Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2135

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
ak_zwo_14_732_14_733
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1859, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning ingevolge de Wabo voor de activiteiten bouwen van een varkensschuur en beperkte milieutoets voor het houden van vleesvarkens.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2014-04-25
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2014-04-25
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10, geldigheid: 2014-04-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1979

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummers: Awb 14/732 en 733

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: ing. R.F.M. Kuiphuis,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne,

verweerder.

Derde belanghebbenden:

[naam 1] en [naam 2], beiden wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. drs. H. Witbreuk, advocaat te Almelo.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2013 heeft verweerder aan verzoeker een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de activiteiten bouwen van een varkensschuur en beperkte milieutoets voor het houden van vleesvarkens op het perceel [adres].

Tegen dat besluit is door [naam 1] en [naam 2], voornoemd, alsmede door [naam 3] en [naam 4], wonende te [woonplaats], bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft verweerder het bezwaar van [naam 3] en [naam 4] ongegrond verklaard. Het bezwaar van [naam 1] en [naam 2] is gegrond verklaard en het besluit van 31 juli 2013 is herroepen. Tevens heeft verweerder het voornemen uitgesproken om medewerking te verlenen aan de aanvraag middels het opstarten van de uitgebreide procedure.

Op 27 maart 2014 heeft verzoeker tegen dat besluit beroep ingesteld alsmede verzocht een voorlopige voorziening te treffen en zo mogelijk gelijk een uitspraak te doen in de hoofdzaak

Het verzoek is ter zitting van 15 april 2014 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Kruit en

S. Jurrien, medewerkers van de gemeente Borne. Derde belanghebbenden [naam 1] en [naam 2] zijn beiden in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, terwijl [naam 3] en [naam 4] eveneens beiden in persoon zijn verschenen.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak geen nader onderzoek vergen. De voorzieningenrechter zal dan ook onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Belanghebbenden

Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Artikel 8:26, eerste lid, van de Awb strekt er echter niet toe dat een belanghebbende als partij kan worden toegelaten die geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zelf beroep in te stellen. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld.

[naam 1] en [naam 2] wonen op het aangrenzende perceel [adres]. [naam 3] en [naam 4] wonen op een afstand van circa 160 meter van het perceel [adres]. Zowel [naam 1] en [naam 2] als [naam 3] en [naam 4] zijn om die reden belanghebbende bij de in geding zijnde omgevingsvergunning.

Het bezwaar van [naam 3] en [naam 4] tegen de in geding zijnde omgevingsvergun-ning is ongegrond verklaard. Nu zij daartegen geen beroep hebben ingesteld en niet is gebleken dat hen daarvan geen verwijt kan worden gemaakt, kunnen zij om die reden niet worden toegelaten tot deze procedure. Het feit dat de rechtbank [naam 3] en [naam 4] volledigheidshalve wel heeft uitgenodigd om deel te nemen aan het geding en dat zij ter zitting het woord hebben kunnen voeren, maakt dat niet anders.

Op grond van het vorenstaande worden alleen [naam 1] en [naam 2] in deze procedure als belanghebbende partij toegelaten.

Spoedeisend belang

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder op 2 april 2014 aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd om uiterlijk op 10 mei 2014 de hoeveelheid dieren op het bedrijf aan de [adres] terug te brengen en teruggebracht te houden tot het maximum aantal dat volgens het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij te toegestaan. Indien verzoeker hieraan niet voldoet wordt een dwangsom van € 10.000,-- per week of een gedeelte van een week verbeurd tot een maximum van € 40.000,--. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de varkens op dit moment nog te jong zijn voor de slacht en niet mogen worden vervoerd. De dieren zullen daarom moeten worden afgemaakt indien deze niet in de stal kunnen blijven. Verzoeker heeft er daarom belang bij om over de herroepen omgevingsvergunning inclusief beperkte milieutoets te kunnen beschikken, ten einde de intensieve veehouderij ter plaatse te kunnen blijven uitoefenen.

Op grond hiervan kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden aangenomen dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn onderhavige verzoek.

Omvang van het geschil

Blijkens gestelde in het verzoek- en beroepschrift en het verhandelde ter zitting is in deze zaak uitsluitend in geschil de vraag of de activiteit bouwen in strijd is met de bestemmingsplannen “Buitengebied Borne” en “Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie”. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of ter plaatse sprake is van een “bestaande intensieve veehouderij” die volgens de bestemmingsplanregels uitsluitend is toegestaan. De voorzieningenrechter zal zich daarom tot deze vraag beperken.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en i van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(……………)

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo - voor zover hier van belang - wordt de omgevingsvergunning welke betrekking heeft op de activiteit bouwen geweigerd indien:

(…)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of artikel 4.1., derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

(...).

Ingevolge artikel 2.10 juncto artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het de plicht van burgemeester en wethouders om een omgevingsvergunning te verlenen wanneer een aanvraag voor de bouwactiviteit aan elk van de criteria voldoet en de plicht om een vergunning te weigeren wanneer een aanvraag voor de bouwactiviteit niet aan één van deze criteria voldoet.

Het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft is gelegen in het gebied waarop de bestemmingsplannen “Buitengebied” (16 september 2004) en “Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie” (28 september 2010) van toepassing zijn. Het perceel heeft op grond van deze bestemmingsplannen de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden”.

Ingevolge artikel 8.1.1 van het bestemmingsplan “Buitengebied Borne” zijn de op de plankaart aangewezen gronden met deze bestemming bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Volgens artikel 1 van de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied Borne” wordt onder “Agrarisch bedrijf” verstaan: een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, uitgezonderd vis- en wormkwekerijen; voor zover het geen nieuwvestiging van een intensief veehouderijbedrijf betreft (Goedkeuringsbesluit GS d.d. 26 april 2005).

Middels artikel 4, aanhef en onder e, van het bestemmingsplan “Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie” is aan artikel 8.1.1 van het bestemmingsplan “Buitengebied Borne” toegevoegd dat uitsluitend de bestaande intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op 1 februari 2004 aan de voormalige eigenaar van het perceel [adres] een milieuvergunning (revisievergunning) is verleend voor het houden van vleesvarkens en schapen, en de daarbij behorende opslag van mest, hulp- en voedingsstoffen.

In januari 2010 is op verschillende data mest afgevoerd van het perceel en zijn 72 varkens naar de slachterij gebracht.

Op 25 maart 2010 heeft de voormalige eigenaar een bedrijfsontwikkelingsplan ingediend, ten einde te voldoen aan de gedoogcategorie uit het Actieplan Ammoniak Veehouderij B.2, omdat de stal niet meer voldeed aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.

Bij een controle op 4 oktober 2010 is geconstateerd dat de inrichting niet in werking was en dat er geen activiteiten plaatsvonden.

Verzoeker is op 19 januari 2012 eigenaar geworden van het perceel. Hij heeft op 12 novem-ber 2013 aan verweerder meegedeeld dat de schuur in december 2012 in gebruik is genomen voor het stallen van vee.

Op 11 februari 2013 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor de bouw van een vleesvarkensstal, welke aanvraag op 6 maart 2013 weer is ingetrokken.

Op 6 maart 2013 heeft verzoeker de onderhavige aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.

Verweerder is van mening dat de varkensschuur in ieder geval tussen oktober 2010 en december 2012, derhalve gedurende een periode van 26 maanden, niet in gebruik is geweest voor intensieve veehouderij. Verder is volgens verweerder niet gebleken dat de vorige eigenaar of verzoeker de intentie hadden om het gebruik voort te zetten. Verweerder stelt zich daarom op het standpunt dat ten tijde van de vergunningaanvraag geen sprake was van een bestaande intensieve veehouderij. Verweerder heeft hierbij aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot voortgezet gebruik in het kader van de beschermende werking van het overgangsrecht in bestemmingsplannen ten aanzien van gebruik. Verweerder van mening is dat deze jurisprudentie analoog kan worden toegepast voor de uitleg van het begrip “bestaande intensieve veehouderij” in de onderhavige bestemmingplannen.

Nu ten tijde van de aanvraag voor een omgevingsvergunning geen sprake (meer) was van bestaand gebruik als intensieve veehouderij is het bouwplan volgens verweerder in strijd met het bestemmingsplan en is de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in bezwaar alsnog herroepen.

Blijkens het beroepschrift kan verzoeker zich niet met dit besluit verenigen. Verzoeker is het met name niet eens met het standpunt van verweerder dat geen sprake is van bestaand gebruik als intensieve veehouderij. Verzoeker is van mening dat het perceel de bestemming heeft ten behoeve van intensieve veehouderij en die bestemming heeft behouden, ongeacht of er tijdelijk wel of geen vleesvarkens worden gehouden.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat het in deze zaak niet gaat om een overgangsrechtelijke situatie maar om rechtstreekse toetsing van het bouwplan aan de vigerende bestemmingsplannen “Buitengebied Borne en “Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie”. Met andere woorden of intensieve veehouderij ter plaatse “bij recht” is toegestaan.

Niet in geschil is dat het bedrijf dat verzoeker op het perceel [adres] wil voeren een intensieve veehouderij is. Evenmin is in discussie dat in ieder geval tot en met januari 2010 een intensieve veehouderij aanwezig was op dat perceel.

Het perceel [adres] ligt in een verwevingsgebied, gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is, zolang de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten. Blijkens de toelichting op het bestemmingsplan “Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie” is nieuwvestiging van intensieve veehouderijen uitgesloten. Bestaande bedrijven dienen wel hervestigings- en uitbreidingsmogelijkheden te houden. (Her)vestiging op een bestaand bouwvlak zonder intensieve veehouderij is niet mogelijk. (Her)vestiging van een intensieve veehouderij op een bouwvlak waar al een intensieve veehouderij aanwezig is, is in principe mogelijk.

Blijkens de plantoelichting van het bestemmingsplan “Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie” is voor de definitie van intensieve veehouderij aansluiting gezocht bij hetgeen het Reconstructieplan Salland-Twente (hierna te noemen: het reconstructieplan) verstaat onder intensieve veehouderij. Het reconstructieplan is op 15 september 2004 door Provinciale Staten van Overijssel vastgesteld.

In de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied Borne, actualisatie en reparatie” is niet opgenomen wat het peilmoment is voor de bepaling of sprake is van bestaande intensieve veehouderij. Op grond van het reconstructieplan geldt echter als algemene regel dat de (her)vestiging van een intensief veehouderijbedrijf op een bestaand bouwblok waar op het tijdstip van terinzagelegging van het reconstructieplan geen intensieve veehouderij aanwezig is, in een verwevingsgebied niet mogelijk is. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 oktober 2013, zaaknummer 201211936/1/R1, ECLI:NL:RVS:2013:1722.

De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat ook in het onderhavige geval bij de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van bestaande intensieve veehouderij moet worden uitgegaan van het tijdstip van terinzagelegging van het reconstructieplan en niet van de datum van de vergunningaanvraag.

Het ontwerp van het reconstructieplan heeft van 7 januari tot en met 4 februari 2004 ter inzage gelegen. Niet in geschil is dat toen reeds sprake was van bestaande intensieve veehouderij op het perceel [adres]. Dit blijkt ook uit het feit dat op 1 februari 2004 aan de voormalige eigenaar van het perceel een revisievergunning is verleend voor onder meer het houden van vleesvarkens.

De ten tijde van de terinzagelegging van het reconstructieplan bestaande intensieve veehouderijbedrijven zijn bij recht aanwezig en mogen derhalve blijven voortbestaan totdat de planwetgever ingrijpt bij beëindiging van de exploitatie. Dat laatste is tot nu toe niet gebeurd. Het gebruik van het perceel [adres] voor intensieve veehouderij mag daarom door verzoeker worden voortgezet, ook al is dat gebruik tussen oktober 2010 en december 2012 enige tijd onderbroken geweest.

Uit het vorenstaande volgt dat het bouwplan van verzoeker niet in strijd is met de bestemming “Agrarisch bedrijf”. Verweerder heeft derhalve bij het bestreden besluit de omgevingsvergunning van 31 juli 2013 ten onrechte herroepen.

Gelet hierop komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 2.10 juncto 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond. Door de vernietiging van het bestreden besluit herleeft de omgevingsvergunning van 31 juli 2013.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De voorzieningenrechter acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken, zijnde de kosten van rechtsbijstand (2 punten ad € 487,-- voor het gecombineerde verzoek- en beroepschrift en de behandeling ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ad € 974,--, door verweerder te betalen aan verzoeker;

  • -

    verstaat dat verweerder aan verzoeker het door hem in verband met het verzoek en het beroep betaalde griffierecht van in totaal € 330,-- vergoedt.

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en door hem en G. Kootstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open voor zover is beslist op het beroep. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep.