Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:1967

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
07/996507-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn vader in het zicht van faillissement een geldbedrag ter grootte van € 41.000,-- buiten de boedel van zijn bedrijf gehouden. Hierdoor heeft verdachte zijn de schuldeisers van die onderneming in ernstige mate benadeeld. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk, een taakstraf van 170 uur en een geldboete van €1000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 07/996507-10

Datum vonnis: 14 april 2014

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats],

wonende in Zuid Afrika, [woonplaats], [adres 1].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 maart 2014. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.H.J. Bollen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. M.R.P. Ossentjuk, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: als feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] BV in de periode van 28 juli 2009 tot en met 18 augustus 2009 bedrieglijk bankbreuk heeft gepleegd door de opbrengst van de verkoop van een partij fietsen buiten de boedel te houden, dan wel voornoemd feit in persoon heeft gepleegd;

feit 2: als feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] BV in de periode van 18 augustus 2009 tot en met 16 maart 2010 bedrieglijk bankbreuk heeft gepleegd door niet te voldoen aan de verplichting om de administratie van [bedrijf 1] BV te voorschijn te brengen, dan wel voornoemd feit in persoon heeft gepleegd;

feit 3: op 16 maart 2010 verboden wapens voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

[bedrijf 1] BV in of omstreeks de periode van 28 juli 2009 tot en met 18 augustus 2009 in de gemeente(n) Hoogeveen en/of Assen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met verdachte en/of [verdachte] en/of met één of meer andere natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl [bedrijf 1] BV bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 18 augustus 2009 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,

a. lasten verdicht (heeft) en/of baten niet verantwoord (heeft) en/of enig goed aan de boedel onttrokken (heeft), en/of

b. ter gelegenheid van haar faillissement of op een tijdstip waarop [bedrijf 1] BV en/of haar mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon

worden voorkomen, één of meer van haar schuldeisers van op enige wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c. enig goed, hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft vervreemd,

immers heeft/hebben [bedrijf 1] BV en/of haar mededader(s): een hoeveelheid fietsen en/of onderdelen en/of accessoires verkocht en/of doen verkopen en/of overgedragen en/of doen overdragen aan [getuige 1] h.o.d.n. [bedrijf 2] en/of een betalingsbedrag van ongeveer 41.000 euro op een bankrekening van hem, verdachte en/of [medeverdachte], in ieder geval op een andere bankrekening dan die van [bedrijf 1] BV en/of dan die van de curator in dat faillissement laten storten

en/of (aldus) buiten de boedel gebracht en/of doen brengen en/of uit het zicht en/of uit de macht van de curator gebracht en/of doen brengen en/of gehouden en/of doen houden,

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit/ feiten verdachte al dan

niet tezamen met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, opdracht heeft

gegeven, dan wel aan bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan

niet tezamen met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen feitelijke

leiding heeft gegeven; (07/996501-10: zaak 4) art 341 ahf/ond a ahf/sub 1o Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2009 tot en met 18 augustus 2009 in de gemeente(n) Hoogeveen en/of Assen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] en/of met [bedrijf 1] BV en/of met één of meer (andere) natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl [bedrijf 1] BV bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 18 augustus 2009 in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,

a. lasten verdicht (heeft) en/of baten niet verantwoord (heeft) en/of enig goed aan de boedel onttrokken (heeft), en/of

b. ter gelegenheid van het faillissement van [bedrijf 1] BV of op een tijdstip waarop verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het faillissement niet kon worden voorkomen, één of meer van haar schuldeisers op enige wijze heeft/hebben bevoordeeld, en/of

c. enig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde, heeft vervreemd,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een hoeveelheid fietsen en/of onderdelen en/of accessoires verkocht en/of doen verkopen en/of overgedragen en/of doen overdragen aan [getuige 1] h.o.d.n. [bedrijf 2] en/of een (daarvoor ontvangen) geldbedrag van (ongeveer) EUR 41.000 op een bankrekening van hem, verdachte en/of [medeverdachte], in ieder geval op een andere bankrekening dan die van [bedrijf 1] BV en/of de curator in dat faillissement laten storten en/of (aldus) buiten de boedel gebracht en/of doen brengen en/of uit het zicht

en/of uit de macht van de curator gebracht en/of doen brengen en/of gehouden en/of doen houden;

art 341 ahf/ond a ahf/sub 2o Wetboek van Strafrecht

2.

[bedrijf 1] BV in of omstreeks de periode van 18 augustus 2009 tot en met 16 maart 2010 in de gemeente(n) Westerveld en/of Assen en/of Emmen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl [bedrijf 1] BV bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 18 augustus 2009 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op haar en/of zijn mededader(s) rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen

van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte al dan niet tezamen met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen, opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte al dan niet tezamen met [medeverdachte] en/of met een ander of anderen feitelijke leiding heeft gegeven;

(07/996501-10; zaak 2)

art 341 ahf/ond a ahf/sub 4o Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 18 augustus 2009 tot en met 16 maart 2010 in de gemeente(n) Westerveld en/of Assen en/of Emmen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] BV en/of [medeverdachte] en/of met één of meer andere natuurlijke en/of rechtspersonen, althans alleen, terwijl [bedrijf 1] BV bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 18 augustus 2009 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op hem en/of zijn mededader(s) rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld;

art 341 ahf/ond b ahf/sub 4o Wetboek van Strafrecht;

3.

híj op of omstreeks 16 maart 2010 in de gemeente Assen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad:

-6, althans één of meer busjes met -zogenaamde- pepperspray (van de merken Walther en Protect), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen met (een). giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6o, en/of

-een wapen van categorie III, te weten een alarm- startpistool (merk SM, Rohner Sportwaffenfabrik);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(07/993000-11)

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis, en daarnaast tot acht maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft op basis van het onderliggende strafdossier en de zich daarin bevindende stukken geconcludeerd dat hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van de feiten 1 en 2 zowel in de primaire als subsidiaire vorm moet worden vrijgesproken.

Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1

Feit 1.

Feitelijke gang van zaken

Op 14 oktober 2008 is [bedrijf 1] BV opgericht. De datum van vestiging is

1 september 2008. Aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap is [holding] BV, ook opgericht op 14 oktober 2008. Aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap is verdachte [verdachte]. Verdachte [verdachte] is in functie getreden op 14 oktober 2008.

Medeverdachte [medeverdachte], vader van verdachte [verdachte], heeft in september 2008 besloten niet verder te gaan met zijn onderneming [bedrijf 1] BV. Na overleg met verdachte [verdachte] heeft verdachte [verdachte] de winkel in Hoogeveen voortgezet in [bedrijf 1] BV. Verdachte [verdachte] heeft de inventaris en de bedrijfsvoorraad, alles wat in de winkel in Hoogeveen stond, overgenomen van medeverdachte [medeverdachte].

[medeverdachte] deed de dagelijkse boekhouding. Verdachte [verdachte] had geen verstand van de administratie. Die werd gedaan door [medeverdachte]. Na twee maanden kon verdachte [verdachte] de onderneming geestelijk en lichamelijk niet meer aan. Toen heeft

[medeverdachte] het roer overgenomen.

Bij vonnis van de rechtbank Assen van 18 augustus 2009 is [bedrijf 1] B.V. in staat van faillissement verklaard. Dat faillissement heeft verdachte [verdachte] op

3 augustus 2009 aangevraagd.

Uit de aangifte van curator Grollé, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en de verklaringen van verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] leidt de rechtbank het volgende af.

Verdachte [verdachte] heeft op 28 juli 2009 in samenspraak met de medeverdachte

[medeverdachte] besloten om de onderneming [bedrijf 1] BV te beëindigen. Op dezelfde dag heeft medeverdachte [medeverdachte] telefonisch contact opgenomen met [getuige 1] met de mededeling dat hij een partij fietsen te koop had voor hem. [getuige 1] had die dag geen mogelijkheden om langs te komen, doch medeverdachte [medeverdachte] stond erop dat [getuige 1] die dag nog langs zou komen. Uiteindelijk arriveerde [getuige 1] op 29 juni 2009 omstreeks 01.00 uur bij medeverdachte [medeverdachte] op de zaak in [plaats]. Die nacht heeft [getuige 1] de gehele partij fietsen, onderdelen en accessoires (behorende tot de boedel van [bedrijf 1] BV) gekocht voor een bedrag van € 41.000,--. Verdachte [verdachte] was er van op de hoogte dat de transactie zou plaatsvinden en vervolgens heeft plaatsgevonden. Dezelfde dag (29 juli 2009) vond de levering plaats. Verdachte [verdachte] heeft volgens [getuige 1] meegeholpen met het laden van de restpartij in de vrachtwagen.

Hierna werd [getuige 1], eveneens op 29 juli 2009, gebeld door medeverdachte [medeverdachte], die hem vroeg of [getuige 1] alvast kon betalen. [medeverdachte] heeft het rekeningnummer waarop het bedrag overgemaakt kon worden per sms doorgegeven aan [getuige 1] ([familienaam] [plaats] [rekeningnummer 1]). Op basis van het telefoonbericht en het ontvangen sms-bericht heeft [getuige 1] op 29 juli 2009 middels een spoedboeking € 41.000,-- overgemaakt op de genoemde rekening [rekeningnummer 1]. Deze rekening staat op naam van [medeverdachte] en/of [naam]. Volgens medeverdachte [medeverdachte] had hij nog een vordering op [bedrijf 1] BV van € 35.000,--. Door de verkoop van de partij fietsen aan [getuige 1] werd die schuld ingelost.

Uit de ter beschikking staande administratie is níet gebleken dat medeverdachte [medeverdachte]

€ 35.000,-- naar [bedrijf 1] BV heeft overgeboekt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte [verdachte] samen met zijn vader [medeverdachte] in het zicht van het faillissement van [bedrijf 1] BV op 18 augustus 2009 een partij fietsen, onderdelen en accessoires (behorende tot de boedel van [bedrijf 1] BV) heeft verkocht aan [getuige 1]. Het verkoopbedrag ad € 41.000,-- is niet in de boedel van [bedrijf 1]

[bedrijf 1] BV terecht gekomen, maar is door medeverdachte [medeverdachte] gebruikt voor aflossing van de vordering die hij als privépersoon had op BikeXL “ de fietssuper” BV. Verdachte [verdachte] was hiervan op de hoogte.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte] door deze handelwijze de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van [bedrijf 1] BV doen ontstaan.

Feitelijke leiding

Uit het dossier blijkt dat verdachte [verdachte] twee maanden nadat hij de onderneming van zijn vader had overgenomen en onder de naam [bedrijf 1] BV had voortgezet, vanwege lichamelijk en psychische problemen het roer heeft overgegeven aan zijn vader [medeverdachte]. Verdachte [verdachte] is echter wel formeel bestuurder gebleven en uit het dossier blijkt tevens dat hij volledig op de hoogte was van de transactie met

[getuige 1] en zelf feitelijk betrokken is geweest bij de levering van de fietsen.

Onder deze omstandigheden heeft verdachte [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank samen met medeverdachte [medeverdachte] feitelijk leiding gegeven aan [bedrijf 1] BV terzake van deze transactie.

Conclusie t.a.v. feit 1

Dit leidt tot de conclusie dat hetgeen aan verdachte [verdachte] onder feit 1 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen is.

5.2.2

Feit 2.

Feitelijke gang van zaken

Na de uitspraak van het faillissement van [bedrijf 1] BV op 18 augustus 2009 heeft curator Grollé diverse mondelinge en schriftelijke contacten onderhouden met de verdachte [verdachte] omtrent de uitlevering van de administratie van [bedrijf 1] BV. Uit het dossier blijken de volgende contacten.

Op 18 augustus 2009 heeft verdachte [verdachte] per mail aangegeven dat hij er zorg voor zal dragen dat de boekhouding vóór 25 augustus 2009 tot beschikking van de curator komt.

Op 3 september 2009 heeft verdachte [verdachte] per mail tegenover de curator aangegeven dat hij de administratie niet heeft. Deze zou zijn achtergebleven in het pand aan de [adres 3] te Hoogeveen en deze administratie zou door de heer [naam] (verhuurder van het pand) zijn afgevoerd c.q. weggegooid.

Op 18 september 2009 is verdachte [verdachte] door de curator formeel en materieel aansprakelijk gesteld en verantwoordelijk gehouden voor het ongeschonden te voorschijn brengen van complete financiële administratie/boekhouding, zowel in fysieke als in digitale vorm. De curator sommeert verdachte [verdachte] om binnen veertien dagen na dagtekening, zijnde 18 september 2009, de complete financiële administratie/boekhouding van [bedrijf 1] BV, zowel in fysieke als in digitale vorm, uit te leveren.

Voorts is de curator er niet van overtuigd dat verdachte [verdachte] geen beschikking of toegang zou hebben tot de administratie, want hij weet wel een ‘factuur’ voor [bedrijf 2] te produceren en hij weet tot op de cent nauwkeurig te reproduceren aan wie en voor welke bedragen [bedrijf 1] BV facturen ten behoeve van de eerder gefailleerde [bedrijf 1] BV heeft betaald. Daarbij zou het gaan om een totaalbedrag van € 249.348,52.

Op 29 september 2009 heeft verdachte [verdachte] schriftelijk gereageerd op het schrijven van de curator d.d. 18 september 2009. Verdachte [verdachte] schrijft dat hij niet aan het verzoek van de curator om de complete financiële administratie ter beschikking te stellen kan voldoen, omdat de verhuurder van het pand, de heer [naam], de inboedel en administratie van [bedrijf 1] BV uit eigen beweging zou hebben afgevoerd. Verdachte

[verdachte] schrijft voorts dat hij de curator met betrekking tot het ongeschonden terugbezorgen van de administratie niet verder kan helpen. Vanwege het plaatsen van andere sloten is hem de toegang tot het pand ontzegd.

Verdachte [verdachte] heeft toegezegd dat de curator een recente back-up zal krijgen van de financiële administratie welke nog beschikbaar moet zijn op de server.

Uiteindelijk is de administratie niet aan de curator overhandigd.

Vervolgens hebben op 16 maart 2010 in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte] op diverse locaties in Nederland doorzoekingen ter inbeslagneming plaatsgevonden. Eén van de locaties betreft de [adres 2] te [plaats]. Op dit adres is woonachtig mevr. [vriendin medeverdachte]. Mevr. [vriendin medeverdachte] is de vriendin van medeverdachte [medeverdachte]. Uit onderzoek is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] op dit adres verblijft.

Tijdens de doorzoeking zijn op deze locatie diverse onderdelen van de administratie van [bedrijf 1] BV aangetroffen, te weten:

- vijf ordners met kasadministratie over de periode 19-09-2008 t/m 25-7-2009;

- een aantal ordners met betrekking tot de inkoop;

- een ordner met betrekking tot de verkoop;

- een aantal ordners met betrekking tot de oprichting van de vennootschap, belastingen, kosten, bankzaken en overige zaken;

- ordners met bank- dan wel giroafschriften.

Een deel van deze administratie is aangetroffen onder het kruipluik achter de voordeur. Deze administratie, bestaande uit diverse ordners, was niet netjes neergezet. De ordners waren in de kruipruimte gegooid en het geheel lag als een “afvalberg” onder het kruipluik.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de administratie heeft meegenomen en onder het kruipluik heeft gegooid.

Verweer van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte niet op de hoogte was van het feit dat zijn vader de administratie in zijn bezit had en zodoende niet kon uitleveren aan de curator. Verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij al naar buitenland was vertrokken toen het pand werd leeggehaald. Toen hij na twee á drie weken terugkwam van vakantie bleek dat de administratie was afgevoerd. Daarvoor zou de eigenaar van het bedrijfspand, [naam], verantwoordelijk zijn geweest.

De rechtbank stelt deze verklaring als kennelijk leugenachtig en bedoeld om de waarheid te bemantelen, terzijde. Immers, uit het onderhavig dossier blijkt dat verdachte op 3 augustus 2009 zelfstandig het faillissement van [bedrijf 1] BV bij de rechtbank Assen heeft aangevraagd. De getuige [getuige 2] heeft echter verklaard dat hij in juli 2009 heeft gezien dat verdachte [verdachte] bezig was te winkel leeg te halen en dat verdachte tegen hem zou hebben gezegd dat hij aan het opruimen was en dat hij binnenkort zou vertrekken.

Daarnaast heeft voornoemde [naam] verklaard dat hij op 1 augustus 2009 in het bedrijfspand [adres 3] te [plaats] is geweest en dat er toen geen administratie meer aanwezig was. [naam] verklaart tevens dat hij géén administratie heeft afgevoerd dan wel weggegooid.

Verdachtes vader [medeverdachte] verklaart dat hij de administratie na de verkoop van de inventaris heeft meegenomen naar zijn huis.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van wat er met de administratie van [bedrijf 1] BV is gebeurd en waar deze zich bevond. Hij had deze derhalve kunnen uitleveren toen de curator Grollé hem daarom vroeg.

Het verweer wordt verworpen.

Conclusie t.a.v. feit 2

Het onder feit 2 primair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

5.2.3

Feit 3.

Uit het dossier blijkt dat de busjes pepperspray en het alarm- en startpistool op 16 maart 2010 tijdens de doorzoeking ter inbeslagneming van de woning van verdachte [verdachte] zijn aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat deze wapens van hem waren. Het feit is derhalve wettig en overtuigend bewezen.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[bedrijf 1] BV in de periode van 28 juli 2009 tot en met 18 augustus 2009 in

Nederland, terwijl [bedrijf 1] BV bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 18 augustus 2009 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, op een tijdstip waarop [bedrijf 1] BV wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, één van haar schuldeisers van op enige wijze heeft bevoordeeld,

immers heeft [bedrijf 1] BV een hoeveelheid fietsen en onderdelen en accessoires verkocht en overgedragen aan [getuige 1] h.o.d.n. [bedrijf 2] en een betalingsbedrag van ongeveer 41.000 euro op een bankrekening van [medeverdachte] laten storten en buiten de boedel gebracht,

aan bovenomschreven verboden gedraging verdachte tezamen met [medeverdachte] feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

[bedrijf 1] BV in de periode van 18 augustus 2009 tot en met 16 maart 2010 in Nederland, terwijl [bedrijf 1] BV bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Assen van 18 augustus 2009 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers, niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, als bedoeld in artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte tezamen met [medeverdachte] feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

hij op 16 maart 2010 in de gemeente Assen, voorhanden heeft gehad:

- 6 busjes met zogenaamde pepperspray (van de merken Walther en Protect), zijnde voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met giftige en verstikkende en weerloos makende en traan verwekkende stoffen van de categorie II, onder 6º, en

- een wapen van categorie III, te weten een alarm- startpistool (merk SM, Rohner Sportwaffenfabrik).

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 341 ahf/onder a ahf/sub 3o en 341 ahf/onder a ahf/sub 4o Sr en art 26 lid 1 Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair en feit 2 primair

telkens het misdrijf: feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft samen met zijn vader in het zicht van faillissement een geldbedrag ter grootte van € 41.000,-- buiten de boedel van zijn bedrijf gehouden. Hierdoor heeft verdachte zijn de schuldeisers van die onderneming in ernstige mate benadeeld.

Daarnaast hebben verdachte en zijn vader, om hun sporen uit te wissen, de administratie van dat bedrijf weggehaald en voor de curator verborgen gehouden. Door het niet ter beschikking stellen aan de curator van die administratie konden de rechten en plichten van die onderneming niet te allen tijde worden gekend, hetgeen de curator van de failliete onderneming in een lastig parket heeft gebracht. Het belang van een goed gevoerde administratie is in het kader van een faillissement immers dat de curator goed inzicht heeft in de vermogenspositie van de gefailleerde, alsmede van de rechten en plichten van de schuldeisers en schuldenaren, ten behoeve van een zo gunstig mogelijke afwikkeling van de boedel.

Dit handelen is buitengewoon kwalijk te noemen. Niet alleen omdat de gedupeerde schuldeisers financiële schade leiden, maar ook omdat dergelijke vormen van fraude het vertrouwen tussen ondernemers onderling, dat van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer, aantasten.

Hier komt bij dat verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen. Verdachte ziet zichzelf uitsluitend als een persoon die door het handelen van zijn mededader is benadeeld en miskent daarmee volledig zijn rol in het gebeuren.

Anderzijds heeft de rechtbank laten meewegen dat verdachte een veel kleinere rol heeft gespeeld dan zijn mededader.

Naast dit alles heeft verdachte ook diverse wapens voorhanden gehad. Ongecontroleerd wapenbezit is in onze maatschappij niet te tolereren. Het vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van anderen.

Bij de strafbepaling houdt de rechtbank op de voet van art. 63 Sr rekening met de straf die op 16 januari 2013 aan verdachte is opgelegd in verband met oplichting en flessentrekkerij.

Daarnaast is rekening gehouden met:

- de ernst van de bewezen verklaarde feiten in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht), die in geval van een fraude met een benadelingsbedrag tussen € 10.000,-- en

€ 70.000,-- een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een werkstraf vermelden (voor het niet te voorschijn brengen van administratie zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld);

voor het voorhanden hebben van een start- en alarmpistool en een busje pepperspray vermelden de oriëntatiepunten een geldboete van € 550,-- resp. € 290,00;

- de professionele opzet van het bewezenverklaarde;

- de grove wijze waarop het noodzakelijk vertrouwen in het handelsverkeer in het algemeen door verdachte is geschaad;

- het feit dat aan verdachte eerder voor soortgelijke feiten een straf is opgelegd.

Op grond van voorgaande overwegingen acht de rechtbank in beginsel een werkstraf voor de duur van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, op zijn plaats. Voor de overtreding van de Wet wapens en munitie zal de rechtbank een geldboete van € 1.000,-- opleggen.

Echter, de rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat ook rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Op 16 maart 2010 hebben diverse doorzoekingen ter inbeslagneming plaatsgevonden. Op die datum heeft verdachte’s vervolging een aanvang genomen. De zaak is op 25 juni 2012 voor de eerste keer ter terechtzitting behandeld. Op die datum is de zaak – op verzoek van de verdediging – verwezen naar de rechter-commissaris in verband met het verhoor van getuigen. De inhoudelijke behandeling heeft op 31 maart 2014 plaatsgevonden en er wordt op 14 april 2014 uitspraak gedaan. De totale tijdsduur van deze zaak bedraagt daarmee vier jaren en één maand en de overschrijding van de redelijke termijn (van twee jaren) bedraagt twee jaren en één maand. Een deel van deze overschrijding is toe te schrijven aan de omstandigheid dat op verzoek van de verdediging getuigen gehoord moesten worden door de rechter-commissaris (ook in de zaak van de medeverdachte), maar dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat sprake is van een overschrijding van die termijn, die voor ongeveer één jaar voor rekening van het openbaar ministerie komt.

De rechtbank zal, rekening houdend met die overschrijding, een strafvermindering toepassen van tien uren werkstraf.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

Mr. A. Grollé in zijn hoedanigheid van curator, gevestigd te Hoogeveen, Donau 5-22, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 351.965,16.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de vordering van de curator, als één vordering namens de boedel aan de rechtbank wordt voorgelegd, de behandeling en beoordeling daarvan niet zonder meer eenvoudig maakt. Bij de beoordeling van de totale vordering moeten in verband met de hoogte van het eventueel toe te wijzen bedrag met betrekking tot vele afzonderlijk te beoordelen componenten van de vordering meerdere vragen door de rechtbank beantwoord worden.

Gelet op de betwisting door de verdachte en de complexiteit van het geheel levert het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de vordering nader te onderbouwen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 51, 57, 63 en 91 Sr en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1 primair en feit 2 primair

telkens het misdrijf: feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk door een rechtspersoon;

feit 3

het misdrijf: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1 primair, sub 2 primair en sub 3 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden voorwaardelijk

met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

  • -

    bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 170 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 85 dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de in verzekering doorgebrachte dagen twee uren per dag aftrek plaatsvindt;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 1.000,-- bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis;

schadevergoeding

- bepaalt dat de voornoemde benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. A.A.J. Lemain en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2014.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD/ECD nummer 44713. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 31 maart 2014 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat er bij de doorzoeking van mijn woning op 16 maart 2010 een 6-tal busjes pepperspray en alarm-startpistool zijn aangetroffen. Die wapens zijn van mij.

Ten aanzien van de zaak [bedrijf 1] BV kan ik als volgt verklaren. Ik heb mij tot aan de zomer met de feitelijke bedrijfsvoering bemoeit. Hierna was ik niet meer 40 uur per week in de zaak aanwezig. De laatste twee maanden heeft mijn vader [medeverdachte] zich intensiever met de zaak bemoeit. Ik had er genoeg van, het was water naar de zee dragen.

Op 28 juli 2009 heb ik samen met mijn vader besloten te stoppen met de zaak. We hebben toen besloten de spullen te verkopen. Ik weet dat mijn vader de spullen aan [getuige 1] heeft verkocht, maar ik ben niet bij het gesprek in de nacht geweest. De elektrafietsen die in de zaak stonden waren voor gefinancierd door mijn vader. Van de opbrengst zou dus een deel naar hem toegaan, daar wist ik van. Ik heb niets van de 41.000 euro gehad. Ik heb de andere dag nog wel geholpen met het inladen van de fietsen dat wil zeggen ik heb een enkele fiets in de vrachtauto getild. Na de verkoop van [getuige 1] ben ik op vakantie gegaan. Ik moest mijn hoofd leeg hebben.

Feit 1 en 2

2.

Een geschrift (D/AH02/003, pag. 411), te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel Noord Nederland d.d. 17-04-2009, m.b.t. [bedrijf 1] B.V, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

enig aandeelhouder naam: [holding] B.V

Adres : [adres 3], [plaats]

enig aandeelhouder sedert: 14-10-2008

bestuurder

naam: [holding] B.V.

bevoegdheid alleen/zelfstandig bevoegd

3.

Een geschrift (D/AH02/003, pag. 416), te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel Noord Nederland, d.d. 17-08-2009 m.b.t. [holding] B.V voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

enig aandeelhouder

naam [verdachte]

geboortedatum- en plaats [geboortedag]-1986, [geboorteplaats]

enig aandeelhouder sedert 14-10-2008

bestuurder

naam [verdachte]

geboortedatum- en plaats [geboortedag]-1986, [geboorteplaats]

datum in functie 14-10-2008

titel algemeen/directeur

bevoegdheid alleen/zelfstandig bevoegd

4.

Een geschrift als bedoeld in art. 344 lid 1 onder 1º Sv, te weten een afschrift van een vonnis van de rechtbank, Assen gedateerd 18 augustus 2009 (pag. 409 en 410), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat [bedrijf 1] BV in staat van faillissement is verklaard, met aanstelling van mr. A. Grollé tot curator.

5.

Een geschrift, te weten een aangifte faillissementsfraude van mr. A. Grollé, curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V., gericht tegen [medeverdachte], [verdachte] en [naam], d.d. 20 januari 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Met toestemming van de Rechter-commissaris doe ik in mijn functie als curator van bovenstaande vennootschap aangifte van het feit dat een feitelijk bestuurder [medeverdachte] en de hoogste statutaire bestuurder [verdachte] zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan het plegen van bedrieglijke bankbreuk (art. 341 jo. artikel 51 Wetboek van Strafrecht, respectievelijk 343 Wetboek van Strafrecht), valsheid in geschrift (art. 225 Wetboek van Strafrecht) en het niet voldoen aan de inlichtingenplicht richting curator (art. 194 Wetboek van Strafrecht). In het zicht van het faillissement van bovenstaande vennootschap zijn ten nadele van de schuldeisers vermoedelijk goederen en gelden onttrokken aan de boedel, zijn er vermoedelijk goederen beneden de waarde vervreemd, zijn er vermoedelijk onjuiste inlichtingen verstrekt aan de curator c.q. zijn er géén inlichtingen verstrekt op door curator gestelde vragen en is er vermoedelijk niet voldaan aan de op hen rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie zoals genoemd in artikel 10 BW, Boek 2, Titel 1. Bovendien hebben de heren [familienaam] niet voldaan aan de op hen rustende verplichting om deze administratie ongeschonden te voorschijn te brengen.

Hoewel [verdachte] op papier directeur is van [bedrijf 1] B.V. heb ik van leveranciers, een werknemer, afnemers en verhuurder van het winkelpand van failliet begrepen dat zij nagenoeg uitsluitend zaken deden met de vader van [verdachte]: [medeverdachte].

In het zicht van het faillissement, op 28 juli 2009, heeft failliet een niet verder gespecificeerde "restpartij onderdelen en fietsen" verkocht aan de heer [getuige 1] h.o.d.n. [bedrijf 2] te [plaats]. Door [verdachte] is mij een factuur getoond van deze transactie voor een bedrag van € 49.087,50 (inclusief BTW). Deze transactie zou volgens mededeling van [verdachte] aan mij nog niet zijn betaald. Er was evenwel geen enkele vorm van administratie (fysiek dan wel digitaal) door mij aangetroffen dus ook geen facturen, die de transactie kon staven. [verdachte] beloofde mij dat hij een afschrift van de factuur zou verstrekken. Deze factuur heb ik daags daarna van hem ontvangen. Ik heb daarop een brief geschreven naar de debiteur en hem verzocht voormeld bedrag binnen 5 werkdagen te voldoen op de boedelrekening. In antwoord op mijn verzoek kreeg ik in eerste instantie een fax waarin stond dat er van alles mankeerde aan de fietsen en dat hij kortgezegd een korting wenste te bedingen van 40% op de koopprijs. Ik werd dus in eerste instantie door [bedrijf 2] in de veronderstelling gelaten dat er nog niets betaald was. Ik heb deze fax doorgeleid aan [verdachte]. Die heeft daarop commentaar geleverd welk commentaar ik doorgeleid heb aan [bedrijf 2] met de mededeling (kortgezegd) dat hij gewoon moest betalen en dat ik anders zou gaan procederen. Daarna ontving ik een fax van [bedrijf 2] (de heer [getuige 1]) waarin hij beweerde deze factuur ex. BTW te hebben betaald op rekening nr. [rekeningnummer 1] t.n.v. [familienaam]. Een kopie van de factuur stuurde hij me later per fax. Deze kopie week duidelijk af van de factuur die mij door de heer [verdachte] was overhandigd. Onder aan de factuur was het bankrekeningnummer (ABN/AMR0 [rekeningnummer 2]) van [bedrijf 1] BV weggehaald. Hiervoor in de plaats was als opmerking opgenomen:

"Factuur wordt per ommegaande betaald onder vermelding van factuurnummer op reknr. [familienaam] [rekeningnummer 1]". Door [bedrijf 2] is een bedrag van € 41.000,00 overgemaakt op dit rekeningnummer Dit rekeningnummer behoort niet aan [bedrijf 1]BV toe doch is waarschijnlijk een particuliere rekening van [medeverdachte]. De heer [getuige 1] heeft mij een kopierekeningafschrift gezonden d.d. 29-07-2009 waarop deze betaling is opgenomen met de volgende vermelding: "[rekeningnummer 1] [familienaam] [plaats], Spoedopdracht, restpartij fietsen, € 41.000,00" (debet mutatie).

Naast deze factuur mocht ik gelijktijdig nog twee (kopie-)facturen van de heer [getuige 1] ontvangen die weer afweken van bovengenoemde facturen. Er zijn inmiddels van één enkele transactie dus vier verschillende facturen opgedoken. Door [medeverdachte] en [verdachte] is er dus duidelijk gemanipuleerd met facturen. Op 2 september 2009 heb ik bij de ABN-Amrobank kopie rekeningafschriften opgevraagd van de rekeningen van failliet. Deze heb ik op 9 september 2009 ontvangen.

Op één van deze afschriften kom ik de volgende transactie tegen op 10 juni 2009: "[rekeningnummer 1] [medeverdachte] declaratie € 450,00" (debet mutatie).

Hierdoor is bij mij het vermoeden gerezen dat een bedrag groot € 41.000,00 door [bedrijf 2] is overgeboekt op de privérekening [rekeningnummer 1] van de heer [medeverdachte] en dat de heer [medeverdachte] dit bedrag heeft onttrokken aan de boedel.

Inventaris en materieel:

De inventaris en het materieel van de winkel blijken in augustus 2009 uit het pand aan de [adres 3] in [plaats] te zijn verdwenen. Volgens de verhuurder van het pand, de heer [naam], heeft hij het pand op 1 augustus 2009 betreden en trof hij een leeg pand aan en zag hij dat er een onvoorstelbare chaos was aangericht.

Hiermee geconfronteerd, mailt [verdachte] aan mij dat de [naam] de spullen zou hebben afgevoerd en verkocht. [naam] ontkent dit ten stelligste. Mede gezien de schade die in en aan het pand is aangericht weet ik niet wat het belang van de verhuurder, de heer [naam], kan zijn geweest om deze vernielingen aan te richten.

De inventaris is dus verdwenen en ook als zodanig aan de boedel onttrokken.

Ik heb de heer [verdachte] diverse malen verzocht om mij de administratie te overhandigen. In eerste instantie werd mij beloofd dat "de boekhouding voor 25-08-2009 tot Uw beschikking komt". Mij werd later meegedeeld dat de verhuurder van het winkelpand van failliet de administratie zou hebben weggegooid. Dit wordt door verhuurder met klem ontkend. Het verhaal van de heer [verdachte] dat hij niet over een digitale of fysieke administratie beschikt of daar toegang toe zou hebben, klopt ook niet want

a. hij weet namelijk wel een "factuur" voor [bedrijf 2] te produceren;

b. en hij weet tot de op cent nauwkeurig te reproduceren aan wie en voor welke bedragen [bedrijf 1] BV facturen ten behoeve van de eerder gefailleerde [bedrijf 1] BV heeft betaald. Het zou dan om een totaalbedrag van € 249.348,52 gaan.

Ik heb op 18 september 2009 een aangetekende brief gestuurd aan de heer [verdachte] waarin ik hem een termijn heb gesteld waarbinnen hij de administratie kan openleggen. Ook hierop kwam geen reactie. Ik heb ernstige twijfels of er door de heren [familienaam] wel een administratie is bijgehouden conform Hoofstuk 2, artikel 10 van het Burgerlijk Wetboek. De administratie is in ieder geval niet aan mij overhandigd. Indien de verhuurder de administratie/boekhouding zou hebben weggegooid, hetgeen de heer [verdachte] beweerd, is dat zijn verantwoordelijkheid, komt voor zijn risico en ontslaat hem niet van de verplichting om de administratie zeker te stellen en aan mij te overhandigen.

6.

Een proces-verbaal van verhoor van 18 juni 2010 (pag. 351 t/m 356 ), voor zover inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte], zakelijk weergegeven:

Vraag verbalisanten: Vandaag willen we het hebben over [bedrijf 1] B.V.. Wat kunt u over [bedrijf 1] B.V.?

Antwoord: "[verdachte] was via [holding] BV indirect bestuurder van [bedrijf 1] B.V. De start van de onderneming volgens inschrijving bij de Kamer van Koophandel op 1 september 2008 en is bekrachtigd op 14 oktober 2008. [verdachte] heeft een nieuwe rechtspersoon opgestart, heeft zelf inkopen gedaan, heeft zelf een bedrijfsplan opgesteld en zelf met de bank gesproken voor een financiering van € 150.000 bij de ABN-AMRO. Ik ben bij geen van de gesprekken die nodig waren voor de opstart van de rechtspersoon bij de diverse instanties aanwezig geweest. Wel heb ik als adviseur voor [verdachte] naar zijn bedrijfsplan gekeken en ik vond dat het goed in elkaar zat.

Vraag verbalisanten: Wie was de feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] B.V. c.q. wie had de dagelijkse leiding?

Antwoord: "[verdachte] deelde binnen zijn onderneming [bedrijf 1] B.V. de lakens uit. Hij was verantwoordelijk, hij stuurde het personeel aan, hij deed de afspraken met de leveranciers. Ik deed alleen voor [verdachte] de dagelijkse boekhouding. Ik deed dat met gemak eens per week in een avond als de winkel gesloten was. Incidenteel beantwoorde ik wel eens vragen van werknemers als ze ergens mee zaten.

Vraag verbalisanten: Wat is er met de administratie gebeurd?

Antwoord: "Ik heb een deel van de administratie meegenomen. Ik heb datgene waarvan ik dacht dat het belangrijk was gepakt. Toen ik ongeveer een week later weer in het pand kwam was de hele winkel leeg. Alles was eruit, de stellingen etc., alles. Ik heb op de avond dat ik met [getuige 1], dus de avond voordat de spullen zijn afgevoerd daar in dat pand geweest. U vraagt mij waarom [getuige 1] die avond daar was. Ik heb toen met [getuige 1] gesproken wat te doen met de rest van de fietsen die nog in de winkel stonden. [verdachte] heeft gezegd, we stoppen er mee. [verdachte] was met vakantie, althans niet in [plaats]. Ik heb toen op die bewuste avond een aantal mensen uitgenodigd om te kijken of ik nog een deel van het geld wat ik in de onderneming had gestoken en mij toebehoorde terug kon krijgen door verkoop van de fietsen.

[verdachte] had op 3 augustus het faillissement aangevraagd. Op of omstreeks 28 juli 2009 hebben wij diverse mensen uitgenodigd om te kijken wat er nog te verkopen was.

Ik heb toen een partij fietsen verkocht aan [getuige 1], alleen fietsen, want op de onderdelen en de stellingen lag beslag. Dat beslag was gelegd op 26 september 2008 gelegd.

Ik heb dus op dezelfde avond, de 28e juli 2008, de administratie meegenomen. Volgens mij ben ik op 29 juli 2008 's morgens rond een uur of drie vertrokken. Ik kan het me nog goed herinneren, het was een dag voor mijn vakantie. Ik ben nadien nooit meer in het pand geweest.

De curator wilde niet ingaan op een bod van onze kant. Het was gewoon een een-tweetje van de curator en de Belastingdienst. Naar aanleiding van dit gesprek bij de curator zei [verdachte]: lk stop ermee. [verdachte] zat er helemaal doorheen, vandaar dat ik zelf 's avonds naar het pand ben gegaan om nog met de afnemers te spreken over verkoop van de restpartij. [verdachte] was daar toen niet van op de hoogte.

Ik heb alleen met [getuige 1] een transactie kunnen doen. Ik heb aan [getuige 1] de partij verkocht. Dat was een doordachte beslissing op dat op deze wijze te doen. Ik heb niet aan andere partijen verkocht omdat het anders onoverzichtelijk zou worden. Het was een transparant gebeuren. Een partij, zodat ik later zeker wist dat die partij geheel naar [getuige 1] gegaan was.

Vraag verbalisanten: Op 16 maart 2010 hebben er in het kader van het onderzoek doorzoekingen plaatsgevonden, onder meer op uw adres [adres 2] te [plaats]. In het onderzoek gecodeerd onder de code "A". (D1AH331004)

Op uw adres hebben wij diverse administratieve bescheiden gevonden die betrekking

heeft op [bedrijf 1] BV. Wij tonen u een overzicht van een gedeelte van de in beslag genomen administratie. Opgemerkt wordt dat de codering "A-0-.." betrekking heeft op de kruipruimte in de hal van de woning.

Wat kunt u hierop verklaren?

Antwoord: Toen de FIOD op 16 maart 2010 de administratie tijdens de doorzoeking hebben meegenomen, heb ik [verdachte] pas gezegd dat ik nog een deel van de administratie had van [bedrijf 1] B.V. en dat de FIOD die ook meegenomen had. U vraagt mij of ik weet waar die administratie lag. Het kon wel eens in de kruipruimte gelegen hebben. Ik heb zo de kruipruimte open gedaan en de administratie er zo in geknikkerd. Ik ging toen op vakantie en had de rommel (administratie) in de kofferbak van de auto staan en dacht toen, waar moet ik ermee heen. Ik heb het toen in de kruipruimte gegooid en er ook nooit meer naar omgezien. Het kan inderdaad wel zo zijn dat het om een doosje of vier ging.

Achteraf gezien verdient mijn acteren niet de schoonheidsprijs.

7.

Een proces-verbaal van verhoor van 21 juni 2010 (pag. 358 t/m 360 ), voor zover inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte], zakelijk weergegeven:

Vraag: U heeft afgelopen vrijdag aangegeven dat u, nadat [verdachte] de beslissing had genomen om met het bedrijf te stoppen, een aantal afnemers hebt benaderd om de fietsen te verkopen. U heeft reeds aangegeven dat [verdachte] hier niet van op de hoogte was. Wat is de rol van [verdachte] in deze?

Antwoord: [verdachte] was wel op de hoogte van het plan om de fietsen te verkopen. Ik had nog een vordering op [bedrijf 1] BV. lk had onlangs nog € 35.000 in de zaak van [verdachte] gestoken, ik had dat bedrag overgemaakt. Wij hebben toen afgesproken dat wij de fietsen waarop geen eigendomsvoorbehoud rustte zouden verkopen zodat [bedrijf 1] B.V. de schuld aan mij kon inlossen. [verdachte] wist hoe het zou worden afgewikkeld, alleen hij was er zelf niet bij.

8.

Een proces-verbaal dat de rechter-commissaris heeft doen opmaken, inhoudende

de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] van 13 november 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat de administratie van [bedrijf 1], de zaak van [verdachte], in mijn kruipruimte is aangetroffen. [verdachte] besloot faillissement aan te vragen en ik had nog gelden tegoed van hem. Ik heb de laatste partij fietsen doorverkocht. [verdachte] is weggegaan en ik heb een deel van de administratie meegenomen omdat dat handig is om bij de hand te hebben. U vraagt mij waarom dat dan handig is om bij de hand te hebben. Ik zeg u dat als er dan vragen komen je papier bij de hand hebt. Ik voelde mij ook verantwoordelijk voor die administratie. Ik was tenslotte de administrateur van [verdachte].

Omdat ik op vakantie ging heb ik het in de garage gelegd. Ik zal het later in de kruipruimte hebben gelegd. Dat is een droge ruimte die zich heel goed leende voor opslag. Ik had die tijd veel spullen op te slaan omdat ik na mijn echtscheiding de echtelijke woning moest leeghalen.

Ik heb de administratie, denk ik, op 28 of 29 juli 2009 meegenomen. Dat was de dag dat onze vriend uit [plaats], [getuige 1], fietsen van mij kocht. Het ging maar om een paar ordners, hooguit 5 of 6.

[verdachte] wist niet dat die € 43.000 op mijn privérekening werd gestort.

9.

Een proces-verbaal dat de rechter-commissaris heeft doen opmaken, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] van 16 oktober 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik had de dagelijkse leiding in de winkel maar dit werd mij vanaf het begin onmogelijk gemaakt door de belastingdienst. Ik had de contacten met de klanten en het personeel. Mijn vader nam de administratie over. Hij deed ook de lastige gevallen en de moeilijke vragen.

Ik heb tijdens mijn werkzaamheden aan de [adres 3] de administratie waar mijn vader zich mee bezig hield wel gezien. Volgens mij zat die in gele mappen. Met mappen bedoel ik ordners. U houdt mij voor dat ik destijds op een vraag waar de computers waren een beroep deed op mijn zwijgrecht. Nu zeg ik u dat ik weet dat ze bij mijn vader stonden.

Mijn vader maakte gebruik van een besturingsprogramma dat WIN-CAR heet. Ik snapte niet hoe dat werkte. Ik kon wel dingen invoeren maar er verder niet mee werken. Daarom deed mijn vader dat. Er was ook nog een medewerkster [medewerkster]. Zij voerde de gegevens in en deed de archivering. Mijn vader maakte dat het allemaal goed in de computer stond. Het systeem had hij zelf laten maken. De papieren administratie stond boven in de kast. Mijn vader kon daar wel bij.

Mijn vader verwerkte de dagstaten. Hij zorgde dat de pintransacties synchroon liepen met de kassa. Als een klant geld terug moest hebben dan wist ik niet hoe ik dat moest doen. Ik heb die administratie niet uit de container gepakt omdat die zeiknat was en door de hele container heen lag.

De transactie met [getuige 1] heeft mij vader helemaal geregeld. Ik kan daar verder niets over zeggen.

Het klopt wel dat ik het faillissement heb aangevraagd en de sleutels heb afgegeven.

Ik heb ze toen door gebracht naar curator Ketting die ze ook niet wilde hebben omdat mijn BV een andere curator zou krijgen. Ik herinner me nu dat ik eerst naar de curator ging en daarna naar de belasting Ik heb de eigenaar van het pand niet geïnformeerd. Mijn vader had contact met hem. Volgens mij ben ik nooit een huurovereenkomst met de eigenaar van het pand aangegaan.

10.

Een proces-verbaal van verhoor van 4 juni 2010 (pag. 284 t/m 289), voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1] zakelijk weergegeven:

Vraag: Op welke wijze en wanneer bent u met [bedrijf 1] B.V. c.q. [familienaam] in contact gekomen?

Antwoord: Op enig moment ben ik met [medeverdachte] in contact gekomen. Dat is ergens in 2004/2005 geweest. In het kader van [bedrijf 3] in [plaats]. lk heb een aantal keren bij hem gekocht. Totdat [bedrijf 3] failliet ging. lk schat dat ik ongeveer 10 keer bij hem gekocht heb. Daarna heb ik sporadisch contact met [medeverdachte] gehad. Tot aan vorig jaar juli (2009). Toen belde [medeverdachte] mij op met het verhaal dat hij een aantal fietsen voor mij te koop had. Hij kwam toen ook met het verhaal dat hij helemaal klaar was met de Belastingdienst. Hij had één of ander vaag verhaal over een partij fietsen die in beslag waren genomen door de Belastingdienst. Het fijne daarvan weet ik niet. [medeverdachte] had een goede partij fietsen voor mij. lk was die dag afwezig. lk had die dag, op 28 juli 2009, een dealermeeting in Putten. [medeverdachte] belde mij diezelfde nog weer terug, dat ik die dag beslist langs moest komen. lk kon eigenlijk niet, maar [medeverdachte] drong erop aan dat ik beslist die dag langs moest komen. Ook al werd het 's-avonds laat. Maakte niet uit hoe laat. [medeverdachte] heeft mij nog middels een sms gevraagd hoe laat ik zou arriveren. lk gok dat ik ongeveer om 23.00/23.30 uur ben weggeregen uit Putten, mijn besprekingsadres. lk ben toen doorgereden naar Hoogeveen naar [bedrijf 1]. Toen ik 's-nachts omstreeks 1.00 uur bij hem op de zaak kwam, was daar tevens aanwezig een andere persoon. Naderhand heb ik begrepen dat dat zijn zoon [verdachte] was. lk moest daar komen voor een partij fietsen. lk heb toen 's-nachts de gehele voorraad aan fietsen en onderdelen en nog accessoires wat nog in het pand stond gekocht. Eigenlijk de gehele voorraad was aanwezig was, behalve de stellingen e.d.. lk had met [medeverdachte] een bedrag afgesproken van € 41.000,=.

's-Morgens werd ik al vroeg gebeld (8.00 uur / 9.00 uur) door mijn collega's op de zaak, met de mededeling dat er een vrachtwagen voor de deur stond met een partij fietsen. lk had mijn collega's nog niet ingelicht. lk heb de vrachtwagen uit laten laden. Halverwege de dag, 29 juli 2009, zijn wij omstreeks 12.00 uur naar [plaats] gegaan om de partij in de gaten te houden. Normaal gesproken moet je bij partijkoop altijd aanwezig zijn. Wij hebben toen geholpen met het laden van zijn vrachtwagen en hebben zelf ook een voorraad op eigen aanhanger meegenomen. Wij hebben de gehele winkel leeggehaald. Toen ik daar midden op de dag nog aanwezig was, belde [medeverdachte] mij op met de vraag of ik alvast kon betalen. [medeverdachte] heeft mij via een sms-bericht het bankrekeningnummer waar het bedrag op gestort moest worden doorgegeven. Het was een bankrekening op naam van [familienaam]. lk heb deze gegevens telefonisch aangenomen en vervolgens de bank gebeld voor een telefonische overboeking. lk toon u hierbij het betreffende sms-bericht in mijn telefoon "Ontvangen 12:51:55 29/07/2009 Afzender [medeverdachte] [telefoonnummer] [getuige 1] goedemorgen Je kan de betaling vandaag overmaken naar [familienaam] [plaats] [rekeningnummer 1] [medeverdachte] bel je nog" In de loop van de middag belde [medeverdachte] mij op met de mededeling dat hij had gezien dat het bedrag was overgemaakt, maar ik was de BTW vergeten. Volgens [medeverdachte]. Daar was ik het niet mee eens, omdat hij mij een rekening van zijn Belgische onderneming zou sturen tegen nul-tarief. Ik moest dat volgens [medeverdachte] wel snappen dat het om geld ging. Op een gegeven moment heb ik gezegd dat ik wel BTW wil betalen, maar dan moest ik ook een factuur met BTW hebben. Dat was volgens [medeverdachte] geen probleem. Hij zou een factuur maken vanuit één van zijn Nederlandse bedrijven. lk vond dat goed. Hoe hij dat binnen zijn concern verantwoordt, maakt mij niets uit.

Vraag: Is er vooraf een offerte gemaakt?

Antwoord: Nee. Deze partij is 's-nachts ter plaatse gekocht. lk heb globaal geteld en een globale rekening gemaakt. Op deze wijze en na onderhandeling is het bedrag van € 41.000,-- ontstaan. Vraag: Op 29 juli 2009 is middels een spoedopdracht € 41.000 overgemaakt op rekening [rekeningnummer 1].

Wat kunt u omtrent deze overboeking verklaren?

Antwoord: Hier heb ik al over verklaard. [medeverdachte] heeft mij opgebeld en mij telefonisch verzocht een telefonische overboeking te doen. Hij heeft mij telefonisch de gegevens doorgegeven.

U vraagt mij in hoeverre [verdachte] bij de gehele transactie betrokken is geweest. [verdachte] heeft geholpen met het laden van de restpartij in de vrachtwagen. Hij is bij de feitelijke transactie, in de nacht van 29 juli 2009, geweest. Maar ik heb zaken gedaan met [medeverdachte]. Dat was de man waar ik zaken mee heb gedaan.

11.

Een proces-verbaal van verhoor van 4 maart 2013, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2], zakelijk weergegeven:

Vraag: Kent u de heren [medeverdachte] en [verdachte]?

Antwoord: Ik ken [verdachte] als eigenaar van de fietsenzaak. Zijn vader heb ik daar waarschijnlijk één of twee keer gezien, maar die ken ik verder niet. [verdachte] was iedere dag op de zaak in [plaats] en hij was het aanspreekpunt voor de mensen die in de winkel werkten

Vraag: Wat was uw relatie met beide heren?

Antwoord: Ik had verder geen relatie met [verdachte]. Ons bedrijf [bedrijf 4] heeft boven de winkel in [plaats] twee kantoorruimten, waarvan één ruimte een vergaderruimte is gehuurd van de eigenaar van het pand heer [naam]. Eerder zaten wij beneden, maar op enig moment kwam [naam] met de mededeling dat hij de ruimte beneden wilde verhuren aan de fietsenwinkel en toen zijn wij naar boven gegaan. Als ik naar mijn kantoor wilde, moest ik door de winkel. Ik kwam dan altijd wel iemand tegen. [verdachte] of een medewerker.

Vraag: Wanneer heeft u [medeverdachte] en [verdachte] voor het laatst gesproken?

Antwoord: Volgens mij is dat op een woensdagavond geweest toen ze de winkel leeg gehaald hebben. De exacte datum weet ik niet meer, maar dat was in juli 2009. [verdachte] heeft de winkel leeg gehaald. Het was hartstikke laat. lk stopte ongeveer om 20.30 uur bij de pomp en toen zag een ik bedrijvigheid, ik vroeg toen aan mijn collega aan de pomp wat er aan de hand was. Hij vertelde dat hij het niet wist, maar dat ze de hele middag al bezig waren.

Ik ben er toen heen gelopen en gedaan alsof ik naar mijn kantoor ging. In de winkel kwam ik [verdachte] tegen en heb hem gevraagd wat er aan de hand was.

[verdachte] was in zijn antwoord vaag en gaf aan dat hij aan het opruimen was. Hij was druk bezig en hij liet doorschemeren dat hij mogelijk binnenkort wel zou gaan vertrekken.

De donderdag erop was de fietswinkel vertrokken. Ik heb Kruizinga gebeld en wij zijn gezamenlijk de winkel doorgelopen. Het geheel was een grote puinhoop. Alles was weg en er is alleen troep blijven liggen. Geen reguliere administratie was achtergebleven. Dat was allemaal al weg. Ook in de ruimte boven de winkel heb ik geen administratie gezien.

12.

Een proces-verbaal van verhoor van 25 mei 2010, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [naam], zakelijk weergegeven:

Begin juli 2009, dat moet tussen 1 en 4 juli 2009 geweest zijn, werd ik gebeld door [medeverdachte] met de mededeling dat hij op dat moment een beetje krap bij kas zat. Hij stelde voor om op 22 juli 2009 drie maanden huur, voor juli, augustus en september, te betalen. De huur had betrekking op het pand [adres 3] te [plaats]. Dat pand had ik verhuurd aan [bedrijf 1]. Op 22 juli 2009 had ik geen geld op de rekening. lk heb hem toen gebeld. Hij was hoogstens verbaasd. Hij was toen op vakantie en zegde toe het direct na de vakantie uit te zoeken. lk kreeg toen toch een beetje argwanend te vinden. Op 1 augustus is mijn broer altijd jarig en na de verjaardag ben ik het pand langs gereden. Dat was ongeveer 21.00 / 21.30 uur. Toen ik daar langs kwam was alles eruit. Het was een onvoorstelbare chaos binnen. Er stonden nog stellingen, vitrinekasten, stellingpoppen. Er stond geen handel. lk denk dat er nog ongeveer 10 tot 15 fietsen stonden. Later bleek dat dat fietsen van klanten waren. Die zijn later door de klanten opgehaald. In het pand waren diverse kantoor ingebouwd. Daar mocht hij in principe niet in komen. Kantoormeubels, kantinemeubels waren weg. Radiatoren en alles wat je maar kan bedenken was weg. Het was onvoorstelbaar zoals het is achtergelaten. lk heb van alle panden die ik verhuur een reservesleutel. Dus ik kan altijd in alle panden. Daarnaast heb ik op mijn kantoor ook diverse (reserve)sloten. Toen ik op 1 augustus 2009 in het pand was geweest, en zag dat het er een gigantische puinzooi was, heb ik er een ander slot ingezet.

Ik heb nadien van de curator Grollé begrepen dat de zoon van [medeverdachte] tegen de curator had verteld dat [naam] het pand leeg heeft gehaald en alle administratie heeft weggegooid. Ik heb al een paar keer eerder faillissementen in mijn panden gehad en als daar administratie stond, hield ik dat angstvallig apart. In dit pand was beslist geen administratie aanwezig.

Zoals ik al verklaard heb, heb ik beslist geen administratie weggegooid of afgevoerd.

Feit 3.

13.

Een proces-verbaal van inbeslagneming met bijlagen van 16 december 2010 (van het dossier met parketnummer 993000-11 blz. 8 t/m 10), voor zover inhoudende het relaas van de verbalisanten, zakelijk weergegeven, dat er tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte gelegen aan de [adres 4] te [plaats] 6 busjes pepperspray en een vuurwapen is aangetroffen.

14.

Een proces-verbaal van inbeslagneming met bijlagen van 16 december 2010 (van het dossier

met parketnummer 993000-11 blz. 27 e.v.), voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van en in aansluiting op het proces-verbaal, onder BVH nummer 2010015762, van de regiopolitie Drenthe, verklaar ik,

[verbalisant], brigadier van de regiopolitie Drenthe, gecertificeerd vuurwapencoördinator van de Noordelijke Recherche Eenheid, Unit Tactische Uitvoering / Team Vuurwapens, het volgende:

Door personeel van de regiopolitie Drenthe werden op 16 maart 2010 op wapens gelijkende voorwerpen inbeslaggenomen onder;

[verdachte], geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats], wonende [adres 4] te [plaats].

De voormelde voorwerpen werden aan mij op 17 maart 2010 voor nader onderzoek overgedragen.

Wapen 1:

Het voorwerp is een alarm- startpistool

Merk : SM ( Rohner Sportwaffenfabrik)

Model : 110 A

Kaliber : 8 mm knal

Serienummer : [serienummer]

Land Fabricage : Duitsland

Het voorwerp is voorzien van een loop welke vlak voor de loopmonding, van fabriekswege, geheel is gesloten.

Hierdoor is het niet mogelijk om een projectiel of stoffen door de loop van het voorwerp af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing. Het voorwerp is bestemd voor knalpatronen van het kaliber 8mm.

De bovenzijde van loop is voorzien van twee gasuitlaten, achter de loopafsluiting, welke schuin op de loop en lengterichting van het wapen staan.

De vrijstellingsbepalingen vermeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie zijn op dit alarm- startpistool niet van toepassing.

Derhalve is dit voorwerp een, niet vrijgesteld, alarm- startpistool in de zin van artikel 2 lid 1 categorie III onder 4 van de Wet Wapens en Munitie.

Wapen 2:

Voorwerpen bestemd voor het treffen van personen met een traan verwekkende of soortgelijke stof.

Soort : Busjes met pepper-spray

Aantal : 6

Inhoud : pepper (Capsicum) spray.

Merk : 4 x Walther 53 ml. en 2 x Protect 15 ml.

Land Fabricage : Germany

Het gaat hier om voorwerpen in de vorm van 6 busjes die volgens het opschrift Pfefferspray bevatten.

Uit onderzoek bleek mij, verbalisant, (door de busjes te schudden en door op de spuitknop te drukken), dat de busjes gevuld waren met een stof, vloeistof of gas c.q.

een combinatie daarvan.

Pepperspray is een traan verwekkende of soortgelijke stof. Gezien de constructie van het busje is deze bestemd voor het treffen van personen. Doormiddel van het eenvoudig indrukken van een knop, ingebouwd in het deksel van het busje, kan pepperspray worden gespoten uit de spuitmond in het deksel aan de voorzijde van het busje.

De voorwerpen zijn geen medisch hulpmiddel. De voorwerpen zijn geen vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver of pistool, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloos makende of traan verwekkende stof. Betreffende spuitbusjes zijn voorwerpen,

bestemd voor het treffen van personen met pepperspray, zijnde een traan verwekkende) of soortgelijke stof.

Derhalve zijn de busjes met pepperspray, wapens in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie.