samengevat in aantallen ziet uw wagenpark er uit als volgt

Touringcars

Dekking Aantal Waarde

WA 7 nvt

WA Casco 4 Euro 680.538 (controle svp)

Overige objecten

Dekking Aantal Waarde

WA 163 nvt

WA BEP. Casco 36 Euro 531.518,--

WA Casco 239 Euro 4.088/890,-- excl. BPM

WA Casco 239 Euro 7.434.345- raming incl. BPM”

2.3

[eiseres] heeft in 2009 in totaal een premie betaald van € 708.545,--

(€ 745.837,-- premie - € 37.292,-- (5% premierestitutie 2009).

3 Standpunt partijen

3.1

De rechtbank neemt over de vordering en de standpunten van partijen die vermeld staan in het voornoemde tussenvonnis en vult deze als volgt aan.

[eiseres]

3.2

Primair stelt [eiseres] dat haar schade berekend moet worden op basis van het uitgangspunt dat [gedaagde] gehouden is de door [gedaagde] – namens Allianz – gedane toezeggingen na te komen. [gedaagde] handelde als uitdrukkelijk of stilzwijgend gevolmachtigde ex artikel 3:60 BW van Allianz. Hij deed namens Allianz een aanbod aan [eiseres]. De toezeggingen ten aanzien van 42,5% premiekorting en restitutie van € 85.000,-- hebben te gelden als toezeggingen gedaan namens Allianz. Als [gedaagde] niet conform de instructies van Allianz handelde, dan heeft hij op grond van artikel 3:70 BW in te staan voor de volmacht en dient hij het positieve contractbelang te vergoeden. Het positieve contractbelang is € 364.689,--, vermeerderd met rente en kosten.

3.3

Subsidiair stelt [eiseres] dat ter bepaling van de schade een vergelijking gemaakt moet worden tussen de situatie die zou zijn ontstaan in de hypothetische situatie waarin de fout niet gemaakt was en de situatie met inachtneming van die fout. Zij stelt dat, indien [gedaagde] zijn zorgplicht niet had geschonden en haar tijdig had geïnformeerd over het voorwaardelijk karakter van de premierestitutie, zij onmiddellijk begin 2009 was overgestapt naar een andere tussenpersoon die het wagenpark tegen een fors lagere premie kon verzekeren. Alsdan was de verzekering bij Allianz per 1 maart 2009 dan wel 1 april 2009 opgezegd en was via ABN Amro een nieuwe verzekering afgesloten tegen een aanzienlijk lagere premie. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze verzekering dan tegen ongunstigere voorwaarden/premie afgesloten zou zijn, dan door ABN Amro per 1 januari 2010 bij Allianz bedongen is. ABN Amro heeft op 17 december 2008 en 16 april 2009 een voorstel voor een soortgelijke wagenparkverzekering, met gelijke voorwaarden, voor een aanmerkelijk lager (ruim 40%) premiebedrag gedaan. Ook andere aanbieders hebben veel gunstigere premies aangeboden voor 2010. Gelet hierop is de schade € 364.689,--.

3.4

[eiseres] stelt dat zij met de door haar overgelegde offertes van ABN Amro in combinatie met de daadwerkelijke per 1 januari 2010 gerealiseerde lagere premies, voldoende heeft aangetoond dat het mogelijk was de verzekering via een ander kanaal tegen een aanmerkelijk (ruim 40%) en structureel lagere premie onder te brengen. De per 1 januari 2010 bedongen premiekorting had dan een jaar eerder gerealiseerd kunnen worden, althans in ieder geval per 1 maart 2009 dan wel 1 april 2009.

3.5

Tevens stelt [eiseres] dat daarnaast een vergoeding op zijn plaats zou zijn van de toegezegde premierestitutie over 2007/2008 ad € 85.000,--. Zou [gedaagde] haar zorgplicht zijn nagekomen, dan had zij vastgelegd bij Allianz dat die premierestitutie zonder meer zou worden verstrekt. Gelet op het feit dat [eiseres] naast de forse premiekorting per 1 januari 2010 ook een premierestitutie over 2009 ad € 86.000,-- heeft bedongen, is het aannemelijk dat ook een premierestitutie over de jaren 2007/2008 bedongen had kunnen worden. In de hiervoor onder 2.2 vermelde offerte van ABN Amro van 16 april 2009 stond voorts uitdrukkelijk vermeld dat over de premierestitutie 2008 verder onderhandeld kon worden.

3.6

Een voordeelsverrekening ex artikel 6:100 BW ten aanzien van de premierestitutie 2009 ad € 86.000,-- zou onterecht zijn. Dit voordeel komt immers niet voort uit dezelfde gebeurtenis als waaruit de schade is ontstaan.

[gedaagde]

3.7

[gedaagde] betwist dat [eiseres] schade heeft geleden en betwist de gevorderde rente. Hij stelt dat aan het primaire betoog van [eiseres] voorbij dient te worden gegaan, omdat hiermee een geheel nieuwe feitelijke grondslag aan de vordering wordt gegeven en er geen sprake is geweest van (onbevoegde) vertegenwoordiging van Allianz door [gedaagde]. [eiseres] heeft [gedaagde] ingeschakeld om als zelfstandig assurantietussenpersoon haar belangen te behartigen en [gedaagde] handelde uitsluitend als opdrachtnemer van [eiseres].

3.8

[gedaagde] stelt dat voor de begroting van de schade van [eiseres] een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie met de beroepsfout enerzijds en de hypothetische situatie zonder de beroepsfout anderzijds. Hiertoe dient beoordeeld te worden wat [eiseres] gedaan zou hebben, indien [gedaagde] voldoende kenbaar zou hebben gemaakt dat de toezegging voor wat betreft de premiekorting onderhevig was aan de voorwaarde dat de definitieve schadecijfers over 2008 niet (in negatieve zin) zouden afwijken van de voorlopige schadecijfers over 2008 en dat de toezegging voor wat betreft de premierestitutieregeling van € 85.000,-- uitsluitend betrekking had op de restitutie conform de premierestitutieregeling. [gedaagde] betwist dat [eiseres] van intermediair was gewisseld, indien zij had geweten dat Allianz niet bereid was om buiten de premierestitutieregeling een extra premie over 2007/2008 te restitueren. Aldus was [eiseres] op zijn vroegst pas in juli 2009 bekend geworden met de omstandigheid dat niet werd voldaan aan de voorwaarde die verbonden was aan de toezeggingen van [gedaagde]. Voorts stelt hij dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarin op dat moment redelijkerwijs aanleiding zou hebben gezien om te wisselen van intermediair c.q. verzekeraar. Bovendien zou het gevolg hiervan niet anders zijn geweest dan het gevolg van de intermediairwijziging die in de huidige situatie heeft plaatsgevonden. Niet aannemelijk is dat de verzekering bij Allianz zou zijn opgezegd. Er zou hooguit onderhandeld zijn over de premiestelling per 1 januari 2010 en gesteld noch gebleken is, dat deze premiestelling dan in positieve zin zou hebben afgeweken van de huidige situatie.

3.9

Tevens stelt [gedaagde] dat als [eiseres] al wel direct van intermediair gewisseld zou zijn, de opzegging van de verzekering op zijn vroegst per 1 juni 2009 gerealiseerd zou kunnen zijn. [gedaagde] betwist voorts dat [eiseres] in dat geval € 279.689,-- minder aan premie zou hebben betaald. Bovendien stelt [gedaagde] dat hij van de heer Voortman van Allianz heeft begrepen dat Allianz in dat geval niet bereid zou zijn geweest om meer korting te verlenen dan de korting die [eiseres] nu al heeft ontvangen, maar dan per 1 januari 2010. Er is derhalve ook geen sprake van schade.

3.10

Voor zover [eiseres] bedoeld heeft te stellen dat andere verzekeraars dan Allianz wel bereid zouden zijn geweest meer premiekorting te verstrekken tegen dezelfde voorwaarden, betwist [gedaagde] dit.

3.11

[gedaagde] betwist bovendien dat uit de hiervoor onder 2.2 vermelde offerte van ABN Amro van 16 april 2009 blijkt dat de aangeboden dekking van de verzekering vergelijkbaar is met de dekking van de via [gedaagde] bij Allianz afgesloten verzekering. Er wordt immers niets vermeld over dekkingen die voor het ISO/ Taxi-keurmerk vereist waren, zoals de ongevallenverzekering inzittenden en bestuurder en de schadeverzekering inzittenden, waarvan de premie ongeveer € 100,-- per voertuig is. Ook spreekt de offerte over een contractperiode van vier jaren in plaats van één jaar. Bovendien heeft ABN Amro geen rekening gehouden met de grote letselschades die betrekking hadden op het jaar 2008 en is de premie lager, omdat de gehele administratie niet meer bij de tussenpersoon ligt, maar bij [eiseres] zelf.

3.12

Voorts stelt [gedaagde] dat, indien al sprake geweest zou zijn van een goedkopere premie tegen dezelfde dekking bij een andere verzekeraar, op deze goedkopere premie de premierestitutie die [eiseres] over 2009 heeft ontvangen ad € 86.000,-- in mindering dient te worden gebracht. Deze restitutie had [eiseres] immers niet ontvangen, indien zij de verzekering bij Allianz niet zou hebben gecontinueerd. Eveneens dient in dat geval in mindering te worden gebracht de premiekorting die [eiseres] nu per 1 januari 2010 van Allianz zou hebben ontvangen.

3.13

[gedaagde] betwist dat [eiseres] zonder de beroepsfout aanspraak had kunnen maken op een bedrag van € 85.000,-- aan premieteruggave over 2007 en 2008. Allianz was niet bereid om buiten de premierestitutieregeling een extra premieteruggave te doen over 2007 en 2008. Als [gedaagde] dit in februari 2009 voldoende kenbaar zou hebben gemaakt aan [eiseres], zou [eiseres] het daarmee hebben moeten doen. Voorts betwist [gedaagde] dat de premierestitutie over 2009 het gevolg was van onderhandelingen. Deze premierestitutie is gebaseerd op de premierestitutieregeling, waarbij de schadecijfers over 2009 positief waren.

3.14

De overige stellingen van partijen worden hierna, voor zover van belang, weergegeven bij de verschillende onderwerpen en beslispunten.

4 De beoordeling

4.1

De rechtbank neemt hier over wat in het voornoemde tussenvonnis is beslist.

4.2

In het voornoemde tussenvonnis is reeds overwogen dat [eiseres] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de door [gedaagde] gedane toezeggingen ten aanzien van de premieverlaging 2009 en premierestitutie 2007/2008 onvoorwaardelijk waren en dat later is gebleken dat die toezeggingen onderhevig waren aan kennelijk door Allianz gestelde en door [gedaagde] niet aan [eiseres] kenbaar gemaakte voorbehouden. Hierdoor heeft [gedaagde] jegens [eiseres] niet de zorg betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Derhalve dient beoordeeld te worden of [eiseres] door deze beroepsfout schade heeft geleden, en wat de omvang van deze schade is.

Primair gevorderde schade

4.3

De rechtbank verwerpt allereerst de stelling van [eiseres] dat [gedaagde] handelde als uitdrukkelijk of stilzwijgend gevolmachtigde van Allianz. In het voornoemde tussenvonnis is reeds overwogen dat [gedaagde] sinds medio jaren negentig als assurantietussenpersoon functioneerde voor [eiseres] en dat [gedaagde] en [eiseres] hiervoor een (mondelinge) overeenkomst van opdracht hadden gesloten. De door [eiseres] gestelde feitelijk gang van zaken ten aanzien van de premiekorting 2009 en premierestitutie 2007/2008 sluit hier ook bij aan. Immers de assurantietussenpersoon [gedaagde], onderhandelt voor zijn opdrachtgever [eiseres], met de verzekeringsmaatschappij Allianz en koppelt de uitkomst van deze onderhandelingen terug aan opdrachtgever [eiseres]. De rechtbank onderschrijft dan ook niet de stelling van [eiseres] dat uit deze werkwijze volgt dat [gedaagde] heeft opgetreden als gevolmachtigde van Allianz. Hiervoor is immers noodzakelijk dat Allianz aan [gedaagde] de bevoegdheid zou hebben verleend om in naam van Allianz rechtshandelingen te verrichten. Dat Allianz een dergelijke volmacht aan [gedaagde] zou hebben verleend, heeft [eiseres] voorts niet onderbouwd met (andere) feiten en/of omstandigheden dan wel enig schriftelijk bewijs. Nu de rechtbank van oordeel is dat [gedaagde] niet heeft opgetreden als gevolmachtigde van Allianz, volgt zij [eiseres] evenmin in haar stelling dat [gedaagde] op grond van artikel 3:70 Burgerlijk Wetboek (BW) het positieve contractbelang dient te vergoeden.

Subsidiair gevorderde schade

4.4

Volgens vaste rechtspraak dient in beginsel de schadevergoeding de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand te brengen waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Dit beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest, indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (ECLI:NL:PHR:2010:BL0539).

Derhalve wordt de schade in het onderhavige geval bepaald door een vergelijking te maken van de werkelijke situatie met de situatie dat [gedaagde] duidelijk aan [eiseres] kenbaar zou hebben gemaakt dat de toezeggingen ten aanzien van de premieverlaging 2009 en premierestitutie 2007/2008 onderhevig waren aan door Allianz gestelde voorbehouden.

4.5

Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat zij [eiseres] volgt in haar standpunt dat zij in 2009 zou zijn overgestapt naar een andere tussenpersoon, indien de hiervoor onder 4.2 vermelde schending van de zorgplicht niet had plaatsgevonden. Vast staat immers dat [eiseres] eind 2008 aan [gedaagde] heeft kenbaar gemaakt dat zij zich wilde oriënteren op een goedkopere verzekering en dat [gedaagde] op verzoek van [eiseres] de bestaande verzekeringspolissen per 1 januari 2009 per maand opzegbaar heeft gemaakt. [gedaagde] heeft dit ook aan [eiseres] bevestigd in een emailbericht van 31 december 2008, waarin onder andere staat vermeld: “Langs deze weg bevestig ik je dat je vanaf 2009 de polissen per maand kunt opzeggen. Dit houdt in indien we er niet uit komen je er eind januari gewoon vanaf kunt.” Voorts volgt uit de door [eiseres] overgelegde offerte van ABN Amro van

16 april 2009 dat [eiseres] zich kennelijk begin 2009 daadwerkelijk nog oriënteerde op een andere tussenpersoon c.q. verzekeraar. Uit de omstandigheid dat [eiseres] uiteindelijk in 2009 slechts een premieverlaging van 5% heeft gekregen en de premierestitutie 2007/2008 niet heeft ontvangen, blijkt bovendien dat de hiervoor onder 4.2 vermelde voorbehouden een grote invloed hadden op de daadwerkelijk te ontvangen premierestitutie en premieverlaging. Daarnaast staat in de offerte van de ABN Amro van 16 april 2009 een aanzienlijk lagere premie vermeld en is over het jaar 2010 daadwerkelijk een lagere premie betaald. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat [eiseres] voor het jaar 2009 bij een andere tussenpersoon c.q. verzekeraar een gelijkwaardige verzekering had kunnen krijgen tegen een lagere premie. De rechtbank acht het eveneens aannemelijk dat [eiseres] op grond hiervan in 2009 zou zijn overgestapt naar een andere tussenpersoon c.q. verzekeraar, indien [gedaagde] de hiervoor onder 4.2 vermelde voorbehouden ten aanzien van de premiekorting 2009 en premierestitutie 2007/2008 tijdig aan [eiseres] zou hebben medegedeeld. Dat wellicht sprake is geweest van een interne miscommunicatie binnen Allianz, doet aan dit oordeel niet af. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de schade van [eiseres] bestaat uit het verschil tussen de premie die [eiseres] daadwerkelijk heeft betaald voor de verzekering bij Allianz voor het jaar 2009 en de premie die [eiseres] betaald zou hebben voor een gelijkwaardige verzekering voor het jaar 2009, indien zij in 2009 was overgestapt naar een andere tussenpersoon c.q. verzekeraar. Oftewel de premiebesparing die [eiseres] had kunnen realiseren voor een gelijkwaardige verzekering bij een andere tussenpersoon c.q. verzekeraar.

4.6

Voor zover [eiseres] in dit kader bedoeld heeft te stellen dat zij via ABN Amro een onvoorwaardelijke premiekorting van 42,5%, voor het jaar 2009 zou hebben kunnen krijgen, indien zij in 2009 zou zijn overgestapt naar ABN Amro, verwerpt de rechtbank deze stelling. In de offerte van ABN Amro van 16 april 2009 staat weliswaar “De door ABN AMRO in te kopen wagenparkverzekering zal in ieder geval niet hoger uitkomen dan het meest recente eindbod van uw huidige verzekeraar voor 2009”, maar niet gesteld, althans onvoldoende onderbouwd, is dat het meest recente eindbod van Allianz een onvoorwaardelijke premiekorting van 42,5% bevatte. Immers niet in geschil is, dat [eiseres] uiteindelijk slechts een premiekorting van 5% over het jaar 2009 van Allianz heeft ontvangen. Dat [gedaagde] begin 2009 wel een onvoorwaardelijke toezegging aan [eiseres] zou hebben gedaan ten aanzien van de premiekorting 2009, betekent voorts nog niet dat Allianz ook een dergelijk onvoorwaardelijk eindaanbod aan [eiseres] heeft gedaan. Evenmin heeft [eiseres] andere feiten en omstandigheden aangedragen, waaruit geconcludeerd kan worden dat Allianz een dergelijk onvoorwaardelijk eindaanbod aan [eiseres] zou hebben gedaan.

4.7

De rechtbank volgt [eiseres] evenmin in haar stelling dat zij over het jaar 2009 bij een andere tussenpersoon c.q. verzekeraar een premie zou hebben moeten betalen, die ruim 40% lager zou liggen dan de daadwerkelijk aan Allianz over 2009 betaalde premie. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] haar stelling onderbouwt met de door haar aan Allianz in 2010 betaalde lagere premie. In het niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwiste “premieoverzicht 2007-2012” (punt 27 van de akte uitlating na tussenvonnis van de zijde van [eiseres]) staat echter vermeld dat de onderhavige verzekering bij Allianz in het jaar 2009 in totaal 587 polissen omvatte en in het jaar 2010 in totaal 702. Tevens is niet in geschil dat de hoogte van de premie afhankelijk is van de schadecijfers, welke cijfers per jaar verschillen. Daarnaast begrijpt de rechtbank uit de stellingen van partijen dat sinds 2010 meerjarige verzekeringen zijn afgesloten, terwijl in 2009 een éénjarige verzekering was afgesloten. Gelet op deze verschillen is de door [eiseres] betaalde premie voor 2010 niet maatgevend voor de premie die [eiseres] wellicht zou hebben moeten betalen over 2009 bij een overstap naar ABN Amro. Bovendien constateert de rechtbank dat indien wordt uitgegaan van de werkelijk aan Allianz betaalde premie voor het jaar 2009, zijnde € 708.545,--, de premie per voertuig

€ 1207,06 bedroeg in plaats van de gestelde € 1.270,--. Op grond daarvan bedroeg het premieverschil tussen 2009 en 2010 niet ruim 40%, maar 36%.

4.8

Voor zover [eiseres] de door haar gestelde mogelijkheid van een premieverlaging (2009) van ruim 40% onderbouwt met een verwijzing naar de door haar gestelde door andere verzekeraars gedane premie-aanbiedingen voor het jaar 2010, constateert de rechtbank dat [eiseres] ten aanzien hiervan geen offertes van de betreffende verzekeraars in het geding heeft gebracht. Evenmin heeft zij deze premie-aanbiedingen anderszins onderbouwd. Derhalve is het onduidelijk of het hierbij gaat om gelijkwaardige verzekeringen. Bovendien hebben deze aanbiedingen betrekking op het jaar 2010 en dus niet op het jaar 2009. De rechtbank gaat voor de berekening van de schade derhalve voorbij aan deze eventuele door andere verzekeraars c.q. tussenpersonen gedane premie-aanbiedingen.

4.9

Het is vervolgens aan de rechtbank om op de voet van artikel 6:97 BW de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Indien, zoals naar het oordeel van de rechtbank in casu het geval is, de schade niet (meer) nauwkeurig kan worden vastgesteld wordt deze geschat.

4.10

De rechtbank neemt de hiervoor onder 2.2 vermelde offerte van de ABN Amro van

16 april 2009 als uitgangspunt voor het schatten van de premiebesparing over het jaar 2009. In deze offerte staat onder andere vermeld: “Op deze wijze zou voor u een immense besparing ontstaan, (tussen Euro 150.000,-- en Euro 200.000,--)”. Vervolgens constateert de rechtbank dat deze offerte gebaseerd is op 688 voertuigen (7 + 4 touringcars en 163 + 36 + 239 + 239 overige objecten). De rechtbank gaat op basis van het hiervoor onder 4.7 vermelde “premieoverzicht 2007-2012” echter uit van in totaal 587 polissen voor het jaar 2009. Bovendien is niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist dat in deze offerte ten onrechte niet de dekkingen zijn meegenomen die voor het ISO/ Taxi-keurmerk vereist waren (ongevallenverzekering inzittende/bestuurder en schadeverzekering inzittenden) en waarvan de premie ongeveer € 100,-- per voertuig bedraagt. Rekening houdende met deze omstandigheden, komt de rechtbank tot de volgende schatting van de premiebesparing voor het jaar 2009:

- in de offerte staat een besparing vermeld tussen de € 150.000,-- en € 200.000,--, op

basis waarvan de rechtbank uitgaat van het gemiddelde, zijnde € 175.000,--;

- besparing offerte € 175.000,-- per 688 voertuigen/polissen, dus

€ 175.000/ 688 = gemiddeld € 254,36 besparing per voertuig/polis;

- minus € 100,-- per voertuig/polis voor dekking i.v.m. ISO/Taxi-keurmerk, dus

€ 254,36 - € 100,-- = € 154,36 besparing per voertuig/polis;

587 (voertuigen/polissen 2009) x € 154,36 = € 90.609,32 besparing offerte over heel

2009 bij 587 voertuigen/ polissen.

4.11

Uit de stellingen van partijen volgt voorts dat de door [gedaagde] over de premierestitutie 2007/2008 gedane toezeggingen zijn gedaan na 27 februari 2009. Daarnaast is enige tijd gemoeid met het sluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst c.q. voortzetten van de lopende verzekeringsovereenkomst via een nieuwe tussenpersoon en de eventuele daarbij te hanteren opzegtermijnen. De rechtbank hanteert derhalve voor de schatting 1 mei 2009 als ingangsdatum voor de premiebesparing 2009. De rechtbank passeert hiermee de stelling van [eiseres] dat het voor de hand had gelegen dat Allianz de premieverlaging per 1 januari 2009 zou hebben laten ingaan. [eiseres] heeft deze stelling ook niet onderbouwd met nadere feiten en/of omstandigheden. Omgerekend betekent het voorgaande dat de onder 4.10 vermelde premiebesparing van € 90.609,32 voor heel 2009, een premiebesparing inhoudt van € 60.406,21 (€ 90.609,32 / 12 maanden x 8 maanden) voor de maanden mei tot en met december 2009.

4.12

Voorts is onvoldoende gemotiveerd betwist dat in de hiervoor vermelde offerte van de ABN Amro van 16 april 2009 geen rekening is gehouden met de grote letselschades die betrekking hadden op het jaar 2008. [eiseres] heeft bovendien onvoldoende gemotiveerd betwist dat de hierin vermelde premie lager is, omdat de gehele administratie niet meer bij de tussenpersoon ligt, maar bij [eiseres] zelf. Rekening houdende met deze omstandigheden, vermindert de rechtbank de premiebesparing 2009 tot een bedrag van in totaal € 50.000,--.

4.13

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] zich slechts op voordeeltoerekening ex 6:100 BW beroept c.q. stelt dat op de premiebesparing 2009 de premierestitutie 2009 ad € 86.000,-- en de premiekorting 2010 in mindering dienen te worden gebracht, indien ervan uit wordt gegaan dat [eiseres] overgestapt zou zijn naar een andere verzekeraar. Nu de rechtbank echter de offerte van ABN Amro van 16 april 2009 als uitgangspunt heeft genomen, is zij bij de schatting van de premiebesparing 2009 niet uitgegaan van een dergelijke overstap naar een andere verzekeraar, maar is zij uitgegaan van een (voortzetting van de) verzekering bij Allianz via een andere tussenpersoon. De rechtbank passeert derhalve deze stelling.

Premierestitutie 2007/2008

4.14

De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de niet gerealiseerde premierestitutie 2007/2008 van € 85.000,- af. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat als [gedaagde] haar zorgplicht zou zijn nagekomen, zij had vastgelegd dat deze premierestitutie zonder meer zou worden verstrekt, kan de rechtbank in dit kader niet volgen. Evenmin heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat als de onderhandelingen tussen Allianz en ABN Amro begin 2009 hadden plaatsgevonden, een premierestitutie van om en nabij de € 85.000,- bedongen had kunnen worden voor de voorliggende jaren. [gedaagde] heeft deze stelling immers nadrukkelijk betwist en [eiseres] heeft nagelaten om met enige offerte, verklaring dan wel een ander geschrift te onderbouwen dat een onvoorwaardelijke premierestitutie over 2007/2008 bedongen had kunnen worden en wat hiervan de hoogte zou zijn geweest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de in 2010 over het jaar 2009 uitgekeerde premierestitutie niet automatisch volgt dat ook een premierestitutie over de jaren 2007/2008 bedongen had kunnen worden. Evenmin volgt dit uit de omstandigheid dat in de offerte van de ABN Amro staat vermeld dat verlenging van de verzekering bij Allianz, [eiseres] in staat stelt om met Allianz te onderhandelen over teruggave over 2008. Een mogelijkheid tot onderhandeling betekent immers nog niet dat [eiseres] een dergelijke teruggave ook daadwerkelijk had kunnen realiseren.

Rente en buitengerechtelijke kosten

4.15

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de schade die [eiseres] heeft geleden door de schending van de hiervoor onder 4.2 genoemde beroepsfout, € 50.000,-- bedraagt, zodat zij de vordering van [eiseres] hierna voor dit bedrag zal toewijzen. De gevorderde rente over deze hoofdsom kan slechts worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, omdat niet is gesteld waarom de rente vanaf de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is.

4.16

[gedaagde] heeft tegen de gevorderde buitengerechtelijke (incasso)kosten gemotiveerd verweer gevoerd. Bij conclusie van dupliek heeft zij gesteld dat de door [eiseres] opgevoerde kosten betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding in te sluiten. Nu [eiseres] ten aanzien van dit onderdeel vervolgens niet heeft geconcretiseerd op welke werkzaamheden de door haar gestelde buitengerechtelijke (incasso)kosten betrekking hebben en dit evenmin is te herleiden uit de door haar overgelegde facturen van haar advocaat, wijst de rechtbank deze gevorderde kosten af.

Kostenveroordeling

4.17

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten. Nu de vordering van [eiseres] slechts voor een beperkt gedeelte zal worden toegewezen, begroot de rechtbank de advocaatkosten op basis van het hierna toe te wijzen bedrag. De rechtbank begroot de advocaatkosten aan de zijde van [eiseres] op:

- dagvaarding € 87,17

- griffierecht 3.621,00

- salaris advocaat 3.129,00 (3,5 punten × tarief IV € 894,--)

Totaal € 6.837,17

4.18

[eiseres] vordert wettelijke rente over de proceskosten. [gedaagde] is echter pas wettelijke rente verschuldigd over de proceskosten vanaf datum verzuim. De rechtbank zal een termijn van 14 dagen na betekening bepalen voor betaling van de proceskosten en beslissen dat de wettelijke rente over de proceskosten pas is verschuldigd wanneer betaling binnen deze termijn uitblijft.

4.19

Veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening. De kosten van betekening van een vonnis komen in beginsel als nakosten voor rekening van de veroordeelde partij, met dien verstande dat de veroordeelde partij gedurende veertien dagen na een daartoe strekkende aanschrijving de mogelijkheid heeft gehad om vrijwillig aan het vonnis te voldoen. De gevraagde vergoeding van de kosten van betekening van het vonnis zal hierna dan ook worden toegewezen, mits voornoemde termijn van veertien dagen in acht is genomen.

4.20

[eiseres] vordert wettelijke rente over de nakosten. [gedaagde] is echter pas wettelijke rente verschuldigd over de nakosten vanaf datum verzuim. De rechtbank zal bepalen dat [gedaagde] de wettelijke rente over de nakosten is verschuldigd indien deze kosten niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

6 De beslissing

De rechtbank:

I. verklaart voor recht dat [gedaagde] de op haar rustende zorgplicht jegens [eiseres] heeft geschonden door het ten onrechte voor te doen komen dat de door [gedaagde] in

februari 2009 gedane toezeggingen onvoorwaardelijk waren;

II. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 50.000,--,vermeerderd

met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag

der algehele voldoening;

III. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 6.837,17;

IV. bepaalt dat [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is over de proceskosten vanaf

14 dagen na betekening van dit vonnis, indien betaling van de proceskosten niet binnen een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

V. veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening, en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover [gedaagde] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan;

VI. bepaalt dat [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd is over de nakosten vanaf

14 dagen na betekening van dit vonnis, indien betaling van de proceskosten niet binnen een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

VII. verklaart de onderdelen II tot en met VI van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

VIII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Alers, mr. Verhoeven en mr. Van der Veer, rechters, en op 16 april 2014 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.