Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:2058

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
155032 FT RK 561/14
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Misbruik van faillissements(proces)recht door het indienen, in een periode van ruim een jaar, van vier defensieve verzoeken wettelijke schuldsanering en het intrekken van drie van deze verzoeken kort voor of op de dag van de schuldsaneringszitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

rekestnummer: 155032 FT RK 561/14

uitspraakdatum: 16 april 2014

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren [1970] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verder [verzoeker] te noemen.

Het procesverloop

Bij rekest van 11 maart 2013 heeft [belanghebbende 1] het faillissement aangevraagd van [verzoeker]. Bij brief van 26 maart 2013 heeft [verzoeker] een (onvolledig) verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. [verzoeker] is bij brief van 12 april 2013 opgeroepen voor de behandeling van zijn verzoek ter terechtzitting van 4 juni 2013. Op 4 juni 2013 heeft [verzoeker] zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling schriftelijk ingetrokken.

Bij rekest van 5 november 2013 heeft [belanghebbende 2] het faillissement van [verzoeker] aangevraagd. [verzoeker] heeft vervolgens op 25 november 2013 een (onvolledig) verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. [verzoeker] is opgeroepen voor de behandeling van zijn verzoek ter terechtzitting van 10 december 2013. Bij brief van 9 december 2013 heeft [verzoeker] zijn verzoek ingetrokken.

Bij rekest van 6 februari 2014 heeft [belanghebbende 1] wederom het faillissement van [verzoeker] aangevraagd. Op 12 maart 2014 heeft [verzoeker] schriftelijk een (onvolledig) verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gedaan. [verzoeker] is opgeroepen voor de behandeling van zijn verzoek ter terechtzitting van 13 maart 2014. [verzoeker] heeft zijn verzoek bij brief van 12 maart 2014 ingetrokken.

Bij brief van 13 maart 2014 is [verzoeker] opgeroepen voor de behandeling van het door [belanghebbende 1] op 6 februari 2014 (op 7 februari 2014 ter griffie ontvangen) ingediende rekest ter terechtzitting van 19 maart 2014. Op 17 maart 2014 heeft [belanghebbende 1] aanhouding van de behandeling van het rekest van 6 februari 2014 verzocht. De behandeling is aangehouden tot 16 april 2014. Bij brief van 15 april 2014 heeft [verzoeker] een (onvolledig) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. [verzoeker] is door de griffier van de rechtbank telefonisch opgeroepen voor de behandeling ter zitting op 16 april 2014 om 11:00 uur.

Ter zitting van 16 april 2014 waarop het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsrsegeling van [verzoeker] zou worden behandeld, is niemand verschenen. [verzoeker] was weliswaar aanwezig in het gebouw van de rechtbank, maar is vóór de behandeling vertrokken. Het (onvolledig) verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is niet ingetrokken.

Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van 15 april 2014 zal thans uitspraak worden gedaan.

De beoordeling

De rechtbank overweegt dat in artikel 3 Faillissementswet is bepaald dat een natuurlijk persoon wiens faillissement is aangevraagd, de bevoegdheid heeft een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in te dienen. In artikel 3a lid 2 Faillissementswet is vervolgens bepaald dat het verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op het verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De achterliggende gedachte van onder andere deze bepalingen is dat getracht moet worden de schulden van een natuurlijke persoon door middel van een schuldsaneringsregeling te saneren in plaats van dat een natuurlijk persoon failliet wordt verklaard, het faillissement wegens de toestand van de boedel wordt opgeheven en de schuldeisers de schuldenaar tot in lengte van dagen kunnen blijven achtervolgen.

De bevoegdheid tot het indienen van een schuldsaneringsverzoek ter afwering van het uitspreken van een faillissement kan echter, evenals andere bevoegdheden, misbruikt worden. Dit is onder andere het geval als de bevoegdheid voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor de bevoegdheid bedoeld is. De rechtbank is van oordeel dat hiervan in de onderhavige zaak sprake is. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] zijn bevoegdheid om een zogenaamd defensief schuldsaneringsverzoek in te dienen (telkens) niet aanwendt om in een schuldsaneringsregeling terecht te komen, maar om zijn mogelijke faillietverklaring zoveel mogelijk te traineren of zelfs te blokkeren. [verzoeker] heeft immers vanaf maart 2013 tot en met heden, dus in de periode van ruim een jaar, vier (!) keer een (onvolledig) schuldsaneringsverzoek ingediend ter afwending van zijn faillietverklaring op grond van drie verschillende faillissementsrekesten en heeft het verzoek drie keer een dag vóór of op de dag waarop de behandeling van zijn verzoek plaats zou vinden, ingetrokken. Door het misbruik van de bevoegdheid ontstaat er inmiddels ook strijd met het beginsel dat de schuldeiser die het faillissement van een natuurlijk of rechtspersoon aanvraagt, recht heeft op een beslissing op zijn verzoek tot het uitspreken van een faillissement op zo kort mogelijke termijn.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens misbruik van faillissements(proces)recht moet worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af;

Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 16 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier1.

1 De schuldenaar heeft gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen (art. 292 lid 3 en 361 Fw.).