Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2014:1659

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
08.760284-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verminder toerekeningsvatbare verdachte wegens een straatroof met geweld en in vereniging in Deventer tot een gevangenisstraf van 84 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk plus een taakstraf van 180 uren. Ook moet verdachte zich laten behandelen en zich aan een aantal bijzondere voorwaarden houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Meervoudige Kamer te Zwolle

Parketnummer: 08.760284-13 (P)

Uitspraak: 1 april 2014

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres].

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Pekkeriet-Bischop, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. E.D.I. Martens.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 november 2013 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een pakje sigaretten, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of zijn mededader(s) op (onder andere) die [slachtoffer 1] toegelopen en/of

meermalen, althans eenmaal (op dwingende toon) die [slachtoffer 1] om sigaretten gevraagd en/of (toen deze weigerde) die [slachtoffer 1] tegen diens hoofd geslagen en/of geschopt en/of die [slachtoffer 1] achtervolgd en/of die [slachtoffer 1] in een portiek gedrukt en/of aldaar meermalen, althans eenmaal geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of tegen die [slachtoffer 1] geroepen dat deze alles wat deze bij zich had moest afgeven en/of (toen deze weigerde) die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal tegen diens hoofd en/of elders op /tegen diens lichaam geslagen en/of gestompt en/of geschopt;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 30 november 2013 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld en/of (een) (andere) goed(eren), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met voormeld oogmerk als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) op (onder andere) die [slachtoffer 1] toegelopen en/of meermalen, althans eenmaal (op dwingende toon) die [slachtoffer 1] om sigaretten gevraagd en/of (toen deze weigerde) die [slachtoffer 1] tegen diens hoofd geslagen en/of geschopt en/of die [slachtoffer 1] achtervolgd en/of die [slachtoffer 1] in een portiek gedrukt en/of aldaar meermalen, althans eenmaal geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of tegen die [slachtoffer 1] geroepen dat deze alles wat deze bij zich had moest afgeven en/of (toen deze weigerde) die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal tegen diens hoofd en/of elders op /tegen diens lichaam geslagen en/of gestompt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 30 november 2013 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (oa inhoudende een ID kaart en/of zorgpas en/of bankpas(sen)) en/of een sleutelbos en/of een telefoon (Samsung Galaxy Advance), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (onder meer) die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

hij, verdachte en/of zijn mededader(s) op (onder andere) die [slachtoffer 2] is/zijn toegelopen en/of meermalen, althans eenmaal (op dwingende toon) die [slachtoffer 2] om sigaretten

heeft/hebben gevraagd en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben achtervolgd en/of in een portiek gedrukt en/of tegen deze heeft/hebben gezegd: "Alles geven " en/of vervolgens de kleding van

die [slachtoffer 2] heeft/hebben nagevoeld/doorzocht en/of die [slachtoffer 2] op/tegen diens schouder heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of deze op de grond heeft/hebben gedrukt/getrokken en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben vastgehouden;

EN/OF

hij op of omstreeks 30 november 2013 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (oa inhoudende een ID kaart en/of zorgpas en/of bankpas(sen) )

en/of een sleutelbos en/of een telefoon (Samsung Galaxy Advance, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) op (onder andere) die [slachtoffer 2] is/zijn toegelopen en/of meermalen, althans eenmaal (op dwingende toon) die [slachtoffer 2] om sigaretten heeft/hebben gevraagd en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben achtervolgd en/of in een portiek gedrukt en/of tegen deze heeft/hebben gezegd: "Alles geven " en/of vervolgens de kleding van die [slachtoffer 2] heeft/hebben nagevoeld/doorzocht en/of die [slachtoffer 2] op/tegen diens schouder heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of deze op de grond heeft/hebben gedrukt/getrokken en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben vastgehouden;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Inleiding

Op zaterdag 30 november 2013 omstreeks 04:00 uur heeft verdachte aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op straat, op de Brinkgreversweg te Deventer, om een sigaret gevraagd. Toen aangever [slachtoffer 1] dit weigerde heeft verdachte hem een trap gegeven.

Vervolgens werden aangevers ieder afzonderlijk in een portiek geduwd en met geweld respectievelijk van een pakje sigaretten en van een portemonnee, sleutelbos en een telefoon beroofd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder 1 primair en 2 primair ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van de hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat sprake is geweest van twee afzonderlijke incidenten die vlak na elkaar hebben plaatsgevonden.

Bij het eerste incident heeft verdachte aangever [slachtoffer 1] weliswaar een schop gegeven nadat zijn verzoek om een sigaret te geven was geweigerd, maar bij het tweede incident, waarbij aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn afgeperst (de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten) is verdachte niet betrokken geweest. Verdachte heeft na het schopincident namelijk niemand achtervolgd, in een portiek geduwd of geslagen en geschopt.

De verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring te kunnen komen nu beide aangevers over een groot aantal details onduidelijk hebben verklaard en voorts niet valt uit te sluiten dat hun waarneming door het eerste incident is beïnvloed waardoor zij verdachte wellicht “automatisch” aan het tweede incident hebben gelinkt. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het tijdstip waarop het incident heeft plaatsgevonden en het gebruik van alcohol.

De door de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] afgelegde verklaringen zijn ongeloofwaardig omdat hun verklaringen inconsistent zijn en zij vooral lijken te hebben geprobeerd ontlastend over zichzelf te verklaren.

Van medeplegen is geen sprake nu uit de bewijsmiddelen niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zo stelt de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Met de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde integraal dient te worden vrijgesproken. De rechtbank acht dit niet wettig en overtuigend bewezen.

Uit de bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verdachte bij het onder 2 ten laste gelegde feit uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Weliswaar heeft medeverdachte [medeverdachte 2], als enige, hierover anders (en voor verdachte belastend) verklaard maar de rechtbank ziet hierin onvoldoende grond om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de door medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegde verklaring niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, bijvoorbeeld door de verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en dat bovendien behoedzaam met de door medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegde verklaring dient te worden omgegaan gelet op de rol die hij zelf bij het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gespeeld.

Ook overigens is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de rol van verdachte dusdanig is geweest dat gesproken kan worden van bewuste en nauwe samenwerking bij het onder 2 ten laste gelegde feit. De drie incidenten die hebben plaatsgevonden, bestaande uit de schop die verdachte aan [slachtoffer 1] gaf toen deze geen sigaret aan verdachte gaf, de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld ten aanzien van [slachtoffer 1] en de gelijktijdige diefstal met geweld/afpersing van [slachtoffer 2], die als tweede feit op de tenlastelegging is opgenomen, dienen, gezien de verklaringen en de overige inhoud van het strafdossier, ook naar hun uiterlijke verschijningsvorm, te worden beschouwd als op zichzelf staande gebeurtenissen. Het is niet bewezen dat er sprake is geweest van een zeker planmatig handelen. Weliswaar heeft verdachte de eerste schop uitgedeeld nadat aangevers hem geen sigaret gaven en lijkt dat de opmaat te zijn geweest naar de berovingen die kort daarop volgden, maar niet bewezen is dat op dat moment reeds het voornemen tot de diefstallen/afpersingen bestond. De schop lijkt eerder uit frustratie te zijn gegeven. Deze gebeurtenis kan dus niet leiden tot de conclusie dat verdachte met deze handeling een bewuste bijdrage aan de beide diefstallen/afpersingen heeft geleverd. Een mogelijke betrokkenheid van verdachte bij het onder 1 ten laste gelegde, waarover de rechtbank hierna zal oordelen, leidt evenmin tot de conclusie dat verdachte daarmee een bijdrage aan het onder 2 ten laste gelegde heeft geleverd, nu niet is gebleken wat die bijdrage dan is geweest.

Gelet hierop wordt verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dat op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen1,

-waarvan de onderdelen die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten hieronder zijn weergegeven- een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde kan volgen.

1.

een proces verbaal van aangifte, inhoudende de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Ik ben op straat aangevallen door enkele personen. Deze probeerden mijn telefoon en andere spullen van mij af te pakken. Op de hoek Beestenmarkt met de Brinkgreverweg zag ik enkele personen staan. Daar was ook een persoon bij die ik eerder in de Joffer had gezien.

Dit betreft een blanke jongen van ongeveer 20 jaar oud. Hij is rond de 1.90 meter lang. Hij heeft vrij lang achterovergekamd donkerkleurig haar. Ik zag dat die jongen met nog 3 andere personen daar stond. Dit waren onder andere een negroïde jongen en nog 2 getinte of donkere jongens. Die eerste jongen vroeg mij of ik een sigaret voor hem had. Ik vertelde hem dat ik dat niet had. [slachtoffer 2] en ik zijn toen verder gelopen. Kort daarna werden wij achterna gezeten door het groepje jongens. Toen ik omkeek zag ik dat ik werd achterna gezeten door die eerste jongen en door een donkere jongen. Deze wisten mij een portiek van een woning in te drukken. Ik kreeg toen in de portiek klappen. Die negroïde jongen riep dat ik alles wat ik had moest afgeven. Hij wilde mijn telefoon, portemonnee, alles wat ik bij me had.

Ik ben vervolgens nog een aantal malen door beide personen geslagen. Dat deed mij met name pijn aan mijn hoofd.2

2.

een proces verbaal van verhoor aangever, inhoudende de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Ik ben op onderzoek geweest naar de persoon die mij afgelopen nacht heeft geslagen en wilde beroven. Ik praat dan over de man met het lange achterovergekamde haar van ongeveer 20 jaar oud, ongeveer 1.90 meter lang, die mij om een sigaret vroeg.

Ik kreeg een berichtje met de naam: ‘[verdachte]”. Ik vond op Facebook deze naam. Daar zat een foto bij. Ik herkende voor 100 procent de jongen van die foto, die mij afgelopen nacht geslagen had en die mij om een sigaret vroeg.3

3.

een proces verbaal van verhoor aangever, inhoudende de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Die neger, die jongen van Afrikaanse komaf, duwde mij het portiek in. [verdachte] stond er voor, een beetje kijken of er iemand aan kwam. Toen ik mij in het portiek bevond gaf die neger die klappen. Het waren er wel 15 denk ik. De klappen kwamen op mijn hoofd terecht. Dat deed mij behoorlijk pijn . Die neger had mij van tevoren bij mijn jas vastgepakt, ter hoogte van mijn keel. Dat was direct al op het moment dat hij mij het portiek induwde. Hij zei tegen mij dat ik alles af moest geven wat ik had. Hij noemde een portemonnee, sleutels, telefoon. Hij wilde alles hebben wat ik had. Ik hoorde dat die neger zei: “wat nee” en vervolgens begon hij mij al die keren te slaan.

Toen hij begon met slaan heb ik die neger snel een pakje sigaretten gegeven. Ik zag dat die neger het pakje sigaretten aanpakte en direct in zijn zak stopte.

Ik probeerde die Afrikaanse jongen van me af te duwen en er langs te komen. Op een bepaald moment lukte dat maar toen stond die [verdachte] er nog. Hij probeerde mij tegen te houden. Ik dook als het ware onder zijn arm door en kwam daardoor te vallen,

buiten het portiek. Op dat moment lag ik op mijn buik op de grond. [verdachte] begon op mij

in te trappen en te slaan. Ik denk dat ik in totaal door [verdachte] zo’n 6 á 7 keer geslagen ben. Het ging er vrij hectisch aan toe op dat moment, omdat ik ondertussen probeerde te rollen om te voorkomen dat die donkere jongen mijn spullen uit de zakken ging halen, want daar was hij mee bezig. Ik zag dat [verdachte] dat deed en niet die donkere jongen. Hij raakte mij aan mijn beide zijkanten, omdat ik aan het rollen was.

Alles deed behoorlijk pijn. Later had ik ook een blauwe plek op mijn been. Door die klappen op mijn hoofd kreeg ik direct al een buil op mijn hoofd.4

4.

een proces verbaal van aangifte, inhoudende de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Omstreeks 04:00 uur waren [slachtoffer 1] en ik ter hoogte van de Beestenmarkt. Wij liepen over de Brinkgreverweg. We zagen 4 jongens staan. Ik zag dat de jongen die ik in de Joffer had gezien naar ons toe kwam. Ik hoorde dat hij vroeg om een sigaret. Ik zag dat de jongen [slachtoffer 1] een schop gaf.

Ter hoogte van de portiekwoningen aan de Brinkgreverweg zag ik dat er ineens 2 jongens aan kwamen lopen. Ik zag dat zij [slachtoffer 1] in een portiek dreven. Ik zag dat dit gebeurde door een licht getinte jongen en een donker getinte jongen.

Ik hoorde de donker getinte jongen zeggen: “alles geven”.

Ik zag dat de donker getinte jongen er als volgt uitzag: stevig postuur, 1.80 - 1.85 lang. Ik zag dat hij donker gekleed was.5

5.

een proces verbaal van aangifte, inhoudende de door [slachtoffer 2] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Met de licht getinte jongen uit mijn aangifte bedoelde ik de jongen waar later de foto ook van bekend was. [verdachte].

Met de donker getinte jongen bedoelde ik een echt donkere jongen, een Antilliaan of Surinamer of zoiets. De donkergetinte jongen was de donkerste jongen van alle vier.

Ik zag dat [slachtoffer 1] door [verdachte] en die donkere jongen het portiek in werd geduwd. [slachtoffer 1] kwam tegen de muur van dat portiek terecht.6

6.

de door verdachte ter terechtzitting van 18 maart 2014 afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven- inhoudende:

Op 30 november 2013 omstreeks 04:00 uur kwam ik op de Beestenmarkt te Deventer [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] tegen. Ik zag aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op straat staan. Ik vroeg hen om een sigaret maar zij liepen door. Ik heb [slachtoffer 1] een schop gegeven waardoor hij half ten val kwam. Hierna escaleerde de situatie en kwamen de anderen mij helpen. Ik bleef staan. Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden in een portiek gedrukt. Ik stond bij het portiek en keek er naar. [medeverdachte 1] stond met [slachtoffer 1] in een portiek. Ik zag dat [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] werd geslagen.

7.

een proces verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de door verdachte afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Ik zag twee jongens lopen. Ik vroeg aan deze jongens of ze een sigaret hadden. Ik kreeg toen een beetje ruzie. Ik werd boos en heb een schop gegeven.

Ik heb gezien dat [naam] door die grotere jongen in een portiek werd gedrukt. U zegt dat de jongens die aangifte hebben gedaan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heten. Dan zal degene die ik [naam] noem wel [slachtoffer 1] heten.

Toen zij bij mij wegliepen hoorde ik dat die drie jongens er aan kwamen rennen. Ik liep toen ook in dezelfde richting als deze [slachtoffer 1]. (…) Zij liepen mij voorbij en gingen achter [slachtoffer 1] en zijn vriend aan. Die grote heeft [slachtoffer 1] in een portiek gedrukt.7

8.

een proces verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de door verdachte afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

[medeverdachte 1]. Dit is de grootste donkere jongen. Ik ben alleen rustig achter [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] aan gelopen omdat ik een sigaret wilde. Ik heb wel gezien dat [slachtoffer 1] het portiek in werd gedreven.8

9.

een proces verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de door verdachte afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] een paar klappen gaf. Twee of drie. Dit was in een portiek.9

10.

een proces verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Op vrijdagavond zijn [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en ik met zijn vieren naar de Beestenmarkt gelopen. Twee jongens liepen door. [verdachte] werd helemaal gek en liep achter ze aan. Ik zag toen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] plotseling ook hard naar deze jongens toeliepen. Ze staken de weg over en ik zag dat [medeverdachte 1] één van deze jongens sloeg. Dit was bij het trappetje naast de kapper. Hij heeft hem misschien wel tien keer geslagen.10

11.

een proces verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven:

Toen ik met [medeverdachte 2] op de Beestenmarkt stond te praten kwam [verdachte] naar ons toe. Er kwamen twee jongens aanlopen. [verdachte] zei toen dat hij die jongens kende en dat hij een sigaret van hun ging afpakken. Op het moment dat we naar [verdachte] toe wilden lopen zag ik dat [verdachte] een van deze jongens een schop gaf en dat deze jongen op de grond viel. [verdachte] bleef schreeuwen dat hij gewoon een sigaret moest geven. We zijn er toen naar toegelopen.11

Bewijsoverwegingen:

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen kan worden bewezen dat verdachte zich op 30 november 2013 samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan afpersing van aangever [slachtoffer 1]. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op de Beestenmarkt te Deventer heeft ontmoet, dat verdachte aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daar een sigaret heeft gevraagd en dat verdachte, toen aangevers dit weigerden, aangever [slachtoffer 1] een trap heeft gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is, zoals hiervoor ook reeds is overwogen, niet bewezen dat verdachte op dat moment reeds het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling heeft gehad. Hiervan is pas op een later moment gebleken.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat na het schopincident ongeveer gelijktijdig de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden. Hierbij hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zich op aangever [slachtoffer 1] gericht (feit 1) en hebben medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zich op aangever [slachtoffer 2] (feit 2) gericht.

Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1] aangever [slachtoffer 1] in een portiek heeft gedrukt, hem ter hoogte van zijn keel bij de jas heeft vastgepakt en daarbij heeft geroepen dat hij alles moest afgeven, en hem daarbij 15 keer heeft geslagen waarop aangever [slachtoffer 1] uiteindelijk een pakje sigaretten heeft afgegeven.

Verdachte stond daar dicht bovenop en heeft zich op dat moment niet van het gewelddadige gedrag van medeverdachte [medeverdachte 1] gedistantieerd. Integendeel. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat hij aangever [slachtoffer 1] heeft tegengehouden op het moment dat deze uit het portiek probeerde te ontsnappen en dat hij aangever [slachtoffer 1] ongeveer 6 á 7 keer in zijn zij heeft geslagen en ook heeft geschopt op het moment dat deze ten gevolge van een val op de grond terecht was gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat er op grond van vorengenoemde sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het tenlastegelegde en dat er ook bij verdachte sprake is geweest van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Dat er niet is gebleken van vooraf gemaakte afspraken doet hieraan niet af, nu ook stilzwijgend, onder omstandigheden als de onderhavige, sprake kan zijn van een bewuste nauwe samenwerking.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar.

In de omstandigheid dat zij over een aantal details onduidelijk zijn geweest ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaring te twijfelen.

Aangevers hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende consistent en gedetailleerd over het voorval verklaard. Bovendien worden hun verklaringen op onderdelen ondersteund door de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 30 november 2013 te Deventer tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een pakje sigaretten, toebehorende aan die [slachtoffer 1], welk geweld hierin bestond dat hij verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer 1] in een portiek heeft gedrukt en aldaar meermalen heeft gestompt en geschopt en tegen die [slachtoffer 1] heeft geroepen dat deze alles wat deze bij zich had moest afgeven en die [slachtoffer 1] meermalen tegen diens hoofd en/of elders op diens lichaam heeft geslagen en gestompt en geschopt.

Van het onder 1 primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1

primair:

Afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

STRAFBAARHEID van de VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dan ook strafbaar.

MOTIVERING VAN STRAF OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht en rekening houdend met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, gevorderd om verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals deze in het reclasseringsrapport van 12 maart 2014 zijn vermeld

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde kan zijn omdat dit de door verdachte ingezette positieve weg zou doorkruisen.

Bij een eventuele strafoplegging zou rekening gehouden dienen te worden met de uit de Pro Justitia rapportages blijkende verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, het door verdachte ingezette begeleidingstraject en zijn dagbesteding.

De raadsvrouw heeft bepleit om te volstaan met de oplegging van een forse werkstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich ’s nachts op de openbare weg in de binnenstad van Deventer samen met

een medeverdachte schuldig gemaakt aan afpersing van een toevallige voorbijganger. Het

slachtoffer werd door verdachte om een sigaret gevraagd en vervolgens door verdachte en zijn medeverdachte belaagd.

Bij het slachtoffer heeft deze uiting van zinloos geweld gevoelens van angst en onrust teweeggebracht die pas na verloop van tijd zijn verdwenen. Ook voor de samenleving in het algemeen geldt dat dergelijke misdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat de oriëntatiepunten van het Landelijk

Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. In deze oriëntatiepunten

voor straftoemeting wordt voor een straatroof met licht geweld, waarmee onderhavig geval vergeleken kan worden, een gevangenisstraf van 6 maanden als uitgangspunt gehanteerd.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de inhoud van

de Pro Justitia rapportages.

Uit de psychiatrische rapportage van 28 februari 2014, opgemaakt door dr. L.H.W.M. Kaiser, volgt dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een dysthyme stoornis, attention deficit disorder (ADD) en

cannabisafhankelijkheid terwijl een pervasieve ontwikkelingsstoomis nog uitgesloten moet

worden. Voorts is er blijkens de rapportage bij verdachte sprake van zwakbegaafdheid en vermijdende persoonlijkheidstrekken.

De psychiater adviseert verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en acht

het risico op herhaling laag indien verdachte intensieve begeleiding krijgt en matig indien deze begeleiding weg zou vallen.

De psychiater adviseert een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden reclasseringscontact en een ambulante behandeling in een intensief begeleidingsnetwerk.

Psycholoog drs. H.E.W. Koornstra concludeert in haar rapport van 13 februari 2014 dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van ADD, een dysthyme stoornis en zwakbegaafdheid.

Ook de psycholoog adviseert verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen en acht het risico op herhaling sterk afhankelijk van de omstandigheden waarin betrokkene zich bevindt. Het risico is volgens de psycholoog laag indien verdachte in het huidige begeleidingsniveau blijft.

De psycholoog heeft een voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden dat de reclassering coördinerend toezicht houdt op de verschillende hulpverleningstrajecten rond verdachte, en voorts dat intensieve woonbegeleiding wordt opgelegd.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 12 maart 2014 waarin geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij Dimence of soortgelijke ambulante forensische zorg, een contactverbod met zijn medeverdachten, een locatiegebod, het meewerken aan middelencontrole, interventies op het gebied van middelengebruik en het verkrijgen en behouden van dagbesteding indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank neemt voormelde conclusies op de in de rapportages daarvoor uiteengezette gronden over en maakt het oordeel van de gedragsdeskundigen tot het hare. De rechtbank acht verdachte (ook) ten aanzien van het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 3 februari 2014, waaruit volgt dat verdachte op 1 mei 2012 door de politierechter is veroordeeld ter zake van een drietal vermogensdelicten maar nog niet eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om te komen tot een andere strafmodaliteit dan door de officier van justitie is geëist en in de oriëntatiepunten wordt gehanteerd.

De rechtbank acht het in onderhavig geval opportuun om een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf gelijk zal zijn aan de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank acht termen aanwezig om het resterende deel van de aan verdachte toekomende gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door Reclassering Nederland geadviseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het zowel in het belang van verdachte als in het belang van de maatschappij dat verdachte (verdere) behandeling krijgt voor zijn problematiek en dat deze behandeling niet wordt doorkruist door een vrijheidsstraf. Gelet op de ernst van het feit ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf van aanzienlijke duur op te leggen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

Het onder 1 primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is strafbaar.

Het onder 1 primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 84 dagen.

De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering gebracht.

De rechtbank legt aan de verdachte op een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 180 uren, te voltooien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 60 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders zal gelasten, omdat de verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren:

- aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

- geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast wanneer de verdachte gedurende een proeftijd van 2 jaren de volgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat:

- de verdachte zich op eerste uitnodiging van de reclassering aldaar zal melden en zich vervolgens zal blijven melden zo frequent als reclassering dat gedurende de proeftijd nodig acht;

- de verdachte zich ambulant zal laten behandelen bij Dimence, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;

- de verdachte zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, maar maximaal gedurende de proeftijd van 2 jaar, op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met zijn medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3];

- verdachte zich gedurende een periode van zes maanden vanaf de datum van onderhavige uitspraak of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht op het woonadres aan de [adres] te [woonplaats], of een andere in overleg met de reclassering te bepalen vaste verblijfplaats die geschikt is voor elektronisch toezicht, zal dienen te bevinden met dien verstande dat hij op doordeweekse dagen dagelijks een aaneengesloten blok van 12 uren vrij te besteden heeft en dat hij op de dagen in het weekend telkens een aaneengesloten blok van 8 uren vrij te besteden heeft. Verdachte zal vooraf en in overleg met de reclassering vaststellen op welk moment van de dag hij deze vrije uren besteedt.

De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van RFID voor de duur van maximaal zes maanden;

- de verdachte mee zal werken aan middelencontroles en interventies op het gebied van middelengebruik indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de verdachte mee zal werken aan het verkrijgen en behouden van dagbesteding, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Aldus gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en V.P.K. van Rosmalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2014.

Mr. L.J.C. Hangx voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Regiopolitie IJsselland, onder dossiernummer PL04DD-2014012359 Z, opgemaakt op 11 februari 2014.

2 Dossierpagina’s 135 tot en met 137.

3 Dossierpagina’s 138 tot en met 140.

4 Dossierpagina’s 141 tot en met 144.

5 Dossierpagina’s 124 tot en met 126.

6 Dossierpagina’s 130 tot en met 134.

7 Dossierpagina’s 28 tot en met 31.

8 Dossierpagina’s 32 tot en met 34.

9 Dossierpagina’s 40 tot en met 43.

10 Dossierpagina’s 58 tot en met 62.

11 Dossierpagina’s 63 tot en met 67.