Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2093

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
18-04-2014
Zaaknummer
2930630 CV EXPL 3418/14
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering na afwijzing (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek. Reden ontslag op staande voet onvoldoende duidelijk in ontslagbrief. Brief gemachtigde, twee dagen later, waarin duidelijkheid wel wordt geschept kan werkgever niet baten. Loonvordering toegewezen. Wedertewerkstelling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0365
AR 2014/212

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummer : 2930630 CV EXPL 3418/14

Uitspraak : 17 april 2014

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

hierna ook wel te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.T.A. Lamers

juriste bij FNV Bondgenoten, Individuele Dienstverlening,

kantoorhoudende te Deventer

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Noordegraaf Hengelo B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Hengelo (O)

gedaagde partij

hierna ook wel te noemen: Noordegraaf

gemachtigde: mr. J.C. Dingeldein

advocaat te Enschede

1 procedure

1.1

[eiser] heeft bij dagvaarding van 3 april 2014 Noordegraaf opgeroepen in kort geding te verschijnen ter zitting van maandag 14 april 2014 om 10:00 uur.
Ter zitting verschenen [eiser] vergezeld van mr. Lamers. Noordegraaf is verschenen bij haar directie, de heren [X] en [Y], bijgestaan door mr. Dingeldein.

Beide partijen hebben hun respectievelijke standpunten mondeling weergegeven, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 feiten

2.1

Bij de beoordeling van dit geschil wordt uitgegaan van de hierna opgesomde feiten. Deze worden voorshands als vaststaand beschouwd omdat zij door een van partijen zijn gesteld en door de andere partij zijn erkend dan wel niet of onvoldoende zijn bestreden.

2.2

[eiser], geboren [1952], is sedert 1 maart 1991 bij Noordegraaf in dienst, aanvankelijk als monteur, naderhand werkzaam op de autoambulance. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 2.620,02 bruto per maand.

2.3

Op vrijdag 20 december 2013 heeft Noordegraaf voor haar werknemers een kerstborrel georganiseerd. Rond 21.00 uur begonnen de eerste mensen aanstalten te maken om huiswaarts te keren. [eiser] heeft als tweede of derde werknemer het pand verlaten.

2.4

Later ging ook de werknemer [A] naar huis, doch hij kwam al snel daarna terug met de mededeling dat zijn fiets niet meer in de fietsenstalling stond.

2.5

In de week voor Kerst heeft Noordegraaf beveiligingscamera’s laten plaatsen. Op de werkvloer was dit bekend.

2.6

[X], directeur van Noordegraaf, en de heer [W], werkplaatscoördinator, hebben op kerstavond een bezoek gebracht aan Securion om aldaar de camerabeelden te bezien. Op die beelden is te zien dat [eiser] eerst om de hoek kijkt en vervolgens een fiets oppakt en om de hoek van een gedeelte van het bedrijfspand loopt met de fiets in de armen. Er zijn ook beelden van de op het achterterrein gestalde camera waar [eiser] op verschijnt met een door hem gedragen fiets en zichtbaar is dat hij zich naar de verste uithoek van het 9.000 m2 grote bedrijfsterrein begeeft. De afgelegde afstand met de fiets is ongeveer 150 meter. Daarna komt [eiser] weer in beeld, maar zonder de fiets. Vervolgens gaat hij weer naar de plaats waar de werknemers hun fietsen stallen, stapt op zijn eigen fiets en verlaat het bedrijfsterrein.

2.7

Op 30 december 2013 wordt [eiser] geconfronteerd met de camerabeelden. Hij vertelde dat één en ander een grap was.

2.8

[eiser] wordt vervolgens op staande voet ontslagen, waarbij hem de ontslagbrief persoonlijk is aangereikt door de directie van Noordegraaf. In de brief wordt het navolgende vermeld, voor zover hier van belang:

[… .] Hierbij bevestigen wij dat wij, naar aanleiding van het voorval na de Kerstborrel op vrijdag 20 december 2013, hebben wij moeten besluiten u per heden op staande voet te ontslaan.

Met het “voorval” wordt bedoeld het feit dat u bij uw vertrek van de Kerstborrel een fiets van een collega heeft veiliggesteld in de zin dat u die fiets heeft meegenomen van de parkeerplaats en heeft gestald in een uithoek van het bedrijfsterrein. Wij hebben u de beelden van de beveiligingscamera’s getoond. Op die beelden is het voorgaande duidelijk te zien. De fiets is uiteindelijk gelukkig weer in het bezit gekomen van de collega. [… .] U heeft nadien nog gewerkt maar heeft het niet nodig gevonden om uw handelen op te biechten.

Uw handelen is ontoelaatbaar en heeft voor veel onrust gezorgd bij uw collega’s. Het vertrouwen in u heeft u op zodanige wijze beschaamd dat het niet langer mogelijk is om uw arbeidsovereenkomst voor te zetten en vandaar dat wij u op staande voet moeten ontslaan. [… .]

2.9

Bij brief van 1 januari 2014 heeft [eiser] zich beroepen op de vernietigbaarheid van het gegeven ontslag.

2.10

Op 2 januari 2014 richt de gemachtigde van Noordegraaf zich bij brief tot [eiser] in de navolgende bewoordingen, voor zover hier van belang:

[… .] Autobedrijf Noordegraaf B.V. heeft u op maandag 30 december 2013 op staande voeten moeten ontslaan omdat u zich schuldig heeft gemaakt aan (poging tot) diefstal van eigendommen van een collega [… .]

2.11

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 26 januari 2014, heeft Autobedrijf Noordegraaf B.V. de kantonrechter verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog mocht bestaan, per zo vroegst mogelijke datum te ontbinden.

2.12

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 11 maart 2014, heeft de kantonrechter het verzoek van Autobedrijf Noordegraaf B.V. tot voorwaardelijke ontbinding van de met [eiser] bestaande arbeidsovereenkomst afgewezen. In deze beschikking heeft de kantonrechter onder meer het navolgende overwogen:

Noordegraaf heeft vol ingezet op de poging tot diefstal en is daarbij voor een groot deel voorbij gegaan aan de belangen van [eiser]. Het moge dan zo zijn dat het gedrag van [eiser] niet fraai te noemen is, Noordegraaf heeft hem min of meer te kijk gezet als dief en daarmee een situatie gecreëerd, waarbij [eiser] ernstig is beschadigd.

Noordegraaf construeert daar uit een situatie, waarbij zij het vertrouwen in [eiser] geheel is kwijtgeraakt, maar zij vergeet daarbij dat zij het in haar macht heeft gehad om de-escalerend te werk te gaan. Zij heeft immers mogelijk op onvoldoende gronden [eiser] het stempel van dief opgeplakt, waarbij zij te voortvarend te werk is gegaan en te weinig oog heeft gehad voor de mogelijkheid dat er wellicht toch sprake geweest zou kunnen zijn van een grap.

3 geschil

3.1

[eiser] vordert, op straffe van een op te leggen dwangsom, Noordegraaf te veroordelen hem toe te laten tot de bedongen werkzaamheden van chauffeur, alsmede Noordegraaf te veroordelen tot betaling van een bedrag groot € 7.958,31 bruto ter zake achterstallig loon vanaf 30 december 2013, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente. [eiser] vordert voorts een bedrag van € 72,91 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van Noordegraaf in de kosten van deze procedure. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het ontslag op staande voet een dringende reden ontbeert zowel in objectieve als in subjectieve zin. Het ontslag is niet onverwijld gegeven en de reden voor het ontslag is niet gelijktijdig medegedeeld althans later gewijzigd. Vervolgens zijn de gevolgen van het ontslag te ernstig in vergelijking met het belang dat Noordegraaf heeft tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [eiser]. Afgezien van genoemde formele vereisten stelt [eiser] dat hij direct heeft gezegd dat hij een grap heeft uitgehaald, een slechte grap maar een grap. Een grap die tot een waarschuwing had moeten leiden, maar niet mag leiden tot de meest verregaande sanctie die het arbeidsrecht kent, een ontslag op staande voet.

3.2

Noordegraaf betwist de vorderingen van [eiser] en concludeert tot afwijzing daarvan. Noordegraaf weerspreekt dat het ontslag niet onverwijld zou zijn gegeven. Zij voert daartoe aan dat zij niet over één nacht ijs is gegaan. Om er zeker van te zijn dat het [eiser] is geweest die de fiets had willen stelen heeft zij op vrijdag 27 december 2013 de beelden van de camera opgevraagd die op het achterterrein is geplaatst. Toen duidelijk bleek dat het [eiser] was geweest, heeft zij eerst juridisch advies in willen winnen alvorens een definitieve beslissing te nemen. De handelwijze van [eiser], een poging tot diefstal van een fiets van een collega, kan en mag niet worden getolereerd binnen een onderneming, daardoor restte Noordegraaf niets anders dan [eiser] op staande voet te ontslaan.

Met betrekking tot de reden van het ontslag stelt Noordegraaf bewust voor de milde bewoording: “het veilig stellen van een fiets” te hebben gekozen. Veiligstellen is een eufemisme voor diefstal. Er is geen sprake van het wijzigen van de reden voor het ontslag. De reden is (poging tot) diefstal en dat is ook de strekking van de ontslagbrief en zo met [eiser] besproken op 30 december 2013.

De vordering tot toelating tot de werkzaamheden kan in een voorlopige voorziening niet worden toegewezen. Eerst zal in de bodemprocedure bepaald moeten worden of het ontslag terecht is gegeven. Hetzelfde geldt voor de vorderingen ter zake loon en wettelijke verhoging. Daarbij beroept Noordegraaf zich op het restitutierisico als de loonvordering van [eiser] in deze procedure wordt toegewezen en het ontslag in de bodemprocedure stand houdt.

4 beoordeling

4.1

Vooropgesteld dient te worden dat voor toewijzing van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening alleen dan aanleiding is, indien op grond van de thans gebleken feiten en omstandigheden aannemelijk is dat in een bodemprocedure de beslissing gelijkluidend zal zijn.

4.2

Bij een opzegging wegens een dringende reden moet die reden gelijktijdig met de opzegging aan de wederpartij worden medegedeeld (7:677 BW). Volgens vaste rechtspraak moet de mededeling van de dringende reden zodanig geschieden, dat het de wederpartij onmiddellijk volkomen duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt de dienstbetrekking te beëindigen. Indien door de mededeling dit doel wordt bereikt, voldoet zij aan de eisen der wet.

4.3

Vooralsnog is de kantonrechter van oordeel dat de ontslagbrief van 30 december 2013 de hiervoor bedoelde duidelijkheid niet biedt en dus niet voldoet aan de eisen der wet. De kantonrechter gaat er dan ook voorlopig van uit dat de bodemrechter tot de conclusie zal komen dat het aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet geen stand zal houden. De kantonrechter begrijpt niet waarom Noordegraaf voor de ‘milde bewoordingen’ heeft gekozen daar waar duidelijkheid een strikt vereiste is. De stelling van Noordegraaf dat zij de zaak voor de buitenwereld niet te zwaar wilde aanzetten is merkwaardig, nu zij met het ontslag het tegendeel heeft bereikt. Het feit dat Noordegraaf bij brief van haar gemachtigde d.d. 2 januari 2014 naderhand de “ware” reden, te weten de (poging tot) diefstal van een fiets van een collega, en dus [eiser] die duidelijkheid wel heeft verschaft kan haar niet baten.

4.4

De vraag of het ontslag op staande voet al dan niet onverwijld is gegeven behoeft op grond van het hiervoor overwogen geen bespreking meer en zal, zo nodig, door de bodemrechter moeten worden beantwoord.

4.5

De kantonrechter zal ten overvloede zijn voorlopige visie gegeven op het gegeven ontslag op staande voet. De in de ontslagbrief geformuleerde reden: “het veiligstellen van een fiets van de collega, in de zin dat [eiser] die fiets heeft meegenomen van de parkeerplaats en deze heeft gestald in het uithoek van het bedrijfsterrein” kwalificeert de kantonrechter vooralsnog niet als een dringende reden in de zin der wet, ten gevolge waarvan van Noordegraaf niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [eiser] te laten voortduren, maar meer als een misplaatste grap. Het door Noordegraaf hierop gegeven ontslag op staande voet acht de kantonrechter een buitenproportionele reactie, daar waar in de gegeven omstandigheden een officiële waarschuwing, een inhouding van salaris, dan wel een schorsing, meer recht had gedaan aan de situatie. Het komt de kantonrechter voorlopig oordelend voor dat het niet de bedoeling van [eiser] was zich de fiets wederrechtelijk toe te eigenen. Concrete aanwijzingen dat dit anders was, zijn er in onvoldoende mate.

4.6

Het voren overwogene betekent dat de loonvordering van [eiser] kan worden toegewezen. Met het oog op de omstandigheden van het geval komt het de kantonrechter billijk voor de wettelijke verhoging te beperken tot een maximum van 10%.
Het beroep op het restitutierisico van Noordegraaf zal de kantonrechter verwerpen. Honorering hiervan zou betekenen dat een op staande voet ontslagen werknemer nimmer meer een loonvordering in kort geding zou kunnen instellen. Dit restitutierisico is inherent aan een gegeven ontslag op staande voet en kan in dat geval niet aan de werknemer worden tegengeworpen.

4.7

De medegevorderde tewerkstelling zal de kantonrechter afwijzen. Een gedwongen terugkeer van [eiser] op de werkvloer bij Noordegraaf, dat wil zeggen tegen de wil van de werkgever, zal slechts escalerend werken en is noch in het belang van [eiser] noch in het belang van Noordergraaf. Zulks neemt niet weg dat [eiser], voor zover Noordegraaf hiertoe mocht besluiten, op eerste afroep door Noordegraaf zich beschikbaar moet te stellen zijn werkzaamheden te verrichten.

4.8

De door Noordegraaf niet weersproken buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar.

4.9

Noordegraaf zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

5 rechtdoende

5.1

Veroordeelt Noordegraaf om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.958,31 bruto, ter zake loon vanaf 30 december 2013, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW hierover tot een maximum van 10%, en voorts vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening.

5.2

Veroordeelt Noordegraaf om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 72,91, exclusief BTW, ter zake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 3 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

5.3

Veroordeelt Noordegraaf in de kosten van dit geding tot op heden aan de zijde van [eiser] gevallen en begroot op € 712,80, waarin begrepen een bedrag van € 400,00 aan gemachtigdesalaris.

5.4

Verklaart dit vonnis tot hier uitvoerbaar bij voorraad.

5.5

Wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen te Enschede door mr. M.H. van Rhijn, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.