Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:1933

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
C/08/152861 / KG ZA 14-87
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

A. vordert in conventie afgifte en levering van de matrijzen zonder betaling, dan wel benoeming van een bewindvoerder die de matrijzen aan haar ter beschikking stelt. Zij stelt de verplichtingen die ze heeft jegens B / C te hebben verrekend, althans opgeschort.

B heeft zich bereid verklaard tot levering van de matrijzen aan A tegen voldoening van de overeengekomen tegenprestaties. B stelt de levering te hebben opgeschort.

De voorzieningenrechter heeft in dat kader ten eerste te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat A reeds eigenaar was van de matrijzen 1 tot en met 3 en of zij onder invloed van dwaling, bedrog, dan wel misbruik van omstandigheden ingevolge de oorspronkelijke koopovereenkomst heeft afgesproken haar eigen matrijzen te kopen.

Vervolgens heeft de voorzieningenrechter te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat A met het door haar betaalde bedrag van € 50.000,-- de matrijzen 4 en 5 heeft betaald.

Ten slotte zal de voorzieningenrechter hebben te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat partijen afspraken hebben gemaakt zonder voorbehoud, die dienen te worden nagekomen.

Op basis van de stukken zoals die er nu liggen en met inachtneming van de beperkingen van de kort gedingprocedure, die zich niet leent voor nader onderzoek, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat D als bestuurder van A de verkoop van matrijs 1 door A aan E heeft verricht, althans goedgekeurd. Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat sprake was van het om de tuin leiden van A door B met betrekking tot matrijs 1, dan wel in algemene zin.

Alles overziend komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat met betrekking tot de matrijzen 1 tot en met 3 niet aannemelijk is geworden dat A onder invloed van dwaling, bedrog, dan wel misbruik van omstandigheden ingevolge de oorspronkelijke koopovereenkomst heeft afgesproken haar eigen matrijzen te kopen en dat zij hiervan reeds eigenaar was. Met betrekking tot de matrijzen 4 en 5 kan in kort geding niet worden vastgesteld of het bedrag dat zij daarvoor heeft betaald haar recht geeft op afgifte van de matrijzen 4 en 5, omdat geen specifieke prijs voor de afzonderlijke matrijzen is overeengekomen, nu de prijs zag op de overname van alle activa van E, waarvan de matrijzen slechts een onderdeel vormden. Evenmin kan in deze kort gedingprocedure worden vastgesteld dat tussen partijen op 15 november 2013 een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen.

Dit leidt ertoe dat, mede gelet op de beperkingen die de kort geding procedure met zich brengt, voor toewijzing van zowel het in conventie als in reconventie gevorderde geen ruimte is, behoudens het toewijzen van de in reconventie gevorderde managementvergoeding, aangezien de verschuldigdheid daarvan tussen partijen niet in geschil is en het beroep op verrekening dan wel opschorting daarna van A, gelet op het voorgaande, niet kan worden gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/152861 / KG ZA 14-87

Vonnis in kort geding van 10 april 2014 (fs)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISION FOR ENERGY B.V.,

gevestigd te Enschede,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. van Schendel te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [plaats], thans feitelijk kantoor houdend op het woonadres van haar bestuurder en enig aandeelhouder [G], aan de [adres] te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.P. Huizingh te Enschede.

Partijen zullen hierna V4E en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door [gedaagde] in het geding gebrachte producties 1 tot en met 12b

  • -

    de brief van 24 maart 2014 van [gedaagde]

  • -

    de brief van 24 maart 2014 van V4E

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van V4E

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] met daarin de gewijzigde eis in reconventie

  • -

    de brief van 25 maart 2014 van [gedaagde]

  • -

    de brief van 25 maart 2014 van V4E

  • -

    de akte inbreng producties in reconventie van V4E

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

In conventie en reconventie

2.1.

In april 2011 werd Hydro Systems Holland B.V. (HSH), waarvan de heer [G] enig aandeelhouder was, failliet verklaard.

2.2.

In mei 2011 is Vision for Energy B.V. (V4E) opgericht ter voortzetting van HSH.

2.3.

Deltaborgh Investments B.V. en Hotraco Group B.V. (Hotraco) zijn elk 50% aandeelhouder en bestuurder van V4E.

2.4.

Medio 2011 heeft V4E een overeenkomst gesloten met [G] en diens onderneming, [G]. Ingevolge die overeenkomst, die is neergelegd in de notulen van een op 9 juni 2011 gehouden aandeelhoudersvergadering, is - samengevat weergegeven en zover hier van belang - besloten dat:

  • -

    Deltaborgh en Hotraco voor € 1,-- een 20% aandelenbelang in V4E aan [G] overdragen;

  • -

    V4E het 100% belang van [G] in de onderneming Hydro Systems International d.o.o. (HSI) overneemt tegen betaling van € 360.905,--;

  • -

    een borgstelling van [G] in privé (afgegeven ten behoeve van financiering HSH) bij de Rabobank Twente Oost, door V4E wordt overgenomen. Deze overgenomen verplichtingen worden in de administratie van de vennootschap opgenomen voor € 210.000,--, waartegenover een vordering op [G] wordt opgenomen;

  • -

    [G] aan V4E een renteloze lening van € 150.905,-- (€ 360.905,-- minus

€ 210.000,--) verstrekt;

- V4E met ingang van 1 september 2011 met [G] / [gedaagde] een managementovereenkomst zal sluiten voor de duur van twee jaar, eindigend op

31 augustus 2013, met een managementvergoeding van € 5.000,-- ex BTW per maand.

2.5.

Van deze afspraken werd alleen de managementovereenkomst per september 2011 geëffectueerd.

2.6.

Medio 2013 zijn de gemaakte afspraken gewijzigd, in die zin dat V4E niet langer de aandelen in het kapitaal van HSI zou overnemen, maar enkel zou overgaan tot het overnemen van de activa, waaronder de complete inventaris.

2.7.

Ter betaling van de volledige inventaris van HSI heeft V4E € 50.000 plus BTW aan [gedaagde] betaald.

2.8.

Daarop heeft [gedaagde] de inventaris van HSI bij V4E afgeleverd, met uitzondering van een vijftal matrijzen.

2.9.

De verplichting tot levering van de matrijzen is door [gedaagde] opgeschort, omdat V4E in haar ogen slechts een deelbetaling had verricht en ook nog geen gevolg had gegeven aan de afspraak om de schuld uit borg over te nemen.

2.10.

De managementvergoeding over de maanden juli, augustus en (een beperkt aantal uren in) september 2013 heeft V4E niet aan [gedaagde] betaald.

2.11.

Bij brief van 8 november 2013 van de raadsman van [gedaagde] worden V4E, Deltaborgh en Hotraco nogmaals gesommeerd alle afspraken na te komen.

2.12.

Partijen hebben vervolgens getracht de ontstane impasse te doorbreken door met elkaar in gesprek te gaan op 15 november 2013.

2.13.

Bij die gelegenheid hebben V4E, Deltaborgh en Hotraco ten aanzien van [gedaagde] toegezegd een bedrag van € 100.905,-- te vermeerderen met de BTW over te maken

(€ 150.905,-- minus € 50.000,--) alsmede een bedrag van € 6.550,-- aan managementfee op de derdenrekening van de notaris tegen overlegging van een factuur bij de notaris. Met betrekking tot de matrijzen werd afgesproken dat deze door [gedaagde] bij een door V4E aan te wijzen notaris in depot zouden worden afgegeven en dienden te worden goedgekeurd door een door V4E aan te wijzen deskundige.

2.14.

Op 26 en 29 november 2013 is een poging gedaan om de matrijzen te keuren.

2.15.

Vervolgens heeft [gedaagde] de matrijzen verplaatst naar een andere locatie, zodat een poging om op 24 december 2013 namens V4E conservatoir beslag te laten op de matrijzen is mislukt.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

V4E vordert samengevat - primair afgifte van een vijftal matrijzen en subsidiair de onderbewindstelling van matrijzen ex artikel 710 Rv, waarbij het de bewindvoerder wordt toegestaan om de matrijzen aan V4E, althans aan een door V4E aan te wijzen derde, in bruikleen te geven, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. Subsidiair vordert V4E tevens een termijn te bepalen voor het instellen van de eis in de hoofdzaak nadat [gedaagde] de matrijzen heeft afgegeven aan de bewindvoerder. Tevens vordert V4E [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten en wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten als [gedaagde] deze kosten niet tijdig betaalt. Uiterst subsidiair vordert V4E om een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter juist acht.

In reconventie

3.2

[gedaagde] vordert samengevat - na wijziging van eis, V4E te veroordelen aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 122.095,05, (zijnde € 100.905 plus BTW), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag en V4E te gebieden om de schuld uit borgtocht van [G] jegens de Rabobank over te nemen, althans ervoor zorg te dragen dat [G] binnen die termijn door de Rabobank wordt ontslagen uit zijn verplichtingen uit hoofde van de betreffende borgtocht, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tevens vordert [gedaagde] V4E te veroordelen aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 7.937,60 (zijnde € 6.550,-- aan managementvergoeding inclusief BTW), te vermeerderen met de handelsrente. Tot slot vordert [gedaagde] V4E te veroordelen in de kosten van de procedure.

In conventie en reconventie

3.3.

V4E stelt - samengevat - dat zij recht en belang heeft bij afgifte van de matrijzen nu het bestaan van het eigendomsrecht van V4E en de verplichting van [gedaagde] om de gekochte zaken te leveren in voldoende mate aannemelijk is. Nadat V4E in haar administratie facturen heeft aangetroffen van drie van de vijf matrijzen, concludeert zij op grond daarvan dat zij al eigenaar is van de matrijzen 1, 2 en 3 met toebehoren, zodat zij naar haar zeggen € 50.000,-- heeft betaald voor de matrijzen 4 en 5. V4E kocht matrijs 1 van [B] en de matrijzen 2 en 3 van Stahl d.o.o. Dit blijkt uit de facturen die als productie 4 bij de dagvaarding zijn gevoegd. [G] heeft vervolgens, zonder toereikende volmacht, in de hoedanigheid van directeur van V4E, matrijs 1 verkocht aan HSI, zijn eigen vennootschap in Bosnië-Herzegovina. Dit volgt uit een factuur overgelegd als productie 6 bij de dagvaarding. Kennelijk heeft HSI de matrijs weer verkocht aan [gedaagde], die de matrijs op haar beurt weer aan V4E verkocht. Omdat [G] buiten de grenzen trad van zijn volmacht bij de verkoop van matrijs 1 aan HSI en omdat HSI daarmee bekend was – [G] was immers ook bestuurder van HSI – acht V4E zich niet gebonden aan de verkoop van die matrijs. Voor het geval [gedaagde] stelt dat ook de matrijzen 2 en 3 door V4E zijn verkocht aan HSI geldt hiervoor hetzelfde. Voor zover nodig vernietigde zij de koopovereenkomst, althans deed zij een beroep op haar eigendomsvoorbehoud.

3.4

[gedaagde] stelt - samengevat - dat de overeenkomst die [gedaagde] met V4E heeft gesloten, na de wijziging van de afspraken medio 2013, de overname door V4E van de onderneming van HSI betrof in de vorm van overname van de complete inventaris van HSI door V4E voor in totaal € 360.905,--, waarvan € 150.905,-- te betalen aan [gedaagde] en € 210.000,-- te betalen ter overname van de schuld uit borg van [G] bij de Rabobank. Van deze verplichting heeft V4E slechts een deelbetaling van € 50.000,-- exclusief BTW aan [gedaagde] verricht, zodat de restantbetaling van € 100.905,-- exclusief BTW aan [gedaagde] en overname van de schuld uit borg resteert. Dat ook de overname van de schuld uit borg onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gesloten overeenkomst, wordt volgens [gedaagde] vele malen bevestigd en herbevestigd, laatstelijk door de schikkingsafpraken die op 15 november 2013 zijn gemaakt. Tegenover de door V4E gedane deelbetaling staat dat [gedaagde] de complete inventaris van HSI aan V4E heeft geleverd, met uitzondering van de matrijzen, waarvoor [gedaagde] haar verplichting tot levering heeft opgeschort. [gedaagde] stelt dat V4E van geen van de matrijzen eigenaar is, zodat afgifte daarvan niet aan de orde kan zijn. De matrijzen 1 tot en met 3 zijn zijn inderdaad door V4E aan HSI geleverd. De betreffende transacties zijn echter niet door [gedaagde] verricht, maar door V4E-vestiging Hegelsom (oftewel door of namens V4E-bestuurder Hotraco). [gedaagde] en [G] voerden niet de directie van V4E en waren voor het plaatsen van bestellingen, betalingen en facturatie aangewezen op de bestuurders van V4E. Bovendien was [gedaagde] ten tijde van de eerste transacties niet eens formeel in functie bij V4E. [gedaagde] concludeert op grond hiervan dat HSI gewoon eigenaar is geworden van de matrijzen 1, 2 en 3. Omdat V4E slechts een deelbetaling heeft verricht van de voor de levering van de totale inventaris afgesproken tegenprestatie en [gedaagde] haar verplichting tot levering van de matrijzen heeft opgeschort, is V4E evenmin eigenaar van de matrijzen 4 en 5. Om tot een oplossing voor de gerezen geschillen te komen is [gedaagde] in november 2013 akkoord gegaan met de door V4E verzochte keuring van de matrijzen. Uit de aard van de vordering van V4E vloeit voort dat feitelijk geen sprake meer is van een voorbehoud wegens keuring.

3.5.

Het verweer van V4E in reconventie is dat ze alle verplichtingen jegens [gedaagde] en [G] heeft verrekend, althans heeft opgeschort nu V4E door [gedaagde] en [G] om de tuin is geleid door opdracht te geven tot verkoop van de matrijzen 1 tot en met 3 aan HSI. V4E baseert haar beroep op verrekening dan wel opschorting ook op haar stelling dat [gedaagde] producten van V4E voor de kostprijs doorverkocht aan klanten. V4E maakt hierdoor geen winst, terwijl het gebruikelijk is dat op high tech productie een minimale marge van 30 – 70% wordt verdiend op de inkoopprijs. Voorts heeft V4E aangevoerd dat haar is gebleken dat onderdelen in de apparatuur die V4E verkocht aan haar klanten gebrekkig zijn. Het betreft producten die zijn gemaakt onder de directievoering van [G] met onderdelen van HSI, de vennootschap van [G]. V4E acht zich niet gebonden aan de afspraken die zij in het kader van een schikking op 15 november 2013 met [gedaagde] heeft gemaakt. V4E wijst er in dat kader op dat de goedkeuring van de matrijzen door een deskundige een opschortende voorwaarde was voor het totstandkomen van de schikking. De matrijzen zijn niet goedgekeurd en V4E acht zich dan ook niet gebonden aan de schikkingsafspraken.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang van de procedure in conventie met die in reconventie zullen de geschillen gezamenlijk worden behandeld.

Procedureel

4.2.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat [gedaagde] vrijdagavond 21 maart 2014, buiten kantooruren, producties en de aankondiging van een eis in reconventie aan de wederpartij en de rechtbank heeft gestuurd. Omdat de stukken naar de locatie Zwolle in plaats van naar de locatie Almelo van deze rechtbank zijn gestuurd, heeft de voorzieningenrechter pas maandagochtend 24 maart 2014 de stukken voor het eerst onder ogen gekregen. Diezelfde ochtend heeft V4E schriftelijk verzocht de eis in reconventie en de door [gedaagde] ingediende producties niet toe te laten. Na bespreking van de wederzijdse standpunten dienaangaande heeft de voorzieningenrechter ter zitting besloten dat, hoewel de gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient, de reconventionele vordering en de stukken toch toe te laten. Daarbij heeft zij laten meewegen dat de reconventionele vordering valt te destilleren uit de door V4E ingebrachte stukken en de door [gedaagde] ingediende producties grotendeels bij V4E bekend moeten worden geacht.

4.3.

Na de zitting heeft V4E op 25 maart 2014 schriftelijk toestemming verzocht om uiterlijk 28 maart 2014, derhalve gedurende de termijn die partijen hebben gekregen om te pogen tot een minnelijke regeling te komen, bij akte producties in het geding te brengen en haar toe te staan kort toe te lichten op welke standpunten in reconventie deze betrekking hebben. Op 26 maart 2014 heeft [gedaagde] schriftelijk te kennen gegeven zich hiermee niet te kunnen verenigen en heeft ze vonnis verzocht.

4.4.

Op 26 maart 2014 is partijen te kennen gegeven dat als de voorzieningenrechter zich formeel zou hebben opgesteld, de reconventionele vordering niet zou zijn behandeld, althans niet ter zitting van 24 maart 2014. Toegezegd is dat V4E na afloop van de zitting nog producties met betrekking tot de reconventionele vordering in het geding zou mogen brengen na daartoe gedaan verzoek. Omdat partijen uiteen zijn gegaan met de mededeling dat een minnelijke regeling zou worden betracht, is voorstelbaar dat V4E haar verzoek om overlegging van producties niet heeft herhaald. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt met zich dat die gelegenheid alsnog zal worden geboden. V4E heeft derhalve de gelegenheid gekregen uiterlijk 28 maart 2014 bij akte producties in het geding te brengen die zien op de reconventionele vordering. [gedaagde] heeft vervolgens tot 2 april 2014 de tijd gekregen om hier met een antwoordakte op te reageren. Op de laatste dag waarop zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zowel V4E als [gedaagde] de voormelde aktes in het geding gebracht.

Met betrekking tot het geschil

4.5.

V4E vordert in conventie afgifte en levering van de matrijzen zonder betaling, dan wel benoeming van een bewindvoerder die de matrijzen aan haar ter beschikking stelt. Zij stelt de verplichtingen die ze heeft jegens [gedaagde] / [G] te hebben verrekend, althans opgeschort.

4.6.

[gedaagde] heeft zich bereid verklaard tot levering van de matrijzen aan V4E tegen voldoening van de overeengekomen tegenprestaties. [gedaagde] stelt de levering te hebben opgeschort.

4.7.

De voorzieningenrechter heeft in dat kader ten eerste te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat V4E reeds eigenaar was van de matrijzen 1 tot en met 3 en of zij onder invloed van dwaling, bedrog, dan wel misbruik van omstandigheden ingevolge de oorspronkelijke koopovereenkomst heeft afgesproken haar eigen matrijzen te kopen.

Vervolgens heeft de voorzieningenrechter te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat V4E met het door haar betaalde bedrag van € 50.000,-- de matrijzen 4 en 5 heeft betaald.

Ten slotte zal de voorzieningenrechter hebben te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat partijen afspraken hebben gemaakt zonder voorbehoud, die dienen te worden nagekomen.

4.8.

Met betrekking tot de matrijzen 1 tot en met 3 overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.9.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] heeft erkend dat de door V4E als productie 4 bij de dagvaarding overgelegde facturen, betrekking hebben op de matrijzen 1 tot en met 3. Nu V4E die matrijzen ook geleverd heeft gekregen, heeft zij de betreffende matrijzen in eigendom verkregen. Als onbetwist is echter eveneens komen vast te staan dat V4E de matrijzen 2 en 3 op 5 juli 2011 en matrijs 1 op 9 maart 2012 heeft doorverkocht aan HSI en dat de administratie en facturering van deze transacties heeft plaatsgevonden door Hotraco, aandeelhouder en bestuurder van V4E, gevestigd in Hegelsom. Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag wie de transacties heeft verricht.

4.10.

De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] op het moment dat de factuur met betrekking tot de matrijzen 2 en 3 op 5 juli 2011 door V4E aan HSI werd verstuurd, nog niet als manager aan V4E was verbonden. Dat was immers ingevolge de tussen partijen gesloten managementovereenkomst pas vanaf 1 september 2011 het geval. V4E is er, gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat, zoals de heer[X], financieel directeur van Hotraco in de door V4E als productie 13 overgelegde mail van

28 maart 2014 stelt, sprake was van een onbezoldigde managementpositie voor [G] voorafgaand aan de managementovereenkomst. [gedaagde] heeft daar in haar antwoordakte tegenover gesteld dat [G] in die periode nog aan het herstellen was van een hartoperatie, in verband daarmee een WAO-uitkering genoot, geen hele dagen kon werken en zijn restcapaciteit volledig benutte met zijn betrokkenheid bij HSI. Nu V4E erkent dat [G] in die periode nog een WAO-uitkering ontving en V4E haar stelling thans slechts onderbouwt met een achteraf opgestelde mail, heeft V4E haar stelling onvoldoende onderbouwd. Ook aan het voorafgaand aan de managementovereenkomst al bestaan van het mailadres [G] komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doorslaggevende betekenis toe. Derhalve acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de eigendom van die matrijzen 2 en 3 is overgegaan naar HSI.

4.11.

Met betrekking tot de verkoop van matrijs 1 door V4E aan HSI op 9 maart 2012 (productie 8, bijlage 1 bij de dagvaarding), moet worden geconstateerd dat deze dateert van na de totstandkoming van de managementovereenkomst tussen V4E en [gedaagde]. Volgens [gedaagde] voerde zij niet de directie voor V4E en was zij voor bestellingen, betalingen en facturatie aangewezen op de bestuurders van V4E en met name op de heer[X], financieel directeur van Hotraco, die deze handelingen namens V4E verrichtte. V4E betwist dit en stelt dat [G] dan wel [gedaagde] was aangesteld om de directie bij V4E te voeren, het vertrouwen genoot van V4E en dat haar bestuurders op afstand bleven. De voorzieningenrechter overweegt dat deze laatste stelling zich niet goed verhoudt tot de stelling dat [gedaagde] buiten de grenzen van haar volmacht trad bij de verkoop van matrijs 1 aan HSI, nu [G] ingevolge die volmacht niet bevoegd was tot het verkopen van matrijzen, die tot de activa van V4E behoren. Gelet op deze laatste stelling van V4E en het feit dat is komen vast te staan dat de administratie en facturering van deze transacties heeft plaatsgevonden door Hotraco, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat ervan mag worden uitgegaan dat Hotraco als bestuurder van V4E de transactie heeft verricht, althans deze heeft goedgekeurd.

4.12.

De door V4E na de zitting overgelegde producties leiden niet tot een ander oordeel.

Productie 11 betreft volgens V4E een e-mail van mevrouw[V], partner van [G] en commercial director bij V4E aan de heer[X], waarin zij vraagt om een factuur te maken voor V4E aan HSI. V4E concludeert op grond daarvan dat mevrouw[V] de opdracht aan Hotraco gaf en ziet deze conclusie bevestigd door productie 12, een brief van de heer[X] van 24 maart 2014, waarin deze verklaart dat Hotraco enkel de administratie voor V4E verrichtte en dat inkoopbestellingen en verkooporders werden geïnitieerd en geautoriseerd door [G] of[V], hetgeen volgens V4E blijkt uit de producties 14 -18. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in haar antwoordakte op goede gronden gewezen op een aantal onlogische elementen in het betoog van V4E. Zo heeft [gedaagde] er terecht op gewezen dat uit de bewoordingen van de e-mail van 9 juni 2011 (productie 11) niet volgt dat sprake is van een opdracht. Volgens [gedaagde] is sprake van een verzoek. Los van deze specifieke e-mail wijst [gedaagde] erop dat de gebruikelijke werkwijze, zoals deze door V4E is beschreven, namelijk dat inkoopbestellingen en verkooporders werden geïnitieerd en geautoriseerd door [G] en[V], vreemd is. Het is in de visie van [gedaagde] niet logisch dat één en dezelfde persoon iets zou initiëren én autoriseren. Als deze bevoegdheden in dezelfde hand liggen bestaat er immers geen onderscheid tussen beide. De voorzieningenrechter onderschrijft deze visie. Als Hotraco enkel de administratieve dienstverlening voor V4E verrichtte, zoals V4E stelt, vraagt [gedaagde] zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht af waarom de financieel directeur zich daarmee dan persoonlijk bezighield en hij deze werkzaamheden niet delegeerde aan een medewerker. De bemoeienis van de heer[X] ligt meer voor de hand in een constellatie waarin de bevoegdheden niet in één hand liggen en waarin hij als indirect bestuurder van V4E de controle had over bestellingen en facturen. Op basis van de stukken zoals die er nu liggen en met inachtneming van de beperkingen van de kort gedingprocedure, die zich niet leent voor nader onderzoek, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat Hotraco als bestuurder van V4E de verkoop van matrijs 1 door V4E aan HSI heeft verricht, althans goedgekeurd. Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat sprake was van het om de tuin leiden van V4E door [gedaagde] met betrekking tot matrijs 1, dan wel in algemene zin.

4.13

Nu V4E er blijkens haar stellingname vanuit gaat dat HSI de betreffende matrijzen kennelijk heeft overgedragen aan [gedaagde], behoeft dit geen verdere bespreking.

4.14

Het beroep van V4E op eigendomsvoorbehoud kan evenmin slagen, omdat haar stelling dat HSI de koopprijs niet heeft voldaan, door [gedaagde] gemotiveerd is weersproken met een beroep op het verrekenen ervan in de rekening-courantverhouding tussen HSI en V4E. In deze kortgedingprocedure is niet aannemelijk geworden dat HSI de koopprijs voor de matrijzen 1 tot en met 3 niet heeft voldaan.

4.15.

Gelet op het voorgaande kan thans niet gezegd worden dat het waarschijnlijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat V4E eigenaar is gebleven van de matrijzen 1 tot en met 3, dat het beroep op vernietiging moet worden gehonoreerd en dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot afgifte van de matrijzen.

4.16.

Nu de voorzieningenrechter er vooralsnog vanuit gaat dat Hotraco het als bestuurder van V4E in de onderlinge verhouding met [gedaagde] voor het zeggen had, kan de stelling van V4E dat [gedaagde] producten van V4E tegen kostprijs heeft doorverkocht aan klanten, waarmee V4E schade zou zijn berokkend en op grond waarvan V4E recht op verrekening althans opschorting zou hebben, niet slagen. Voor de beoordeling van de stelling van V4E met de strekking, dat [G] ervoor verantwoordelijk is dat onderdelen in de apparatuur die door V4E aan klanten is verkocht gebrekkig zijn gebleken, is nader onderzoek en bewijslevering nodig, waarvoor de kort gedingprocedure zich niet leent. Ook hierin kan derhalve geen grond voor opschorting, dan wel verrekening zijn gelegen.

4.17.

Met betrekking tot de matrijzen 4 en 5 heeft V4E zich niet op het standpunt gesteld dat zij al haar eigendom zijn geworden, maar dat zij er voldoende voor heeft betaald om recht op afgifte van de matrijzen te hebben.

4.18.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan in het onderhavige kort geding niet worden beoordeeld of dit door V4E ingenomen standpunt juist is. De koop van de matrijzen 4 en 5 maakte immers onderdeel uit van een complex van afspraken tussen partijen, voor het eerst op papier gezet in de notulen van een op 9 juni 2011 in aanwezigheid van [G] gehouden aandeelhoudersvergadering van V4E. Later zijn deze afspraken, voor zover nog niet nagekomen, bevestigd in de notulen van de vergaderingen van

12 september 2011 en 30 oktober 2012, waarbij wordt aangetekend dat de afspraken in die zin zijn gewijzigd dat niet langer de aandelen van HSI aan V4E zouden worden overgedragen, maar de activa.

4.19.

Op 15 november 2013 hebben partijen gepoogd hun geschil definitief te beslechten aan de hand van een voorstel van de zijde van V4E. Bij die gelegenheid hebben V4E, Deltaborgh en Hotraco - voor zover hier van belang – ten aanzien van [gedaagde] toegezegd voor de gehele inventaris en voornoemde matrijzen een bedrag van € 100.905,-- te vermeerderen met de BTW over te maken (€ 150.905,-- minus € 50.000,--) alsmede een bedrag van

€ 6.550,-- aan managementfee op de derdenrekening van de notaris tegen overlegging van een factuur bij de notaris. Met betrekking tot de matrijzen werd afgesproken dat deze door [gedaagde] bij een door V4E aan te wijzen notaris in depot zouden worden afgegeven en zouden worden goedgekeurd door een door V4E aan te wijzen deskundige. Beide partijen hebben vastgesteld dat zij niet gebonden zijn indien er geen (goed)keuring van de matrijzen zou plaatsvinden. Zo heeft V4E bij e-mail van 20 november 2013 te kennen gegeven: ‘Indien de matrijzen niet door Vision for Energy B.V. goedgekeurd worden verplichten partijen zich opnieuw in overleg te treden om te trachten tot overeenstemming te geraken’ (…) en ‘In geval uw cliënten en Hydro Systems International D.O.O. dit voorstel niet mochten accepteren kan er naderhand zowel in als buiten rechte geen beroep meer op worden gedaan’. Diezelfde dag laat [gedaagde] per e-mail in reactie hierop weten: ‘Uw punt is helder: u acht zich niet gebonden aan de schikkingsafspraken indien de matrijzen niet door de door u in te schakelen deskundige binnen de termijn van 10 werkdagen na heden worden goedgekeurd. Zoals al aangegeven is dat dezerzijds akkoord. Echter, cliënten achten zich bij afkeuring (…) van de matrijzen (…) evenmin nog langer aan de schikkingsafspraken gebonden’.

4.20.

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen op 15 november 2013 weliswaar in beginsel overeenstemming hebben bereikt over de levering van de matrijzen en de tegenprestatie die daar tegenover staat, maar dat de (goed)keuring van de matrijzen door een deskundige gelet op de hiervoor aangehaalde citaten voor beide partijen een voorwaarde was om zich gebonden te achten aan het schikkingsvoorstel. Op 26 en 29 november 2013 is een poging gedaan om de matrijzen te keuren, maar dit heeft niet geleid tot goedkeuring van de matrijzen. Partijen verschillen erover van mening aan wie dat te wijten is. Onder die omstandigheden kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden volgehouden dat tussen partijen op 15 november 2013 een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen.

4.21.

Alles overziend komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat met betrekking tot de matrijzen 1 tot en met 3 niet aannemelijk is geworden dat V4E onder invloed van dwaling, bedrog, dan wel misbruik van omstandigheden ingevolge de oorspronkelijke koopovereenkomst heeft afgesproken haar eigen matrijzen te kopen en dat zij hiervan reeds eigenaar was. Met betrekking tot de matrijzen 4 en 5 kan in kort geding niet worden vastgesteld of het bedrag dat zij daarvoor heeft betaald haar recht geeft op afgifte van de matrijzen 4 en 5, omdat geen specifieke prijs voor de afzonderlijke matrijzen is overeengekomen, nu de prijs zag op de overname van alle activa van HSI, waarvan de matrijzen slechts een onderdeel vormden. Evenmin kan in deze kort gedingprocedure worden vastgesteld dat tussen partijen op 15 november 2013 een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen.

4.22.

Dit leidt ertoe dat, mede gelet op de beperkingen die de kort geding procedure met zich brengt, voor toewijzing van zowel het in conventie als in reconventie gevorderde geen ruimte is, behoudens het toewijzen van de in reconventie gevorderde

managementvergoeding, aangezien de verschuldigdheid daarvan tussen partijen niet in geschil is en het beroep op verrekening dan wel opschorting daarna van V4E, gelet op het voorgaande, niet kan worden gehonoreerd.

4.23.

V4E zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in: conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

4.24.

[gedaagde] zal als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van V4E worden begroot op € 816,00 (2x factor 0,5 x tarief € 816,00, waarbij 0,5 punt aan salaris is toegekend omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in reconventie en 0,5 punt aan salaris is toegekend voor de akte inbreng producties in reconventie).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt V4E in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

veroordeelt V4E aan [gedaagde] te betalen een bedrag ad € 7.937,60 (zijnde € 6.560,00 terzake managementvergoeding juli/augustus/september 2013, plus BTW), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag over de periode van 1 oktober 2013 tot het moment van voldoening,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van V4E tot op heden begroot op € 816,00,

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst af en het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Lorist en in het openbaar uitgesproken op

10 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: coll: