Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:1783

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
07-04-2014
Zaaknummer
Awb 13/2876
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de activiteiten bouwen van 13 rijwoningen, het slopen van 9 seniorenwoningen en een ontheffing van het bestemmingsplan "Kom Schalkhaar 2005". Het beroep beperkt zich tot het parkeeraspect van de omgevingsvergunning.

Wetsverwijzingen
Bouwverordening gemeente Deventer 1992/2012 2.5.30, geldigheid: 2014-04-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/1980

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/2876

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[naam 1],

wonende te Schalkhaar, eiser,

gemachtigde: mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

Derde belanghebbende: [naam 2], gevestigd te Twello, vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2012 heeft verweerder aan [naam 2] (hierna te noemen: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de activiteiten bouwen van 13 rijwoningen, het slopen van 9 seniorenwoningen en een ontheffing van het bestemmingsplan “Kom Schalkhaar 2005”.

Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar is door verweerder bij het besluit van

1 november 2013 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 maart 2014 behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Smaling, voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier, medewerker van de gemeente Deventer. Voor vergunninghoudster zijn verschenen [naam 3], [naam 4] en [naam 5].

Overwegingen

Blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting beperkt het beroep van eiser zich tot het parkeeraspect van de omgevingsvergunning. De rechtbank zal zich daarom hiertoe beperken en overweegt dienaangaande als volgt.

Aan de op 8 juni 2012 verleende omgevingsvergunning is een aantal voorschriften verbonden, waaronder het voorschrift dat op eigen terrein minimaal 11 parkeerplaatsen dienen te worden aangelegd en als zodanig te worden gebruikt. Daarnaast moeten in het openbaar gebied op kosten van vergunninghoudster en in overleg met de gemeente nog eens 4 parkeerplaatsen worden aangelegd. Verweerder heeft de aanvraag in dat verband getoetst aan artikel 2.5.30 en bijlage 14 van de Bouwverordening gemeente Deventer 1992/2010 (hierna: de Bouwverordening). Voldaan moet worden aan de daarin opgenomen parkeernormen.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening wordt aan het eerste lid geacht te zijn voldaan indien het aantal parkeerplaatsen op de locatie zoals aangegeven onder lid 1 ten minste overeenkomt met het aantal parkeerplaatsen dat voor het betreffende gebied en de betreffende functie is genoemd in de tabel in bijlage 14, met inachtneming van de daarvan deel uitmakende toepassingsrichtlijnen.

Ingevolge artikel 2.5.30, vijfde en zesde lid, van de Bouwverordening kan - kort gezegd - indien het naar het oordeel van verweerder redelijkerwijs fysiek onmogelijk is of anderszins niet aanvaardbaar is op eigen terrein in de nodige parkeer- of stallingsruimte te voorzien van het bepaalde in het eerste en tweede lid worden afgeweken indien in het openbaar gebied reeds is dan wel nog - op kosten van de aanvrager - zal worden voorzien in de nodige parkeer- of stallingsruimte.

Blijkens de stukken gold voor de te slopen/gesloopte 9 seniorenwoningen een parkeernorm die leidde tot in totaal 5,4 parkeerplaatsen. Voor de 13 rijwoningen geldt echter een parkeernorm die leidt tot in totaal 20,8 parkeerplaatsen. Dit betekent dat 15,4 extra parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Daarvan dienen conform de vergunningsaanvraag 11 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd en 4 parkeerplaatsen - op kosten van vergunninghoudster - in openbaar gebied.

Eiser betwist de genoemde parkeernorm voor de 13 rijwoningen op zich niet. Dat slechts 11 van de 15,4 extra benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd en dat de overige parkeerplaatsen in openbaar gebied moeten worden gerealiseerd wordt door eiser evenmin bestreden.

Eiser is het echter niet eens met de wijze waarop de parkeerplaatsen zijn/worden gerealiseerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de bedoelde 11 parkeerplaatsen weliswaar op eigen grond van vergunninghoudster worden aangelegd, maar nu deze vrijelijk voor een ieder beschikbaar zijn deze dus niet alleen voor de nieuwe bewoners gecreëerd zijn. Dit wordt volgens eiser bevestigd door het voornemen van vergunninghoudster om de grond van de parkeerplaatsen over te dragen aan de gemeente. Daarom is eiser van mening dat het bouwplan niet voldoet aan de voorwaarde van parkeren op eigen terrein.

Verder is eiser van mening dat de aanleg van 11 (openbare) parkeerplaatsen naast elkaar, waardoor hij aan de achterzijde van zijn perceel geconfronteerd wordt met een parkeerterrein, niet in overeenstemming is met de woonbestemming. Volgens eiser had daarom ook op dit punt een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan moeten worden gevolgd.

Ten slotte stelt eiser ten aanzien van de in het openbaar gebied aan te leggen 4 parkeer-plaatsen dat de hiervoor vervallen 3 (langs)parkeerplaatsen moeten worden afgetrokken van het totaal aantal nieuw te realiseren parkeerplaatsen. Naar de mening van eiser gaat het daarbij niet om parkeerplaatsen die in de loop van de tijd door de bewoners zelf zijn gecreëerd, maar om legale parkeerplaatsen op de openbare weg, waarmee rekening dient te worden gehouden. Eiser wijst er in dit verband op dat bij de indiening van de aanvraag nog sprake was van het aanbrengen van 3 (langs)parkeerplaatsen.

In het verweerschrift heeft verweerder dienaangaande naar voren gebracht dat uitgangspunt is dat de extra parkeerbehoefte van een bouwplan zoveel mogelijk op eigen terrein moet worden opgevangen, ten einde onnodige verhoging van de parkeerdruk op de openbare ruimte bij nieuwbouw te voorkomen. Deze doelstelling staat volgens verweerder echter niet in de weg aan het openstellen van deze parkeerplaatsen voor algemeen gebruik. In tegendeel, openbare parkeerplaatsen worden over het algemeen efficiënter gebruikt door meervoudig gebruik. Dat een particulier eigenaar toestaat dat parkeerplaatsen op zijn terrein ook door anderen dan bewoners en bezoekers, zoals buurtbewoners, worden gebruikt komt slechts ten goede aan de verlichting van de parkeerdruk in de omgeving, aldus verweerder. Uiteraard dient eenmaal gerealiseerde parkeergelegenheid op eigen terrein wel blijvend als zodanig te worden gebruikt en daaraan niet te worden onttrokken, omdat dit wel zou leiden tot toename van de parkeerdruk in de omgeving. Een eventuele overdracht van de grond onder de parkeerplaatsen aan de gemeente bevestigt volgens verweerder alleen het openbare karakter ervan.

De rechtbank kan zich met deze zienswijze van verweerder verenigen. Het gaat er om dat met de aanleg van parkeerplaatsen wordt voorzien in de extra parkeerbehoefte als gevolg van de bouw van de nieuwe rijwoningen en dat parkeeroverlast in de directe omgeving wordt voorkomen. Hier wordt naar het oordeel van de rechtbank in casu aan voldaan.

Ten tijde van de vergunningverlening was de grond eigendom van vergunninghoudster, zodat sprake is van parkeerplaatsen op eigen terrein. Dat die parkeerplaatsen ook door anderen kunnen worden gebruikt maakt dat niet anders. Voorshands is er geen grond om aan te nemen dat de parkeerplaatsen bij een eventuele overdracht van de onderliggende grond aan de gemeente niet langer als zodanig gebruikt zullen worden. Mocht toch blijken dat de parkeerplaatsen niet worden gerealiseerd op de wijze zoals in de vergunning is aangegeven en gebruikt zoals is bedoeld, dan is sprake van een illegale situatie waartegen verweerder in beginsel handhavend dient op te treden. Dit is echter een handhavingskwestie die buiten het kader van dit geding valt.

De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat de aanleg van parkeerplaatsen op eigen terrein ten behoeve en ten dienste van de bewoners van de nieuwbouwwoningen past binnen de woonbestemming. Parkeervoorzieningen zijn inherent aan een woonbestemming. Ingevolge artikel 18 van de voorschriften van het bestemmingsplan “Kom Schalkhaar 2005” zijn de op de plankaart voor “Wonen” aangewezen gronden - kort gezegd - bestemd voor woningen met bijbehorende bijgebouwen, tuinen, erven, water, voetpaden en bouwwerken geen gebouw zijnde. Op de bij woningen behorende erven mag in beginsel worden geparkeerd. Voor die parkeerplaatsen is dan ook geen afwijking van het bestemmingsplan nodig.

Ten aanzien van hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd over het vervallen van een drietal langsparkeerplekken door de aanleg van 4 parkeerplaatsen in de openbare ruimte merkt de rechtbank op dat, ook al vindt het parkeren langs de straatrand legaal plaats in het openbaar gebied, daarbij geen sprake is van parkeerplaatsen als bedoeld in de Bouwverordening en Bijlage 14 bij die verordening. Verweerder heeft die onofficiële langsparkeerplekken daarom buiten beschouwing kunnen laten bij de berekening van de parkeernorm.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt door middel van het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift met betrekking tot het aspect parkeren in voldoende mate voorzien in de extra parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan en is daarmee voldoende gewaarborgd dat geen sprake zal zijn van onnodige parkeeroverlast in de omgeving. Dit geldt te meer nu, naar verweerder heeft gesteld en door eiser niet is bestreden, het hier gaat om een buurt/gebied waarin geen sprake is van een hoge parkeerdruk.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en mr. J.W.M. Bunt, rechters, en door de voorzitter en G. Kootstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep.