Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2323

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
C/08/154516 / KG ZA 14-132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is door gedaagde, werkgever van eiser, geschorst in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Eiser vordert nu dat hij wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0401
GZR-Updates.nl 2014-0179
AR 2014/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/154516 / KG ZA 14-132

Vonnis in kort geding van 1 mei 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. van den Bos te Nunspeet,

tegen

de naamloze vennootschap

ENO ZORGVERZEKERAAR N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

gedaagde,

advocaat mr. J.R. Beversluis te Deventer.

Partijen zullen hierna [eiser] en Eno genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 14 producties;

  • -

    de brief van Eno van 15 april 2014 met 5 producties;

  • -

    het faxbericht van Eno van 15 april 2014 met productie 6;

  • -

    het faxbericht van Eno van 16 april 2014 met productie 7;

  • -

    het faxbericht van [eiser] van 16 april 2014;

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 april 2014;

  • -

    de pleitaantekeningen van [eiser];

  • -

    de pleitnotities van Eno.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vanaf 9 juni 2008 is [eiser] in dienst van (de rechtsvoorganger van) Eno in de functie van zorginkoper op de afdeling Zorginkoop. Met ingang van 1 april 2013 is [eiser] benoemd tot senior zorginkoper. In het kader van zijn functie is [eiser] belast met de inkoop van zorg ten behoeve van de cliënten van Eno. Daarnaast is [eiser] voorzitter van de ondernemingsraad.

2.2.

In verband met financiële problemen van de zorgleverancier van Eno - Stichting Solace Zorg -, waardoor de continuering van de zorg aan de cliënten van Eno in gevaar kwam, heeft op 13 december 2013 in restaurant “De Witte Bergen” te Eemnes een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser], [medewerker CuraDomus 1] (CuraDomus) en [eigenaar aannemersbedrijf] (eigenaar aannemersbedrijf). Onderwerp van gesprek was de eventuele mogelijkheid van CuraDomus om (de activiteiten van) Stichting Solace Zorg over te nemen.

2.3.

Bij brief van 10 maart 2014 heeft Eno [eiser] met onmiddellijke ingang geschorst in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Aan de schorsing heeft Eno het volgende ten grondslag gelegd:

(i) Met u zijn in 2013 afspraken gemaakt over uw betrokkenheid bij en optreden namens of ten dienste van PrivaZorg. Deze afspraken houden onder andere in dat u noch in enige functie, noch in handelen activiteiten ten behoeve van PrivaZorg mocht en zou ontwikkelen. Als onderdeel van deze afspraken heeft u zich in de zomer 2013 bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven als directeur bij PrivaZorg. Eno heeft concrete aanwijzingen dat u zich niet aan die afspraken heeft gehouden. Dit handelen heeft zich bovendien voorgedaan in een context waarin de verantwoordelijkheden van Eno jegens toezichthouders in het geding zijn en waaruit voor Eno aanzienlijke reputatieschade kan voortvloeien en mogelijk ook aansprakelijkheid jegens derden;

(ii) Eno heeft voorts concrete informatie dat, in overleg en andere communicatie tussen u en derden over onderwerpen, waarbij de positie en verantwoordelijkheden van Eno onmiddellijk in het geding zijn, sprake is geweest van ontoelaatbare verstrengeling van het belang van Eno en van daaraan vreemde of zelfs tegengestelde belangen van u en/of (een organisatie van) uw naasten.

In gemelde brief van 10 maart 2014 heeft Eno verder meegedeeld dat [eiser] de gelegenheid krijgt om te reageren op de eindbevindingen van het nog lopende interne onderzoek waarna Eno een beslissing neemt over de positie van [eiser] binnen Eno.

2.4.

Bij brief van 12 maart 2014 heeft [eiser] op zijn schorsing gereageerd door te stellen dat de aanleiding van de getroffen maatregel weinig concreet is gemaakt, dat enig bewijsmiddel ontbreekt en dat Eno als werkgever bij het treffen van een zware maatregel als schorsing heeft verzuimd om jegens [eiser] de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen waarvan de gevolgen voor rekening van Eno dienen te komen. Voorts heeft [eiser] aangegeven dat hij zich beschikbaar houdt voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

2.5.

Op 21 maart 2014 hebben partijen op het kantoor van de raadsman van [eiser] een gesprek gehad waarin [eiser] de gelegenheid is geboden om aan de hand van een “puntenlijst” (productie 8 bij dagvaarding) te reageren op zijn schorsing.

2.6.

Op 3 april 2014 heeft Eno de kantonrechter van deze rechtbank verzocht de arbeidsovereenkomst met [eiser] te ontbinden, per datum van de te geven beschikking, althans met ingang van een datum die door de kantonrechter in goede justitie zal worden bepaald, onder aantekening dat Eno aan [eiser] een vergoeding zal betalen van € 50.000,00 bruto kosten rechtens. Aan dit verzoek heeft Eno ten grondslag gelegd dat sprake is van een gewichtige reden bestaande in verandering van omstandigheden.

2.7.

Bij brief van 4 april 2014 heeft Eno verslag gedaan van het gesprek van 21 maart 2014 en [eiser] op non-actief gesteld totdat de kantonrechter heeft beslist op haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(I) Eno zal veroordelen om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis toe te laten om de bedongen werkzaamheden te verrichten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel, dat Eno hiermee in gebreke blijft;

(II) Eno zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen één week na dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 925,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

(III) Eno zal veroordelen in de volledige kosten van dit geding, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de volledige kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Eno voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Van een spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen is in voldoende mate gebleken. [eiser] heeft gevorderd dat hij, ter bescherming van zijn positie, wordt toegelaten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden. Uit de aard van die vordering volgt dat hij belang heeft bij een snelle beslissing op dit punt.

4.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser], samengevat, ten grondslag dat er geen enkele aanleiding is om de schorsing c.q. non-actiefstelling te handhaven en de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Daarnaast stelt [eiser] dat niet is voldaan aan de minimale voorwaarden van een verantwoord onderzoek ten aanzien van onafhankelijkheid, onpartijdigheid en objectiviteit. Ten aanzien van de door [medewerker Eno 1] (compliance & risk officer van Eno) – in het kader van het in rechtsoverweging 2.3 bedoelde onderzoek – gehoorde personen voert [eiser] aan dat [medewerker CuraDomus 2] (CuraDomus) niet bij het gesprek op 13 december 2013 aanwezig was, zodat hij daarover niets kan verklaren, en dat navraag bij [eigenaar aannemersbedrijf] heeft geleerd dat [medewerker CuraDomus 1] geen klacht tegen hem heeft ingediend. Ook blijkt uit de verklaring van [eigenaar aannemersbedrijf] van 28 maart 2013 (bedoeld wordt: 2014) dat hij het gesprek van 13 december 2013 heeft geïnitieerd en dat dit gesprek verkennend en zeer algemeen van aard is geweest. Verder heeft de curator in het faillissement van de inmiddels gefailleerde Stichting Solace Zorg, mr. [curator], verklaard dat hem geen bijzonderheden in het traject zijn opgevallen. Ten aanzien van de “puntenlijst” heeft [eiser] gemotiveerd betwist dat hij in strijd met de gedragscode van Eno, inclusief de daarop gebaseerde Uitvoeringsregels, en goed werknemerschap heeft gehandeld. In dit verband verwijst hij naar de verklaringen van [voorzitter RvT Solace] (voorzitter van de Raad van Toezicht van Stichting Solace Zorg) van 20 maart 2014 en [medewerker Eno 2] (voormalig directeur Zorginkoop van Eno) van 2 april 2014.

4.3.

Eno stelt dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met (paragraaf II, III, V, VII, IX en X van) haar gedragscode en de daarop gebaseerde uitvoeringsregels. Volgens Eno heeft [eiser] – in weerwil van eerder gemaakte afspraken omtrent de betrokkenheid van [eiser] bij PrivaZorg – tijdens het gesprek van 13 december 2013 voormeld bedrijf van zijn dochter naar voren geschoven als mogelijke oplossing van het probleem dat CuraDomus waarschijnlijk (nog) niet aan alle huidige eisen wat betreft de zorginhoudelijke kant voldoet. Daarnaast heeft [eiser] zichzelf aangeboden als leidinggevende van de organisatie na de overname van CuraDomus van Stichting Solace Zorg. In de derde plaats heeft [eiser] geopperd dat Eno additionele productie zou kunnen toespelen aan CuraDomus in de nieuwe setting. Hierdoor heeft [eiser] in strijd gehandeld met de gedragsregels ter zake van belangenverstrengeling, transparantie en non-discriminatie, aldus Eno.

4.4.

Bij een schorsing wordt aan de werknemer een (tijdelijk) verbod opgelegd om zijn werkzaamheden te verrichten. Voor een dergelijke maatregel bestaat geen wettelijke grondslag. De rechtmatigheid van een beslissing tot schorsing moet worden beoordeeld aan de hand van de beginselen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Uitgangspunt daarbij is dat het recht op tewerkstelling van een werknemer slechts moet wijken indien de werkgever aannemelijk maakt dat hij een redelijke grond voor de schorsing heeft of als een bevel tot tewerkstelling tot een onwerkbare situatie zou leiden.

4.5.

Een schorsing kan in beginsel slechts geoorloofd worden geacht indien de werkgever voldoende aannemelijk maakt dat vanwege zwaarwegende redenen in redelijkheid van de werkgever niet gevergd kan worden dat hij de werknemer nog op het werk duldt. Bij de belangenafweging is aan de zijde van de werknemer voorts van belang dat een schorsing een ingrijpende maatregel is, die een diffamerend karakter draagt.

4.6.

Eno heeft aangevoerd dat zij [eiser] meerdere malen tijdens bilaterale gesprekken heeft aangesproken op zijn betrokkenheid bij PrivaZorg, doch nu hiervan geen schriftelijke verslaglegging heeft plaatsgevonden is dat zonder nader feitenonderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent, niet te verifiëren. Tussen partijen is evenwel niet in geschil dat betrokkenheid van [eiser] bij PrivaZorg (mogelijke) belangenverstrengeling als bedoeld in paragraaf VII van de gedragscode van Eno kan opleveren. In dit kader heeft Eno voldoende gesteld en is door [eiser] niet betwist dat [eiser] tijdens het gesprek van 13 december 2013 het visitekaartje van PrivaZorg met zijn naam daarop heeft afgegeven. Voorts blijkt uit de verklaring van [medewerker Eno 3] (lid Raad van Bestuur van Eno) van 9 april 2014 dat genoemde [medewerker CuraDomus 2] op 4 maart 2014 een klacht over [eiser] heeft ingediend, inhoudende dat [eiser] als vertegenwoordiger van Eno privébelangen had ingebracht in een met CuraDomus gevoerd gesprek. Hoewel bepaaldelijk niet valt uit te sluiten dat het motief van deze klacht vooral is gelegen in het feit dat CuraDomus de activiteiten van Stichting Solace Zorg niet heeft kunnen overnemen, laat dat onverlet dat Eno blijkens haar gedragscode integriteit hoog in het vaandel heeft staan en dat klachten op dat terrein uiterst serieus worden genomen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat Eno als zorgverzekeraar een instelling is die onder het toepassingsbereik van de Wet op het financieel toezicht valt, op grond waarvan strenge eisen gelden ter zake van de interne organisatie en het voeren en toepassen van een gedragscode die de werknemers van een zodanige instelling dienen na te leven. Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat Eno reeds op basis van het voorgaande voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een redelijke grond voor de schorsing van [eiser] had. Ten aanzien van de overige verwijten van Eno aan het adres van [eiser] – te weten: de toezegging van [eiser] tijdens het gesprek van 13 december 2013 dat vanuit Eno aanvullende productie kan worden gestuurd naar de nieuwe organisatie en zijn aanbod om daarin als leidinggevende te functioneren – staan partijen lijnrecht tegenover elkaar wat betreft de vraag wat er precies tijdens het gesprek van 13 december 2013 is gezegd en in welke context. Dit kort geding leent zich echter niet voor een beoordeling van dit geschilpunt; daarvoor is een bodemprocedure vereist waarin zo nodig bewijs kan worden geleverd en/of getuigen kunnen worden gehoord.

4.7.

De slotsom is dat vanwege zwaarwegende redenen, waartegen de belangen van [eiser] bij wedertewerkstelling niet opwegen, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat Eno [eiser] thans in staat stelt zijn werkzaamheden te hervatten. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [eiser] is sinds 10 maart 2014 niet meer feitelijk bij Eno werkzaam en Eno wenst de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen. In dat kader heeft Eno een ontbindingsprocedure aanhangig gemaakt, in welk kader op 20 mei 2014 een mondelinge behandeling plaatsvindt. De vraag of het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking tussen partijen zodanig verstoord is dat de arbeidsrelatie tussen partijen niet voort dient te duren, wordt dus binnen afzienbare tijd door de kantonrechter beoordeeld. In die (bodem)procedure dient de kantonrechter een oordeel te geven over (nagenoeg) hetzelfde feitencomplex als in deze procedure voorligt. Tegen deze achtergrond acht de voorzieningenrechter het niet aangewezen om – vooruitlopend op de procedure bij de kantonrechter – de non-actiefstelling op te heffen door het gevorderde sub (I) toe te wijzen. Dat zou immers als gevolg kunnen hebben dat [eiser] voor een mogelijk korte periode weer tot het werk moet worden toegelaten. Dat betekent, tegen de achtergrond van hetgeen tussen partijen is voorgevallen, een zodanig ingrijpen in de organisatie van Eno dat haar belang om eerst een oordeel van de bodemrechter af te wachten in dit verband zwaarder moet wegen dan het belang van [eiser] om thans weer te werk te worden gesteld. Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.8.

Ten aanzien van de proceskosten wordt als volgt overwogen. Hoewel Eno, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.6 is overwogen, een redelijke grond voor de schorsing van [eiser] had, kunnen kanttekeningen worden geplaatst bij de wijze waarop Eno de ingrijpende maatregel van een schorsing, die een diffamerend karakter draagt, in het geval van Eno heeft toegepast. De voor [eiser] zeer onverwachte schorsing is per direct ingegaan en intern gecommuniceerd en aan [eiser] is voor de duur van de schorsing een volledig contactverbod (met uitzondering van [medewerker Eno 4], directeur Commercie & Zorginkoop) opgelegd en de toegang tot de kantoren van Eno ontzegd, terwijl Eno het functioneren van [eiser] eind januari 2014 nog als goed heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2014.