Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2293

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
C-08-154282 - KG ZA 14-126
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overtreding concurrentiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0404
AR 2014/270

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/154282 / KG ZA 14-126

datum vonnis: 29 april 2014 (sr)

Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie,

verder te noemen [eiseres],

advocaat: mr. F. Kolkman te Almelo,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [gedaagde 4],

5.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPF Special Piping + Flanges B.V.,

gevestigd te Losser,

verder te noemen SPF,

gedaagden in conventie,

gedaagden 1 t/m 4 tevens eisers in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. E.F.M. van den Biesen te Enschede.

1 Het procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie tevens akte overlegging producties,

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 april 2014,

  • -

    de pleitnota van [eiseres],

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en SPF.

1.2

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1

[eiseres] exploiteert in [plaats] een groothandel in ferrometalen en –halffabrikaten.

2.2

Bij [eiseres] zijn thans 9 medewerkers werkzaam, te weten een directeur, een officemanager, twee salesmanagers, een purchaser logistics, een telefoniste/receptioniste, een medewerker logistiek en twee magazijnmedewerkers.

2.3

[gedaagde 1] is op 1 januari 2008 bij [eiseres] in dienst getreden in de functie van meewerkend voorman, aanvankelijk voor bepaalde tijd en per 1 maart 2008 voor onbepaalde tijd. Het laatstelijk door [gedaagde 1] genoten salaris bedroeg € 2.240,00 bruto per maand.

2.4

[gedaagde 2] is op 1 januari 2007 bij [eiseres] in dienst getreden in de functie van medewerker logistiek en salesadministratie, aanvankelijk voor bepaalde tijd en per 1 januari 2008 voor onbepaalde tijd. Het laatstelijk door [gedaagde 2] genoten salaris bedroeg € 2.315,00 bruto per maand.

2.5

[gedaagde 3] is op 10 november 2008 bij [eiseres] in dienst getreden in de functie van medewerker sales binnendienst, aanvankelijk voor bepaalde tijd en per 10 mei 2010 voor onbepaalde tijd. Het laatstelijk door [gedaagde 3] genoten salaris bedroeg € 2.000,00 bruto per maand.

2.6

[gedaagde 4] is op 1 maart 2007 bij [eiseres] in dienst getreden in de functie van medewerker sales binnendienst, aanvankelijk voor bepaalde tijd en per 1 maart 2008 voor onbepaalde tijd. [gedaagde 4] ontving laatstelijk een salaris van € 2.950,00 bruto per maand.

2.7

Het dienstverband van [gedaagde 4] met [eiseres] is per 31 oktober 2013 beëindigd ingevolge een tussen hen gesloten beëindigingsovereenkomst.

2.8

[gedaagde 3] heeft eind september te kennen gegeven het dienstverband met [eiseres] per 31 oktober 2013 te willen beëindigen. Bij brief van 29 september 2013 heeft [eiseres] de beëindiging van het dienstverband aan [gedaagde 3] bevestigd.

2.9

Bij brief van 28 oktober 2013 heeft [gedaagde 2] zijn dienstverband met [eiseres] per 30 november 2013 beëindigd.

2.10

Bij brief van 25 november 2013 heeft [gedaagde 1] zijn dienstverband met [eiseres] per 31 december 2013 beëindigd.

2.11

[gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn op 1 november 2013 in dienst getreden bij SPF. [gedaagde 2] is op 1 december 2013 en [gedaagde 1] op 1 januari 2014 in dienst getreden bij SPF.

2.12

In artikel 11 van de arbeidsovereenkomsten van [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] met [eiseres] is het volgende bepaald:

“Het is de werknemer verboden binnen een tijdvak van 1 (één) jaar na beëindiging der dienstbetrekking binnen een kring, met werkgever als middelpunt en met een straal van 50 kilometer, op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij om niet of in welke vorm dan ook bij een bedrijf gelijksoortig of aanverwant aan werkgevers bedrijf of voor eigen rekening of bij cliënten of vroegere cliënten van werkgever”.

2.13

Artikel 12 van voornoemde arbeidsovereenkomsten luidt als volgt:

“Overtreding van de in de vorige artikelen 9, 10 en/of 11 genoemde bepalingen heeft ten gevolge dat werknemer aan werkgever verbeurt een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling, opeisbare boete van 50% van het laatst door werknemer genoten jaarsalaris, onverminderd zijn gehoudenheid tot betaling aan werkgever van een volledig schadevergoeding te dezer zake, indien deze meer dan het boetebedrag mocht belopen”.

2.14

[eiseres] en [gedaagde 4] zijn in de beëindigingsovereenkomst onder punt 5 het volgende overeengekomen:

“Werknemer is na het einde van het dienstverband niet langer gebonden aan het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en/of relatiebeding. Het geheimhoudingsbeding blijft onverminderd van kracht”.

3 Het geschil in conventie

3.1

[eiseres] vordert -kort samengevat-:

- [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] te veroordelen om zich gedurende de looptijd van het concurrentiebeding te onthouden van het overtreden van het concurrentiebeding, meer in het bijzonder van het op enigerlei wijze werkzaam zijn voor SPF, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- SPF te veroordelen om voor de looptijd van het concurrentiebeding de arbeidsovereenkomst met [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en/of [gedaagde 4] te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- SPF te veroordelen om zich gedurende twee jaren na betekening van dit vonnis te onthouden van het benaderen van bij [eiseres] in dienst zijnde medewerkers, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

- [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] te veroordelen tot betaling van een boetebedrag aan [eiseres] van respectievelijk € 14.515,00, € 15.001,00,

€ 12.960,00 en € 19.116,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en SPF te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2

[gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en SPF hebben de vorderingen van [eiseres] gemotiveerd betwist.

3.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

4 Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1

[gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en SPF vorderen -kort samengevat-:

- het concurrentiebeding te schorsen/ buiten werking te stellen;

- in het geval verboden wordt om in dienst te blijven van SPF, de duur van het concurrentiebeding te verkorten;

- in het geval verboden wordt om in dienst te blijven van SPF, een vergoeding toe te kennen ter grootte van een bruto jaarsalaris, zoals zij in dienst van SPF hadden kunnen verdienen;

- matiging van een geldend boetebeding en de gevorderde dwangsommen;

- veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

4.2

[eiseres] hebben de vorderingen van [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en SPF gemotiveerd betwist.

4.3

Op de stellingen van partijen wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1

[gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3], [gedaagde 4] en SPF hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat het spoedeisend belang bij een beoordeling van onderhavige vorderingen ontbreekt. Ten aanzien van de gevorderde veroordeling tot betaling van een boetebedrag verwijst de voorzieningenrechter naar hetgeen hij hieronder in rechtsoverweging 5.10 zal overwegen. Ten aanzien van de overige vorderingen van [eiseres] is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verweer dat spoedeisendheid ontbreekt, faalt. Niet in geschil is dat [gedaagde 4] en [gedaagde 3] vijfenhalve maand, [gedaagde 2] vierenhalve maand en [gedaagde 4] drieënhalve maand niet meer werkzaam zijn bij [eiseres]. Dat zij door dit tijdsverloop niet meer zouden beschikken over actuele kennis van het bedrijfsdebiet van [eiseres], zoals zij hebben betoogd, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. Voorts behoeft de enkele omstandigheid dat [eiseres] een aantal maanden hebben laten verlopen voordat zij een vordering in kort geding heeft ingesteld, er niet aan in de weg te staan om aan te nemen dat een spoedeisend belang bij de vordering bestaat. Waar het in deze om gaat, is of [eiseres] ook thans nog een voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. Gelet op het feit dat de onderhavige concurrentiebedingen nog steeds gelding hebben en [eiseres] stelt dat deze worden overtreden, is dit belang voldoende aannemelijk geworden.

5.2

Hiermee komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiseres]. De voorzieningenrechter zal hierbij eerst ingaan op de vorderingen tegen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], vervolgens op de vorderingen tegen [gedaagde 4] en ten slotte op de vorderingen tegen SPF.

De vorderingen tegen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]

5.3

Partijen twisten allereest over het antwoord op de vraag of sprake is van een rechtsgeldig concurrentiebeding. Zoals reeds onder 2.12 is overwogen, is in artikel 11 van de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] het volgende bepaald:

“Het is de werknemer verboden binnen een tijdvak van 1 (één) jaar na beëindiging der dienstbetrekking binnen een kring, met werkgever als middelpunt en met een straal van 50 kilometer, op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij om niet of in welke vorm dan ook bij een bedrijf gelijksoortig of aanverwant aan werkgevers bedrijf of voor eigen rekening of bij cliënten of vroegere cliënten van werkgever”. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben betoogd dat het concurrentiebeding is geformuleerd in één zin, die niet loopt en onleesbaar is. Nu het concurrentiebeding niet correct schriftelijk is overeengekomen, heeft het volgens hen geen gelding en kan het niet tegen hen worden ingeroepen.

5.4

Hoewel de formulering van het concurrentiebeding in één lange zin geen schoonheidsprijs verdient, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de taalkundige bewoording en daarmee de bedoeling van dit beding duidelijk is. Duidelijk is dat het [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op grond van het concurrentiebeding niet vrij stond binnen één jaar na beëindiging van de dienstbetrekking bij [eiseres] werkzaamheden te gaan verrichten voor een bedrijf gelijksoortig of aanverwant aan [eiseres] of voor een (vroegere) cliënt van [eiseres], gevestigd binnen 50 kilometer van [eiseres]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is derhalve sprake van een geldig concurrentiebeding.

5.5

De vraag die partijen vervolgens verdeeld houdt, is of [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dit concurrentiebeding hebben overtreden. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben hierbij in de eerste plaats betoogd dat de verhouding tussen [eiseres] en SPF niet als een verhouding tussen concurrenten dient te worden gekwalificeerd.

5.6

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat SPF op 8 oktober 2013 is opgericht en zich bezig houdt met de handel in buizen, buiscomponenten en metalen. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat SPF een gelijksoortig bedrijf is als [eiseres]. Dat SPF een groothandel is en aan wederverkopers verkoopt en Wiggers voornamelijk aan eindgebruikers verkoopt, doet -wat hier ook van zij- hieraan niet af. [eiseres] heeft immers voldoende aannemelijk gemaakt dat SPF zich (onder meer) op dezelfde klanten als [eiseres] richt. [eiseres] heeft in dit verband een brief overgelegd waarin SPF zich voorstelt. Deze brief luidt -voor zover van belang- als volgt:

“SPF Special Piping + Flanges B.V. is een nieuw bedrijf op het gebied van stalen buiscomponenten en buizen gevestigd te Losser,Overijssel.

(…)

SPF B.V. is een bedrijf met jonge enthousiaste medewerkers die beschikken over meerdere jaren ervaring in de branche.

(…)

Onze kennis en ervaring gecombineerd met “Deutsche Gründlichkeit” zorgen ervoor dat wij uw vragen en wensen perfect begrijpen.

(..)

In de komende weken zullen wij contact met u opnemen voor een nadere kennismaking. Wellicht betekent dit voor u dat u hernieuwd kennis maakt met enkele “oude bekenden”.”

Ondanks dat de door [eiseres] overgelegde brief niet is voorzien van een naam en een adressering, leidt de voorzieningenrechter uit de tekst (onder meer uit de bewoordingen “oude bekenden”) af dat SPF deze brief aan klanten van [eiseres] heeft gezonden. Hiermee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat SPF een concurrent is van [eiseres].

5.7

[gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben in de tweede plaats betoogd dat zij in hun functie bij [eiseres] geen kennis hebben opgedaan die beschermd zou moeten worden door een concurrentiebeding. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren werkzaam in het magazijn en hebben daar logistieke werkzaamheden verricht. [gedaagde 1] was meewerkend voorman en [gedaagde 2] was medewerker logistiek en salesadministratie. [gedaagde 3] was medewerker sales binnendienst. Zij hebben geen kennis van klanten en prijzen, en als zij die al hebben, wordt die beschermd door het geheimhoudingsbeding, aldus [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3].

5.8

De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in hun functie geen kennis hebben genomen van de relevante markt alsook van de bedrijfsgegevens van [eiseres]. [eiseres] is een relatief klein bedrijf, waar [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] meerdere jaren werkzaam zijn geweest. Ook uit de ter zitting door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] afgelegde verklaring valt op te maken dat zij kennis van de markt hebben (onder meer door klantenbezoek). Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4], behoudens de sales assistance, de enige medewerkers van SPF zijn. In de onder 5.6 genoemde introductiebrief verwijst SPF ook zelf naar de opgedane kennis en ervaring, daarmee kennelijk doelend op de kennis en ervaring van [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4].

5.9

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] het concurrentiebeding hebben overtreden. Daarmee ligt de vordering van [eiseres] om [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te veroordelen om zich gedurende de looptijd van het concurrentiebeding te onthouden van het overtreden van het concurrentiebeding, meer in het bijzonder van het op enigerlei wijze werkzaam zijn voor SPF, in beginsel voor toewijzing gereed.

5.10

Ten aanzien van de vordering van [eiseres] om [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te veroordelen tot betaling van een boetebedrag aan [eiseres] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Deze vordering strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is slechts plaats indien het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken dient te worden het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij het gevorderde boetebedrag, nu zij daaromtrent niets heeft gesteld. Ook ter zitting van 15 april 2014 heeft [eiseres] niet gerespondeerd op de stelling van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dat een spoedeisend belang terzake aan de zijde van [eiseres] ontbreekt. Dit onderdeel van de vorderingen zal derhalve thans worden afgewezen.

De vorderingen tegen [gedaagde 4]

5.11

Het dienstverband van [gedaagde 4] met [eiseres] is per 31 oktober 2013 beëindigd door middel van een tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst. [eiseres] en [gedaagde 4] zijn in de beëindigingsovereenkomst onder meer overeengekomen dat [gedaagde 4] na het einde van het dienstverband niet langer gebonden is aan het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en/of relatiebeding. [eiseres] heeft de beëindigingsovereenkomst bij brief van 20 februari 2014 partieel vernietigd. Kern van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde 4] is terug te voeren op de vraag of deze vernietiging rechtsgeldig is. De onderhavige vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 4] zijn in beginsel toewijsbaar wanneer voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure deze vernietiging stand zal houden.

5.12

[eiseres] heeft de vernietiging gebaseerd op dwaling respectievelijk bedrog. Zij heeft daartoe gesteld dat zij het concurrentiebeding in de gevoerde onderhandelingen met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband niet zou hebben laten vallen indien zij had geweten dat [gedaagde 4] bij SPF in dienst zou treden.

[gedaagde 4] had al afspraken met SPF over indiensttreding bij SPF, maar heeft hierover bewust gelogen, aldus [eiseres]. [gedaagde 4] heeft daartegen ingebracht dat [eiseres] nalaat deze stelling inzichtelijk te maken of aan te tonen. Voorts bestond SPF op 31 augustus 2013 nog niet eens; zij is eerst in oktober 2013 opgericht.

5.13

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] thans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dwaling of bedrog. [eiseres] heeft haar stellingen niet onderbouwd, terwijl [gedaagde 4] deze stellingen gemotiveerd heeft betwist. Daar komt bij dat [gedaagde 4] op 19 augustus 2013 door [eiseres] op non-actief is gesteld. Toen bleek dat [eiseres] reeds op 16 augustus 2013 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [gedaagde 4] had ingediend bij de kantonrechter vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Dat de door [eiseres] gestelde omslag in de werkhouding van [gedaagde 4] zijn verklaring vindt in afspraken die hij al had gemaakt met SPF over zijn indiensttreding bij SPF, zoals ter zitting door [eiseres] is betoogd, is thans onvoldoende aannemelijk geworden. Dit betekent dat voorshands niet kan worden aangenomen dat de beëindigingsovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde 4] rechtsgeldig partieel is vernietigd. Nu in deze overeenkomst onder meer is overeengekomen dat [gedaagde 4] na het einde van het dienstverband niet langer gebonden is aan het in de arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentie- en/of relatiebeding, zullen de vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 4] thans worden afgewezen.

De vorderingen tegen SPF

5.14

De vraag die ten aanzien van SPF dient te worden beantwoord, is of zij onrechtmatig jegens [eiseres] handelt door te profiteren van het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3].

5.15

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door het handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig is. Van onrechtmatigheid is pas sprake indien die aangesproken partij weet of behoort te weten dat zijn wederpartij door het sluiten van de desbetreffende overeenkomst, kort gezegd, wanprestatie pleegt jegens een derde, en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden (HR 26 januari 2007, NJ 2007, 78). In het algemeen is het in dienst nemen van een werknemer die voorheen bij een directe concurrent werkte en gebonden is aan een concurrentiebeding dan wel een geheimhoudingsplicht, dus niet zonder meer jegens de voormalige werkgever onrechtmatig te achten. Bijzondere omstandigheden kunnen er toe leiden, dat daarover anders geoordeeld moet worden.

5.16

Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] het concurrentiebeding hebben overtreden. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat SPF wist of behoorde te weten dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] door het sluiten van de arbeidsovereenkomst met SPF wanprestatie pleegden jegens [eiseres]. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat [eiseres] al jaren zaken deed met het moederbedrijf van SPF, te weten Stahl & Plastic Flanschen Handelsgesellschaft Lorenz GmbH & Co. KG te Duitsland. SPF kende [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dan ook als medewerkers van [eiseres]. SPF wist of behoorde dan ook te weten of te begrijpen dat voor hen een concurrentiebeding gold. Dat in Duitsland het wettelijk systeem van een concurrentiebeding anders is en SPF niet kon bevroeden dat een concurrentiebeding gold, zoals ter zitting door [eiseres] is betoogd, doet -wat hier ook van zij- hieraan niet af.

SPF is een professionele partij en van haar mag worden verwacht dat zij hier naar informeert. SPF had zich moeten realiseren dat de mogelijkheid zich kon voordoen dat bij indienstneming van voormalige werknemers van een naaste concurrent, deze gebonden zouden zijn aan een concurrentiebeding. Als bijzondere omstandigheid geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat vier van de tien werknemers van [eiseres] in korte tijd zijn weggegaan bij [eiseres] en direct aansluitend in dienst zijn getreden bij een nieuw opgericht bedrijf, te weten SPF, dat -behoudens de sales assistance- enkel bestaat uit deze vier werknemers en zich heeft gevestigd in de directe nabijheid van [eiseres]. Voorts heeft SPF zich -zoals reeds hiervoor is overwogen- actief bij klanten van [eiseres] geïntroduceerd. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk geworden dat SPF door hun handelwijze bewust profiteert van de wanprestatie van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. De vordering van [eiseres] om SPF te veroordelen voor de looptijd van hun concurrentiebeding de arbeidsovereenkomst met [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te beëindigen en beëindigd te houden, kan echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter vanwege het gesloten ontslagstelsel in Nederland niet worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal wel de (min of meer subsidiair) gevorderde veroordeling om de tewerkstelling van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te staken en gestaakt te houden, toewijzen.

5.17

Ten aanzien van de vordering van [eiseres] om SPF te veroordelen zich te onthouden van het benaderen van bij [eiseres] in dienst zijnde medewerkers, dan wel hen te bewegen om een dienstverband met SPF aan te gaan, overweegt de voorzieningenrechter dat [eiseres] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat SPF deze medewerkers reeds heeft benaderd danwel op korte termijn zal gaan benaderen. Reeds gelet hierop heeft [eiseres] thans geen belang bij deze vordering. Deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

6 De beoordeling in voorwaardelijke reconventie

6.1

[gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben de reconventionele vorderingen voorwaardelijk ingesteld, te weten onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat sprake is van een geldig concurrentiebeding tussen partijen en dat sprake is van schending van dit concurrentiebeding. Uit de overwegingen in conventie volgt dat de reconventionele vorderingen van [gedaagde 4] geen behandeling behoeven. Op de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dient wel te worden beslist, nu de voorwaarden waaronder deze zijn ingesteld, in vervulling zijn gegaan.

6.2

In reconventie hebben [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] allereerst gevorderd om het concurrentiebeding te schorsen in afwachting van een uitspraak in een bodemprocedure.

6.3

Ingevolge artikel 7:653 lid 2 BW kan de rechter een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen op grond dat in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. In het kader van een kort geding procedure kan dit leiden tot schorsing van het concurrentiebeding.

6.4

[gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben gesteld dat zij last hadden van de slechte werksfeer bij [eiseres]. Zij hebben hierover alle drie afzonderlijk een verklaring ter zitting afgelegd. Daarnaast speelde het gebrek aan toekomstperspectief hen parten.

Geen van drieën heeft enige positieverbetering kunnen bereiken in de periode dat zij werkzaam zijn geweest bij [eiseres]. Door hun overstap hebben zij een forse carrièresprong kunnen maken. [gedaagde 3] verdient thans € 650,00 bruto per maand meer dan hij bij [eiseres] verdiende, [gedaagde 2] € 500,00 bruto per maand meer en [gedaagde 1] € 400,00 bruto per maand meer. Deze omstandigheden rechtvaardigen volgens [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een schorsing van het concurrentiebeding.

6.5

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een concurrentiebeding een instrument is waarmee een onderneming haar bedrijfsbelangen kan beschermen door te voorkomen dat (ex-)werknemers met de binnen het bedrijf opgedane kennis de onderneming concurrentie kunnen aandoen of een concurrent kunnen helpen bij het beconcurreren van die onderneming. Het zou weinig zinvol zijn een dergelijk beding op te nemen in bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst als dit op eerste vordering van de werknemer die van een dergelijk beding bij zijn verdere carrière hinder ondervindt, opzij gezet zou kunnen worden. Onder omstandigheden kan sprake zijn van een situatie waarin een persoon onredelijk zwaar in zijn belangen wordt geschaad indien een overeengekomen concurrentiebeding onverkort gehandhaafd blijft. In een dergelijke situatie kan een beding dan in omvang of in tijd beperkt worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet een dergelijke situatie zich hier echter niet voor. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wisten dat zij gebonden waren aan een concurrentiebeding bij [eiseres]. Voorts hebben zij zelf het initiatief genomen tot beëindiging van het dienstverband bij [eiseres]. Dat de werkomstandigheden bij [eiseres] slecht waren, doet -wat hier ook van zij- hieraan niet af. Het staat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] immers vrij om voor een bedrijf te gaan werken, dat niet onder de werking van het concurrentiebeding valt. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij op grond van hun opleiding of ervaring zijn aangewezen op een functie in de buizenbranche. Evenmin is derhalve aannemelijk dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet werkzaam kunnen zijn voor een bedrijf, dat niet onder de werking van het concurrentiebeding valt en hen een volwaardig gezinsinkomen oplevert. Voorts hebben [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een belangrijke positieverbetering bij SPF. De gestelde loonsverhoging is hiertoe onvoldoende nu zij deze loonsverhoging wellicht ook bij andere bedrijven kunnen bedingen. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [eiseres] bij bescherming van haar bedrijfsdebiet dient te prevaleren boven het belang van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om in dienst te treden bij SPF.

6.6

Uit het vorengaande volgt dat, nu er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in een bodemprocedure waarschijnlijk geen gehele of gedeeltelijke vernietiging zal plaatsvinden van het concurrentiebeding, er geen aanleiding bestaat het concurrentiebeding te schorsen. De vordering tot schorsing zal dan ook worden afgewezen. Evenmin bestaat er aanleiding om de duur van het concurrentiebeding te verkorten; deze vordering zal eveneens worden afgewezen.

6.7

Voorts hebben [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] -in het geval verboden wordt om in dienst te blijven van SPF- gevorderd op grond van artikel 7:653 lid 4 BW een vergoeding toe te kennen ter grootte van een bruto jaarsalaris, zoals zij in dienst van SPF hadden kunnen verdienen. Ten aanzien van deze vordering overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

6.8

Op grond van artikel 7:653 lid 4 BW kan de rechter, indien een concurrentiebeding de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn, bepalen dat de werkgever voor de duur van de beperking aan de werknemer een vergoeding moet betalen. Uit hetgeen hiervoor reeds onder 6.5 is overwogen, volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de vordering van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot betaling van een vergoeding zal worden afgewezen, nu zij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij in belangrijke mate belemmerd worden om anders dan in dienst van [eiseres] werkzaam te zijn.

6.9

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.10 over de vordering tot betaling van een boetebedrag is geoordeeld, behoeft de in reconventie gevorderde matiging van het boetebedrag thans geen bespreking.

Slotsom

6.10

De in conventie gevorderde dwangsommen zullen worden gemaximeerd als na te melden.

6.11

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de veroordelingen in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

6.12

Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zal de voorzieningenrechter de proceskosten zowel in conventie als in voorwaardelijke reconventie compenseren.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

I. Veroordeelt [gedaagde 1] om zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, gedurende de looptijd van het concurrentiebeding, te onthouden van het overtreden van het concurrentiebeding, meer in het bijzonder van het op enigerlei wijze werkzaam te zijn voor SPF, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 1] hieraan niet voldoet, zulks tot een maximum van € 100.000,00;

II. Veroordeelt [gedaagde 2] om zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, gedurende de looptijd van het concurrentiebeding, te onthouden van het overtreden van het concurrentiebeding, meer in het bijzonder van het op enigerlei wijze werkzaam te zijn voor SPF, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 2] hieraan niet voldoet, zulks tot een maximum van € 100.000,00;

III. Veroordeelt [gedaagde 3] om zich met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis, gedurende de looptijd van het concurrentiebeding, te onthouden van het overtreden van het concurrentiebeding, meer in het bijzonder van het op enigerlei wijze werkzaam te zijn voor SPF, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde 3] hieraan niet voldoet, zulks tot een maximum van € 100.000,00;

IV. Veroordeelt SPF om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis en voor de looptijd van hun concurrentiebeding, de tewerkstelling van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat SPF hieraan niet voldoet, zulks tot een maximum van € 100.000,00;

V. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VI. Wijst af het meer of anders gevorderde;

In voorwaardelijke reconventie

VII. Wijst de vorderingen af;

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

VIII. Compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.