Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:1831

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
09-04-2014
Zaaknummer
Awb 13/2931
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:4693, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invordering verbeurde dwangsom van € 25.000.00; dat asnog omgevingsvergunning is verleend geen bijzondere omstandigheid; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:37, geldigheid: 2014-04-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1976

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/2931

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser I] en

[eiser II],

beiden wonende te Schalkhaar, eisers,

gemachtigde: mr. A.J. Poelman,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2013 heeft verweerder besloten tot invordering van een door eisers verbeurde dwangsom van € 25.000,00.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 27 november 2013 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van 25 februari 2014 behandeld. [eiser II]is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.B. Steenbruggen.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 18 februari 2011 heeft verweerder aan eisers een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tuinhuis op het perceel [adres] te Schalkhaar, kadastraal bekend gemeente Diepenveen, [sectie] waarbij tevens vergunning is verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan Kom Schalkhaar 2005 oprichten van een tuinhuis met een grootte van 48 m² in plaats van de volgens dit bestemmingsplan toegestane 40 m². Naar aanleiding van een tegen de verleende vergunning gemaakt bezwaar heeft verweerder bij besluit van 6 december 2011 het besluit van

18 februari 2011 herroepen en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.

Het door eisers tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 28 augustus 2012 door de rechtbank Zwolle-Lelystad ongegrond verklaard. Eisers hebben geen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning ten behoeve van het gebruik van het tuinhuis als kookstudio geweigerd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 juni 2012 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft verweerder eisers onder oplegging van een dwangsom van

€ 25.000,00 ineens gelast zo spoedig mogelijk maar uiterlijk vóór 1 juli 2013, het gebouw waarin de kookstudio is gevestigd aan de [adres]te Schalkhaar geheel te verwijderen en verwijderd te houden.

Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Op 3 juni 2013 hebben eisers wederom een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een tuinhuis met een oppervlakte van 48 m².

Op 5 juli 2013 is een inspectie uitgevoerd op het perceel van eisers, waarbij is geconstateerd dat het tuinhuis niet verwijderd is en de keuken en het toilet in het tuinhuis nog steeds aanwezig zijn. Van deze inspectie is een proces-verbaal opgemaakt.

Naar aanleiding daarvan heeft verweerder vastgesteld dat eisers op 1 juli 2013 van rechtswege de dwangsom van € 25.000,00 hebben verbeurd en bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 14 augustus 2013 heeft verweerder besloten tot invordering van de dwangsom over te gaan.

Op 11 september 2013 heeft verweerder eisers een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tuinhuis. Het daartegen door omwonenden gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 januari 2014 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank stelt voorop dat slechts de vraag in geding is of verweerder tot invordering van de opgelegde dwangsom van € 25.000,00 heeft kunnen overgaan.

Hiervoor is van belang het antwoord op de vraag of eisers de hen opgelegde dwangsom verbeurd hebben of dat zij binnen de daartoe gestelde begunstigingstermijn aan de opgelegde last hebben voldaan.

Eisers zijn van mening dat verweerder er in het bestreden besluit aan voorbij gaat dat niet het gebouw zelf maar het gebruik daarvan onderwerp was van de last en dat dit gebruik al voor

1 juli 2013 gestaakt was. Ten onrechte beschouwt verweerder de enkele aanwezigheid van de kookinrichting en toilet als bewijs van verboden gebruik. Er is niet vastgesteld dat er ook sprake was van verboden gebruik in de zin van activiteiten als bijvoorbeeld kooklessen.

Daarnaast was er ten tijde van de inspectie al een nieuwe vergunningaanvraag ingediend en bestond er derhalve reëel uitzicht op legalisatie.

De rechtbank kan eisers niet volgen in hun standpunt dat de last uitsluitend betrekking heeft op het gebruik van het tuinhuis als kookstudio. In het besluit van 5 maart 2013 is expliciet aangegeven dat het gebouw, zonder dat zij beschikten over een omgevingsvergunning, toch gerealiseerd is. Van zicht op legalisatie is geen sprake omdat het besluit van 6 december 2011, waarbij de benodigde omgevingsvergunning alsnog is geweigerd, onherroepelijk is.

De in het besluit van 5 maart 2013 neergelegde last ziet dan ook op het geheel verwijderen en verwijderd houden van het gebouw vóór 1 juli 2013.

3.

Vaststaat dat tijdens de inspectie op 5 juli 2013 geconstateerd is dat het gebouw niet verwijderd was. Reeds op grond hiervan is de opgelegde dwangsom verbeurd.

Dat op 11 september 2013 alsnog een omgevingsvergunning is verleend maakt dit niet anders. Zoals verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven was eerst na het verwijderen van de keuken en toilet in augustus 2013 sprake van een bijgebouw als bedoeld in de planvoorschriften van het bestemmingsplan Kom Schalkhaar 2005.

Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), zie onder meer ECLI:NL:RVS:2013:BY8501 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ7663, dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr.3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

4.

Eisers hebben als bijzondere omstandigheden om af te zien van invordering van de dwangsom aangevoerd dat de last niet te maken had met het bijgebouw, maar met het gebruik van het bijgebouw. Het was eisers niet duidelijk dat ook het gebouw zelf weg zou moeten. Daarnaast is aangevoerd dat op 7 maart 2013, in een gesprek met wethouder Swart, aangegeven is dat er geen probleem zou zijn als de buren geen bezwaar zouden hebben tegen de kookstudio. De kookactiviteiten zijn echter al sinds 15 juni 2012 gestaakt. Het gebouw is inmiddels ook vergund. Verweerder heeft de vrijheid om lankmoedig te zijn, te meer nu het tuinhuis aanvankelijk ook gewoon vergund was, aldus eisers.

De rechtbank kan deze aangevoerde argumenten niet aanmerken als bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien. De rechtbank wijst er in dit kader op dat de op 18 februari 2011 verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van het tuinhuis bij besluit van 6 december 2011 is herroepen en alsnog is geweigerd. Dit besluit is door de rechtbank in stand gelaten, en daartegen is door eisers geen hoger beroep ingesteld.

Vervolgens hebben eisers afgezien van het instellen van bezwaar en/of beroep tegen de hiervoor omschreven besluiten van 25 juni 2012 en 5 maart 2013.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen ziet de last onder dwangsom, zoals omschreven in het besluit van 5 maart 2013, op het geheel verwijderen en verwijderd houden van het gebouw vóór 1 juli 2013. Dat na deze datum alsnog een omgevingsvergunning is verleend maakt dit niet anders.

5.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden tot invordering van de aan eisers opgelegde dwangsom van € 25.000,00 is overgegaan.

6.

Het beroep is ongegrond.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, rechter, en door haar en Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep